Toekomst inkomstenbelasting

De naam van Oort zal onverbrekelijk verbonden blijven met de meest succesvolle na-oorlogse hervorming van heffingen die de Nederlanders over hun inkomen betalen. Het rapport van de commissie-Oort, Zicht op eenvoud, gepubliceerd in 1986, vormde de basis voor een grote belastingherziening die ingaande 1990 haar beslag kreeg. Kort gezegd hield de operatie het volgende in: het inkomen waarover we inkomstenbelasting en premies voor de vier volksverzekeringen betalen werd geüniformeerd en steeg in één klap van 150 tot 250 miljard gulden. Deze uitbreiding van de heffingsgrondslag was mogelijk door verlaging van de belastingvrije sommen (het bedrag aan de voet van het inkomen waarover geen belasting is verschuldigd) en door het schrappen van de aftrekbaarheid van de premies voor de volksverzekeringen AAW, AOW, AWBZ, AWW. De bredere heffingsgrondslag maakte het mogelijk een zelfde belasting- en premieopbrengst te vergaren bij toepassing van veel lagere tariefpercentages. Het gezamenlijke tarief van belasting en premies werd verregaand gestroomlijnd en kent nog maar drie "schijven'. Dat zijn stroken van het inkomen die worden belast tegen een oplopend percentage. Het toptarief daalde van 72 tot 60 procent. Het basistarief, waarmee veruit de meeste Nederlanders te maken hebben, bedroeg aanvankelijk 35,1 procent, maar liep de afgelopen jaren op tot 38,4 procent.

In de ban van ideologie en aan de leiband van sociale partners wierp het parlement enkele smetten op de operatie-Oort. Te noemen zijn de beperking van de kostenaftrek en de invoering van de onbegrijpelijke "overhevelingstoeslag' die werknemers compenseert voor het feit dat zij vanaf 1990 premies voor alle volksverzekeringen betalen.

Ruim een week geleden gaf Oort in deze krant nog eens zijn visie op de toekomst van de inkomstenbelasting: iedereen zal over een beperkt aantal jaren een belasting- en premietarief van vijftig procent betalen. De vloer van het tariefgebouw komt omhoog, en het toptarief van zestig procent kan omlaag: dat bijt niet echt. Vele bemiddelde contribuabelen maken namelijk gebruik van aftrekposten en vrijstellingen, waardoor hun effectieve druk (veel) lager is dan het toptarief suggereert. Bovendien zouden hoge inkomens de belasting afwentelen door aanvullende salariseisen.

Deze argumenten overtuigen niet. Een volgende belastinghervorming kan zich richten op beperking van aftrekposten en vrijstellingen. Dat past in het Europese beeld. Zo gaat de effectieve druk in de richting van de wettelijke tariefpercentages. Bovendien zijn - anders dan Oort stelt - lang niet alle veelverdieners in staat de belasting af te wentelen. Omgekeerd bleek dat de verlaging van het toptarief van 72 tot 60 procent niet is gevolgd door een golf van salarisverlagingen bij de top van overheid en bedrijfsleven.

Wij kunnen in Nederland de progressie van de inkomstenbelasting niet missen. Zij behoort tot de weinige heffingen die geschikt zijn om inkomens en vermogens te herverdelen. BTW en accijnzen drukken op iedereen gemiddeld even zwaar, en de premies voor de sociale verzekeringen treffen de lager betaalden in verhouding het zwaarst.

Maar krijgt de overgrote meerderheid van de bevolking niet vanzelf te maken met een zelfde tariefpercentage? Het tarief van de eerste schijf kruipt naar de vijftig procent, doordat de vergrijzing en het plan-Simons nopen tot steeds hogere premies voor AOW en AWBZ (alleen verschuldigd over inkomen in de eerste tariefschijf). Deze onmiskenbare ontwikkeling kan worden gekeerd, in ieder geval sterk worden afgeremd. Ten eerste door de rug te breken van het plan-Simons - uitbreiding van de AWBZ tot een bijna alles omvattende basisverzekering tegen ziektekosten. Daartoe zal bij de volgende kabinetsformatie vermoedelijk worden besloten. Ten tweede door bejaarden over hun aanvullend pensioen premie voor de AOW te laten betalen, een suggestie die ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onlangs opperde in het rapport Ouderen voor ouderen.

Zodoende kan het tariefpercentage van de eerste schijf beneden de veertig blijven. Door het mes te zetten in aftrekposten en vrijstellingen kan de effectieve druk voor hogere inkomensgroepen stijgen. Zo blijft de inkomstenbelasting een zekere herverdeling bewerkstelligen, zonder dat Nederland zich uit de Euromarkt prijst.

Bij zijn pleidooi voor een uniform tariefpercentage laat Oort buiten beschouwing dat werknemers over hun loon (tot 75.000 gulden) ook nog tussen 12 en 15 procent aan premies voor de loondervingsverzekeringen (WAO, WW en ZW) betalen. Onbedoeld gevolg van zijn plan: wie meer verdient dan 75.000 gulden houdt van een extra verdiende gulden straks twee kwartjes over, terwijl doorsnee werknemers en minimumloners minder dan vier dubbeltjes overhouden. Zo'n drukverdeling lijkt geen toekomst te hebben.

Oort verdient wel steun voor zijn opvatting dat het hoog tijd is voor een staakt-het-vuren aan het fiscale front. Ons fiscale gebouw dreigt door reparaties en vernieuwbouw van parlementaire beunhazen te verworden tot een architectonisch misbaksel dat op instorten staat. Grondige studie moet een weldoordachte blauwdruk opleveren voor een inkomstenbelasting met toekomst. Zo'n technisch verantwoorde blauwdruk kan een meer en minder op herverdeling gerichte variant bevatten. Daarna is het woord aan de politici.