"Cellentekort door gebrekkig overleg'; Onderzoeker bepleit grotere autonomie voor gevangenissen

ROTTERDAM, 2 JUNI. “Een dichtgeslibde duivetil.” Dit beeld schetst drs. V.J.J.M. Bekkers van het Nederlandse gevangeniswezen. Bekkers, docent aan de Universiteit van Brabant in Tilburg, nam deel aan het door de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde P.H.A. Frissen geleide onderzoek uit 1992 naar de verzelfstandiging van het gevangeniswezen. Het rapport dat werd geschreven op verzoek van secretaris-generaal van het ministerie van justitie, G.J. van Dinter, is nooit openbaar gemaakt, zo meldde deze krant gisteren.

Bekkers: “We hebben in 1992 onder meer bekeken of het gevangeniswezen kan wordt verzelfstandigd. De twee belangrijkse opties waren: intern of extern verzelfstandigen. Bij de externe verzelfstandiging zou het gevangeniswezen helemaal op afstand van de minister komen. Ongeveer zoals dat in Engeland gebeurt. Dit is nooit echt overwogen. Een andere mogelijkheid van externe verzelfstandiging was het gevangeniswezen de status te geven van een zelfstandig bestuursorgaan, zoals bij voorbeeld de Rijksdienst voor het wegverkeer of de Centrale Raad voor de Arbeidsvoorziening functioneert. De leiding van een gevangenis krijgt dan een grotere vrijheid om het beleid binnnen het gevangeniswezen te ontwikkelen. De minister blijft slechts op hoofdlijnen verantwoordelijk.

“Bij de interne verzelfstandiging van het gevangeniswezen zou het gevangeniswezen bij voorbeeld meer vrijheid krijgen in het beheer van allerlei budgetten. Nu krijgen de gevangenissen talloze missieven van het ministerie over van alles en nog wat. Je zou kunnen streven naar zoveel vrijheid dat je zelfs van een "agentschap' zou kunnen spreken. Die laatste mogelijkheid wordt momenteel verder onderzocht op Justitie. Binnen zo'n agentschap zouden de directeuren van de gevangenissen meer vrijheid krijgen voor het op eigen wijze "oormerken' van de cellen.

"Oormerken' van cellen?

“Het beleid in het gevangeniswezen is erop gebaseerd dat er enerzijds onderscheid wordt gemaakt in de zwaarte van delicten en dus de zwaarte van de delinquent en anderszijds in de celruimte. Cellen worden op grond van die differentiatie "geoormerkt'. Het streven is daders van zware delicten niet naast daders van geringere vergrijpen te plaatsen. Zeg maar: iedere gevangen moet in het juiste hokje terechtkomen.”

Stel dat je in Amsterdam opeens een tekort hebt aan cellen van type A. En het blijkt dat er op dat moment als zodanig "geoormerkte' cellen in Leeuwarden vrij zijn. Waar hangt het dan van af of Amsterdam mensen naar Leeuwarden stuurt?

“Voornamelijk van persoonlijke contacten. Tussen het openbaar ministerie en het gevangeniswezen wordt slecht gecommuniceerd. Dat is historisch zo gegroeid en heeft te maken met verschillen in cultuur tussen openbaar ministerie en gevangeniswezen. Ze nemen ieder ieder plaats in binnen de strafrechtelijke keten. Zelf ziet men niet altijd meer hoe zij van elkaar afhankelijk zijn.

“Dat de communicatie tussen de verschillende arrondissementen en zelfs daarbinnen stroef verloopt, komt trouwens niet alleen door de verschillen in cultuur tussen het openbaar ministerie en het gevangeniswezen, maar ook omdat het onduidelijk is welke cellen in het land leegstaan.”

Is er geen centrale computer die registreert welke cel van welk oormerk leeg staat?

“Ja, maar die werkt niet. Er wordt nu met twee systemen gewerkt: een MITRA-systeem en de opvolger daarvan, het TULP-systeem. Het MITRA-systeem waarmee begonnen is bleek niet optimaal te functioneren. Juist door de differentiatie binnen en tussen de verschillende inrichtingen. Want ook inrichtingen zijn geoormerkt in inrichtingen voor zware of minder zware delinquenten. Nu is men met het TULP-systeem bezig. Ook daarvoor geldt dat het net als het MITRA-systeem moeizaam van de grond komt. Ook weer omdat er bij de ontwikkeling van dit systeem verschillende organisaties zijn betrokken met ieder hun eigen belangen. Allemaal willen ze die belangen in dat systeem behartigd zien.”

    • Hans Moll