Films kunnen de mysterie van het dirigeren niet oplossen

Klassieke meesters op het witte doek: Mengelberg 3 t/m 9 juni 19.00 uur; Toscanini: 3 t/m 9 juni 21.30 uur; Ansermet: 10 t/m 16 juni 19 uur; Kleiber: 10 t/m 16 juni 21.30 uur; Knappertsbusch: 17 t/m 23 juni 19 uur; Klemperer: 17 t/m 23 juni 21.30 uur; Mravinski: 24 t/m 30 juni 19 uur; Böhm: 24 t/m 30 juni 21.30 uur.

Dirigeren is een mysterieuze aangelegenheid. Een dirigent, die de hele avond niets anders doet dan met zijn armen zwaaien zonder zelf een noot muziek te produceren, krijgt na afloop toch het meeste applaus. Minzaam laat hij de orkestmusici, die toch een paar miljoen bijna altijd goed gespeelde noten over het podium hebben laten rollen, delen in het eerbetoon voor hem. Hij krijgt ook nog veel beter betaald. "Kunnen die musici dat niet zelf, hoe het precies moet staat toch allemaal op papier?' - het is een veel gehoorde vraag.

Het mysterie van de dirigent wordt ook niet opgelost door Klassieke meesters, een serie films en video's over een aantal van de grootste dirigenten van deze eeuw die tijdens het Holland Festival wordt vertoond in het Filmmuseum in het Amsterdamse Vondelpark. Ook al ziet men fameuze dirigenten als Willem Mengelberg, Arturo Toscanini, Carlos Kleiber, Hans Knappertsbusch, Otto Klemperer en Karl Böhm repeteren en dirigeren, het blijft een raadsel hoe precies het uiteindelijke resultaat in de concertzaal of in de opnamestudio precies wordt bereikt.

Een deel van het echte werk is immers niet te zien: dat vindt plaats tijdens de partituurstudie, wanneer de dirigent zijn opvattingen over het te spelen stuk bepaalt. En die interpretatie van het werk van de componist is het resultaat van kennis, inzicht, ervaring en vooral persoonlijkheid van de dirigent. Die persoonlijkheid èn zijn manier van werken, van overdragen van inzichten op de musici tijdens het repeteren en het creëren van spanning tijdens een concert door middel van zijn uitstraling, blik en gebaar - het zijn ongrijpbare en wisselvallige zaken. Zelfs de sfeer in de zaal en de intensiteit van de publieke aandacht speelt een rol.

De films vertonen dus uitsluitend hoe de dirigenten op een bepaald moment zijn en eruit zien en niet of nauwelijks waarom ze zo zijn. De beelden van de dirigenten hebben daarmee in de eerste plaats een anekdotisch karakter. In dubbel opzicht is dat bij voorbeeld het geval bij de in 1931 opgenomen film van het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Voor het maken van deze geluidsfilm - toen nog een nieuwigheid - moest het orkest naar een studio in Parijs waar in een studio het podium van het Concertgebouw werd nagebouwd, compleet met orgel, zij het in witte uitvoering. Mengelberg zelf oogt minzaam. Men ziet geen schim van zijn bikkelharde autoriteit en zijn vaardigheid in het drillen van het orkest. De jonge Karajan kwam voor de oorlog naar Amsterdam om dè kunst af te kijken.

Aan Arturo Toscanini is nog minder af te zien. Tijdens repetities was hij driftig en genadeloos, tijdens concerten doet hij nauwelijks iets meer dan het slaan van de maat. Mimiek ontbreekt, wel zijn er dodende blikken naar het orkest, maar het is de vraag wat die betekenden omdat hij zelf zo slecht zag.

Wat maakt een dirigent groot? Niet de manier waarop hij beweegt. Leonard Bernstein liet geen lichaamsdeel ongebruikt en maakte sprongetjes. Otto Klemperer was lange tijd goeddeels verlamd. Karl Böhm dirigeerde de laatste jaren slechts met een paar vingers. De tempokeuze lijkt al evenmin bepalend. Of is dat dat wel als die extreem de ene of de andere kant op is? Toscanini flitste door de muziek, terwijl bij Klemperer de maten oneindig lijken, maar wel met groot vertoon van diepgang gerealiseerd. D

De 86-jarige Otto Klemperer ziet men zijn laatste concert met o.a. de Derde symfonie van Brahms repeteren èn dirigeren. De repetitiefragmenten zijn zo kort dat men nauwelijks begrijpt wat de dirigent daar in zijn stoel doet, terwijl hij alleen maar in zijn partituur kijkt. Tijdens het concert leeft hij echter op en toont hij iets meer gebaar.

De historische opnamen zijn van Philo Bregstein, wiens monumentale film De lange reis van Otto Klemperer door zijn tijd een fascinerend beeld geeft van driekwart eeuw Europese geschiedenis en het muziekleven waarin Klemperer lange tijd een avantgarde-positie had.

Pure anekdotiek, en daarmee misschien wel het meest onthullend, bieden beelden van dirigenten buiten de concertzaal: Toscanini die thuis een plaat opzet; Mengelberg temidden van zijn getrouwen tijdens zijn vakantie in zijn Zwitserse chalet waarbij de filmcamera de hoofdpersoon is: telkens blijkt die het middelpunt van vermaak en toasts.

Het merkwaardigste is een kort geluidloos filmpje van de legendarische Arthur Nikisch, die twee keer overdwars naast elkaar is te zien: van voren èn van achteren de Pathétique van Tsjaikovski dirigerend. Het filmpje had bij projectie tijdens concerten een zelfde functie als de beeld- en lichtshows bij popconcerten tegenwoordig: het maakte de kunstenaar tot ster, groter, schijnbaar dichterbij en toch onbereikbaar en ondoorgrondelijk.