Werkloosheid hoofdthema op jaarvergadering van Oeso

PARIJS, 1 JUNI. De snel oplopende werkloosheid in Europa vormt het belangrijkste thema dat ministers van financiën, economische zaken en handel van de OESO-landen (24 rijke industrielanden) deze week in Parijs op hun jaarlijkse vergadering bespreken.

Het ontbreekt de westerse regeringen aan nieuwe ideeën voor de aanpak van de stijgende werkloosheid, ondanks de vele energie die ze daar de laatste tijd in hebben gestoken. Een speciaal OESO-document bevat ambitieuze, maar welbekende aanbevelingen omtrent de noodzaak van coördinatie van het macro-economnische beleid, flexibilisering van arbeidsmarkten en versterking van onderwijs en opleidingen. Het rapport bevat de voorlopige conclusies van uitgebreide studie waartoe de ministers opdracht hadden gegeven.

Het rapport laat zien dat de groei van de werkgelegenheid in Europa sinds het begin van de jaren zeventig, in tegenstelling tot die in de Verenigde Staten en Japan, voornamelijk in de niet-commerciële, publieke sector, plaatsheeft. Aan het eind van de jaren tachtig werkte in alle OESO-landen gemiddeld één op de vijf mensen in de industrie. In 1960 was dat er nog één op de vier.

De structurele werkloosheid in Europa wordt bepaald door enerzijds de verplaatsing van tradtionele produktie naar lage lonen-landen, en anderzijds de gelijktijdige opkomst van dienstverlenende bedrijven die zijn gebaseerd op geavanceerde technologiën en informatica. Volgens het rapport moet de samenleving er rekening mee houden dat deze technologische omwenteling nog maar in het beginstadium verkeert.

“Langzamerhand stapelen de aanwijzingen zich op dat omvangrijke technologische veranderingen, zelfs in de meest flexibele economieën, dikwijls radicaal nieuwe visies en handelingen vergen, alsmede fundamentele wijzigingen in ontwerpproces, produktieproces en arbeidsorganisatie”, aldus het Oeso-rapport.

De studie bepleit een twee sporenbeleid ter versterking van de concurrentiekracht en de handelposities, dat aan de ene kant mikt op het scheppen van nieuwe produkten, nieuwe banen en hoge lonen, en aan de andere gericht is op ondersteuning van alle werknemers bij hun aanpassing aan de ingrijpende veranderingen. “De afgelopen jaren waren de vorderingen in geen van beide opzichten bevredigend”, aldus het rapport.

In het bijzonder wordt erop gewezen dat het heeft ontbroken aan “investeringen in aanpassingsvermogen” waarmee de toeneming van het aantal langdurig werklozen (meer dan de helft van de Europese werklozen zit meer dan een jaar zonder werk) had kunnen worden voorkomen. Over het algemeen kampt Europa niet, zoals de VS, met een leger slecht betaalde werknemers in de dienstverlenende sector doordat er minimumlonen zijn vastgelegd in wetten of CAO's. Maar het gevolg is dat ongeschoolde werknemers weliswaar niet zonder geld zitten, maar wel zonder werk.

De aanbevelingen zouden neerkomen op meer flexibiliteit in beloning om nieuwkomers op de arbeidsmarkt en langdurig werklozen aan een baan te helpen, zulks in combinatie met scholing en training om te bereiken dat ze niet in banen met lage lonen blijven hangen. Bovendien zou de zogenoemde wig (het verschil tussen de bruto loonkosten en het netto loon) moeten worden verkleind om te voorkomen dat extra werk tot nauwelijks of geen extra inkomen leidt door de stijging van belastingen en sociale premies.

Het rapport gaat ook in op de in verschillende Europese landen actuele discussie over de vraag of CAO's het scheppen van nieuwe banen belemmeren. Op lange termijn zijn de aanwijzingen niet eenduidig, aldus de rapporteurs, maar op korte termijn staat volgens hen wel vast dat sociale overdrachtsuitgaven, die in de OESO-landen gemiddeld een kwart van de collectieve lasten beslaan, de werkloosheid verlagen. (Reuter)