De wethouder van financiën wordt steeds zwaarder

Jarenlang dachten de gemeenten dat de bomen tot in de hemel groeiden. Nu duidelijk wordt dat dit niet het geval is, komen ze in de financiële problemen. Geleidelijk aan stellen ze orde op zaken. Eerste van drie artikelen over gemeentelijke financiën.

DEN HAAG, 2 JUNI. Toen eind jaren zeventig in Nijmegen een nieuw gezamenlijk gebouw van de gemeentelijke gezondheidsdienst en de gemeentelijke accountantsdienst werd ontworpen, was geen wens zo speciaal of er kon aan tegemoet gekomen worden. Artsen, verplegers en accountants konden ongeacht de kosten hun ideale werkruimtes krijgen. Het stijlvolle bakstenen gebouw, dat exclusief inrichting 15,7 miljoen gulden kostte, werd eind 1981 geopend. Nu wil de gemeente het gebouw graag verkopen. Maar zij kan dat niet, omdat het voldoen aan alle wensen destijds zo kostbaar was, dat verkoop haar nu een groot verlies zou opleveren.

Door geldgebrek hebben gemeentebesturen een toenemende belangstelling gekregen voor financieel beheer en worden zulke problemen ontdekt. Tot voor kort keken veel gemeenteraden nauwelijks naar jaarrekeningen, waarin achteraf te zien is wat het beleid daadwerkelijk heeft gekost. Niet alleen in Den Haag, waar het gemeentebestuur een enorme schuld heeft laten ontstaan, maar overal in het land zijn gemeenten bezig hun financiële administraties te verbeteren.

Veel gemeentebestuurders dachten in de jaren zeventig dat het geld niet op kon. In de groeikern Zoetermeer was het devies volgens wethouder F.H. Buddenberg “Niet lullen maar bouwen”, en werd niet nagedacht over toekomstige onderhoudskosten. In Nijmegen werden hoofdzakelijk woningen voor de lagere inkomens gebouwd. De gemeente zag daarbij over het hoofd dat zij mede daardoor met de kosten van extreem veel uitkeringsgerechtigde inwoners zou komen te zitten, terwijl mensen met hogere inkomens, die voor belastinginkomsten zorgen, zich in omringende plaatsen vestigden.

“Vooruitzien is leuker dan je bezighouden met jaarrekeningen”, zegt wethouder van financiën B.E. van der Beek in Ommen. Wethouders wilen eer behalen met begrotingen waarin nieuwe plannen worden aangekondigd. In het verleden waren dat meestal welzijnsvoorzieningen, van buurthuizen tot sporthallen en overdekte zwembaden. “Men dacht dat de bomen tot in de hemel groeiden”, constateert wethouder W.T.G. Pingen van Almelo.

De geringe belangstelling voor de jaarrekeningen had tot gevolg dat ze vaak met grote vertraging werden gemaakt. Het kwam voor dat gemeenten vijf, zes jaar achterstand hadden. Van een bijsturing van de gemeentelijke financiën in een nieuwe begroting naar aanleiding van de gang van zaken in de voorafgaande periode, kon dus geen sprake zijn. Toen in de jaren tachtig als gevolg van bezuinigingen bij het rijk de financiële omstandigheden bij de gemeenten verslechterden, had dat niet dadelijk tot gevolg dat het financiële beheer verbeterde. In veel begrotingen werden de kosten voor zaken als het onderhoud van gebouwen, wegen en rioleringen grotendeels weggelaten. Men hoopte dat eens nieuwe tijden zouden aanbreken en er dan voldoende geld zou zijn voor al het achterstallig onderhoud “Je profileert je als wethouder nu eenmaal beter met een minimabeleid dan met asfalt”, zegt de Nijmeegse wethouder van financiën R.P.A. Migo.

Veel gemeenten gingen in de jaren zeventig langlopende investeringsverplichtingen aan. Die konden ze niet snel konden veranderen toen ze minder geld kregen en ze bovendien taken van het rijk moesten overnemen. Er was ook dikwijls een cultuur waarbij gemeentelijke subsidies tijdig werden betaald, maar waarbij de ambtenaren van de afdeling financiën de neiging hadden om met invorderingen wat minder stipt om te springen.

In de tweede helft van de jaren tachtig is daar langzaam een verandering in gekomen. Er kwamen strengere eisen voor de gemeente-administraties. Vooruitschuiven van onderhoud van rioleringen kan vanaf volgend jaar niet meer, omdat beheersplannen dan wettelijk verplicht zijn. Gemeenten die hun zaken op orde hebben en financieel bewustzijn tonen door tijdig een jaarrekening te presenteren, krijgen een prijs in de vorm van meer onafhankelijkheid en minder toezicht van de provincies. Gemeenteraden raken ook meer genteresseerd in de vraag of doelstellingen zijn gehaald binnen de normen van de begroting. Een toenemend aantal gemeenten heeft geen achterstanden meer met de jaarrekening. In Gelderland bijvoorbeeld is intensief provinciaal toezicht nog slechts nodig voor 26 van de 86 gemeenten. “Er is sprake van een cultuuromslag, van een volstrekt andere wijze van denken en werken”, zegt wethouder Pingen. “Mede als gevolg van de schaarste aan middelen is men noodgedwongen bedrijfsmatiger gaan denken.”

Prof. A.D. Bac, partner van de voor veel gemeenten werkende VB Accountants, doet uitspraken dat de overheid van het bedrijfsleven kan leren af als “gebrul”. Bac: “Een onderneming heeft succes als er een batig saldo is. Dat is geen voorbeeld voor de overheid die geld nuttig moet besteden.” Hij constateert de laatste jaren een belangrijke toename van de kwaliteit van de financiële administratie van gemeenten. Het gaat Bac echter te ver om te zeggen dat de financiële problemen waarmee gemeenten op dit ogenblik worden geconfronteerd, te voorkomen geweest zouden zijn.

Hij toont begrip voor gemeentebestuurders die in een tijd van groei, van steeds meer taken en van meer eisende burgers, de uitgaven niet wisten te beperken en in sommige gevallen in financiële problemen terecht kwamen.

Gemeenten kunnen volgens Bac alleen de korte termijn overzien en zijn zeer gevoelig voor economische veranderingen waarop zij zelf geen invloed kunnen uitoefenen.

“De positie van de wethouder van financiën krijgt bij krappere begrotingen meer gewicht. Het kost de nodige tijd voordat operationele wethouders inzien dat zij er belang bij hebben dat de wethouder van financiën zijn werk goed doet. Belangstelling voor de financiën begint pas als er problemen zijn. Er is dreiging nodig om aan te kiezers te kunnen uitleggen dat iets niet kan”, aldus Bac.

Dat de financiële administratie bij gemeenten ernstiger wordt genomen, betekent overigens niet dat daarmee de problemen ook voorbij zijn. Overal in het land zijn gemeenten die overwegen de zogenaamde artikel 12-status te vragen en vervolgens met hulp van het rijk de financiën te saneren. De neiging om niet te denken aan toekomstige kosten, heeft overal gespeeld: in kleine en grote gemeenten, waarbij de politieke samenstelling van de raden er weinig toe lijkt te doen.

Toch zijn er ook gemeenten waar het geen verschil lijkt te maken of het nu de royale jaren zeventig of de financieel krappere jaren negentig zijn. In de Westlandse gemeente 's-Gravenzande verklaart wethouder van financiën P.A. Vijverberg dit verschijnsel eenvoudig :“Wij zijn een tuinbouwgemeente, daarom zijn we zakelijk ingesteld.” 's Gravenzande behandelde altijd al in mei de jaarrekening van het voorafgaande jaar in de gemeenteraad. Toen in de jaren tachtig de aandacht voor de jaarrekening toenam, haastte 's Gravenzande zich nog meer om toch vooral hiermee de eerste gemeente van Zuid-Holland te blijven. Volgens Vijverberg had de raad altijd grote belangstelling voor de financiële verslaggeving, niet wegens tekorten, maar om te kijken hoe groot de overschotten waren.

Tien jaar geleden nog had 's Gravenzande jaarlijks tegen de drie miljoen gulden over, terwijl de belastingtarieven lager waren dan in alle omringende gemeenten. De onroerend-goedbelasting, die jarenlang gelijk was gebleven, werd in 1986 met 13 procent verlaagd. Een nieuw gemeentehuis, een sporthal, sportvelden, het kon allemaal dankzij de overschotten gemakkelijk worden betaald zonder dat er duur geld geleend behoefde te worden. “We hebben altijd conservatief begroot”, zegt Vijverberg (VVD), die vertelt dat de gemeenteraad vorig jaar enthousiast applaudisseerde toen er ondanks de verminderde betalingen door het rijk toch nog een overschot van zes ton gehaald bleek te zijn.

De financiële omstandigheden van het 19.000 inwoners tellende 's Gravenzande zijn voor een belangrijk deel het gevolg van een beleid dat er sinds jaar en dag op gericht is de belangen van de zeshonderd tuinders te beschermen. Dat betekent dat zo weinig mogelijk kostbare tuinbouwgrond opgeofferd wordt aan woningbouw. Wie zonder economische binding toestemming wil krijgen in 's Gravenzande te wonen moet een huis van ten minste drie ton kopen. De helft van de woningen is particulier bezit. De beperkte bouw van goedkope woningen heeft geleid tot weinig uitkeringsgerechtigden, die de gemeente geld kosten. De werkloosheid is 1,6 procent. De gemeente is zeer karig met het kwijtschelden van gemeentelijke belastingen. De invordering van schulden is onverbiddelijk. Jarenlang zag een free-lance deurwaarder volgens Vijverberg kans om iedere cent binnen te brengen en sinds kort wordt dit beleid voortgezet met deurwaarders van Den Haag. Wie zijn huur niet betaalt, wordt al snel uit zijn gemeentewoning gezet. “Hij krijgt dan via sociale zaken de zieligste woning die er is. Ja, wij voeren een hard beleid. Dat werkt preventief”, zegt Vijverberg tevreden.

Hij heeft maar één angst en dat is dat 's Gravenzande zal opgaan in een groter verband waarbij de gemeentelijke reserves (algemene dienst 22 miljoen, woningbedrijf 33 miljoen en grondbedrijf 14 miljoen) in het niets zullen verdwijnen. Mocht dat gebeuren, dan is Vijverberg bereid om al zijn strenge financiële principes te vergeten. “Als we ruiken dat er zoiets aankomt, dan maken we ons geld op tijd op ten behoeve van 's Gravenzande. Dan laten we al onze reserves verdwijnen.”