Advies aan Tweede Kamer: Beter beleid van overheid door kleiner kabinet

DEN HAAG, 2 JUNI. Een kleinere ministerraad van vijf tot zeven ministers zou kunnen leiden tot een betere coördinatie van het overheidsbeleid. Het kleinere kabinet moet echter worden bijgestaan door een groter aantal staatssecretarissen.

Dit stelt de commissie-Scheltema in het rapport "Steekhoudend Ministerschap' dat gisteren aan Kamervoorzitter Deetman is aangeboden. De commissie is een van de externe studiecommissies die in opdracht van de Tweede Kamer vraagpunten over staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing onderzoeken. In het rapport Steekhoudend Ministerschap staat de ministeriële verantwoordelijkheid centraal.

De commissie-Scheltema verkiest de optie van een kleinere ministerraad boven die van een kernkabinet binnen de totale ministersploeg. Een kernkabinet kent weliswaar eveneens voordelen, omdat een kleine groep gemakkelijker beslissingen kan nemen, maar leidt in de praktijk tot het probleem dat het parlement vaak niet weet wie het voor welk beleidsterrein ter verantwoording moet roepen.

Ook het toekennen van meer bevoegdheden aan de coördinerend minister vindt de commissie geen geschikt middel om de coördinatieproblemen bij de overheid te verminderen. Versterking van de positie van de coördinerend minister door invoering van een onderraad of een commissie leidt tot het ontstaan van te veel onderraden.

Een keuze voor een kleiner aantal ministers dan de huidige veertien, betekent formeel een grootschalige samenvoeging van de huidige departementen. De commissie-Scheltema wijst erop dat in haar optie bestaande departementen en departementsonderdelen intact blijven in de vorm van rijksdiensten binnen het vergrootte ministerie onder leiding van een staatssecretaris.

De commissie onderkent ook de nadelen die schuilen in een kleiner kabinet. Bij tegengestelde belangen over bepaalde kwesties bestaat het gevaar dat coördinatiekwesties lager in de hiërarchie worden opgelost en voor de ministerraad uit het zicht verdwijnen. Bovendien wordt “een wissel getrokken” op de niet in alle opzichten even duidelijke verhouding tussen minister en staatssecretaris, aldus de commissie.

Anders dan de commissie-De Koning, die in april een rapport presenteerde over de positie van de minister-president, voelt de commissie-Scheltema wel iets voor het instellen van een aanwijzingsbevoegdheid voor de premier tegenover collega-ministers.