Democratiseringsproces als nieuwe vredestheorie voor het Midden-Oosten

In hun campagne ter ondermijning van de morele basis voor een eventuele realistische vrede met Syrië, heeft een aantal tegenstanders van de huidige politiek van het kabinet Rabin, zowel in Israel als aan de overkant van de Atlantische Oceaan, de theorie verzonnen dat vrede slechts met een democratie kan worden gesloten en niet met autocratische regimes die in vrijwel alle Arabische landen aan de macht zijn.

Aangezien men in geen van de Arabische landen veel kennis heeft van de liberaal-democratie of deze heeft gepraktizeerd, ligt het voor de hand, aldus de aanhangers van die theorie, dat de tijd niet rijp is voor een duurzame toenadering tussen Israel en Syrië. Laat de Syriërs, de Saoediërs of de Libiërs eerst het democratiseringsproces doormaken, dan zal de bevolking zich eerder verzoenen met de gedachte aan vrede met Israel. De democratisch gekozen regering zou de wil van het volk vertegenwoordigen, hetgeen een meer solide en betrouwbare zou basis zijn.

Het probleem met deze theorie - ook al zou ze enige filosofische waarde hebben - dat het in de politieke praktijk het recept is voor een status quo. Een status quo heeft zijn eigen dynamiek. In de kwestie van het Midden-Oosten is het een gegarandeerde blauwdruk voor explosie en oorlog. Er zijn op dit moment ten minste zesenveertig islamitische landen in de wereld: van Indonesië en Maleisië in het Verre Oosten, via Pakistan en Iran, tot Turkije en alle Arabische staten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, is Turkije het enige land waar de islam weliswaar de grootste godsdienst is, maar waar een Westerse vorm van democratie wordt gehanteerd. Men kan zich terecht afvragen, zoals enige geleerden gedaan hebben: is er een toekomst voor de liberaal-democratie in een samenleving gebaseerd op islamitische ideeën, principes en tradities? Moslims hebben op deze vraag tegenstrijdige antwoorden gegeven.

Othman Halaq, de hoofdredacteur van het Oost-Jeruzalemse dagblad A-Nahar, zegt dat velen in het Westen er jammer genoeg van uitgaan dat "de islam een bedreiging is voor de democratie en hun beschaving'. Maar in de koran, aldus Halaq, vindt men ook een verklaring waarin de gelovigen geinstrueerd worden om “een Arabier niet de voorkeur te geven boven een Pers, een blanke boven een zwarte; vroomheid en reinheid dienen de voorkeur te genieten”. Hij legt er vervolgens de nadruk op dat het niet waar is dat islam en democratie onverenigbaar zijn. Het is volgens hem oneerlijk om naar Iran, Saoedi-Arabië en Pakistan te verwijzen als voorbeelden van theocratieën die de onverenigbaarheid van islam en democratie bewijzen.

De eminente islamitische geleerde Bernard Lewis houdt er volkomen andere ideeën over islam en democratie op na. Hij wijst erop dat voor de islamitische fundamentalisten "democratie' duidelijk irrelevant is. Zij zijn bereid misbruik te maken van de gelegenheden die zich in hun landen voordoen. Zij maken geen geheim van hun minachting voor democratische politieke procedures en van hun intentie, als zij aan de macht komen, volgens de regels te heersen. De islamitische republiek Iran houdt verkiezingen, en staat meer vrijheid toe van discussie en kritiek in de pers en in het parlement dan in de meeste moslimlanden het geval is. Wel zijn er beperkingen (waar strikt de hand aan wordt gehouden) over wie zich kandidaat mag stellen, welke groepen gevormd en welke ideeën tot uitdrukking mogen worden gebracht. In dat opzicht vertoont het een opvallende gelijkenis met de communistische doctrine en praktijk.

Het spreekt vanzelf dat de basisprincipes van de islamitische revolutie in Iran niet aan de kaak gesteld mogen worden. Het islamitische fundamentalisme, aldus Lewis, is slechts een stroming onder vele. De regeringen van landen als Syrië en Saoedi-Arabië en de Palestijnse beweging, om van Egypte maar niet te spreken, bestrijden het islamitisch fundamentalisme. Algerije heeft ongelukkige ervaringen met een democratische verkiezing, en het radicale islamitische front kreeg een meerderheid van stemmen. Zoals ons bekend verklaarde het leger de verkiezingen nietig en nam het heft in handen. Zou dit experiment met Algerijnse democratie de voorstanders van democratisering van de Arabische landen als voorwaarde voor het sluiten van vredesovereenkomsten met hun regeringen gerust stellen?

Israel onderhandelde over een vredesverdrag met Egypte en ondertekende dit op een moment dat dit land zich niet bepaald kwalificeerde voor de democratische schoonheidsprijs. Had Begin de Camp David-akkoorden moeten uitstellen tot Egypte meer gelijkenis vertoonde met een Westerse democratie?

Wat zou er gebeurd zijn met alle wapenbeheersingsovereenkomsten die tussen de Verenigde Staten en de voormalige Sovjet-Unie werden gesloten? Zouden de voorstanders van de voorwaardetheorie hebben volgehouden dat president Kennedy in 1963 het verdrag tot het verbod van kernproeven niet had moeten ondertekenen tot er een Gorbatsjov of een Jeltsin aan het Russische firmament zou verschijnen?

In een uitstekend artikel in een recente aflevering van het Amerikaanse kwartaalblad Foreign Affairs stelt de voormalige Amerikaanse minister van Defensie, James Schlesinger, de principiële kwestie van "democratisering' als voornaamste doel van de regering-Clinton aan de orde. Natuurlijk probeert hij niets af te doen aan het prijzenswaardige idee van democratie als leidraad voor de Amerikaanse diplomatie. Wat hij voorstelt is een nadere beschouwing van het element "democratisering' binnen de algemene en meer realistische context van strijdige overwegingen.

Schlesinger wijst erop dat “een vraag die nog verder gaat is of wij werkelijk voor andere landen een democratische regeringsvorm wensen of die kunnen voorschrijven. Misschien is de kwestie duidelijker aan de orde in de islamitische wereld”. Dan stelt hij de vraag: “Willen wij werkelijk het staatsbestel in Saoedi-Arabië veranderen?” Zijn antwoord is nee. Zou een verantwoordelijke Israelische of Europese regering een ander beleid voorstaan? Op dit ogenblik zou een Westerse vorm van democratie voor de meeste Arabische regimes een machtsovername door de islamitische fundamentalisten betekenen - van Algerije tot Jordanië, en niemand kan zeggen wat er in Syrië of in Egypte zou gebeuren. Zouden de voorstanders van "democratisering' van de Arabische landen het risico willen nemen dat een fundamentalistisch regime in Egypte het vredesverdrag met Israel zou afschaffen?

Een niet-democratisch Syrië tekende in 1974 een overeenkomst over een scheiding van strijdkrachten, en heeft meer respect getoond voor die overeenkomst dan een aantal democratische regeringen voor hun internationale verplichtingen. Dat impliceert natuurlijk niet dat Israel zich moet verzetten tegen een eerlijk en authentiek democratiseringsproces in Syrië of enig ander Arabisch land. Maar het moet geen voorwaarde zijn voor de onderhandelingen over een realistisch vredesverdrag. Als politieke tegenstanders van het beleid van Rabin dat schibbolet hanteren, zullen politiek weldenkende Israeliërs dat wel oplossen, maar degenen die dit argument in het buitenland herhalen moeten zich realiseren dat zij alleen maar de haviken in Israel steunen en de status quo verlengen. Het is wat paradoxaal dat de voorstanders van de democratisering van Arabische regimes als voorwaarde voor vrede niet inzien hoe de in Israel stevig verankerde democratie wel eens ondermijnd zou kunnen worden door het voortbestaan van de doctrine dat de misdeelde positie waarin zich bijna twee miljoen Palestijnen bevinden moet worden gehandhaafd.