Solingen

DUITSLAND IS BANG, Duitsland staat internationaal op een gruwelijke manier te kijk. Weer zijn daarvoor - dat lijdt nauwelijks twijfel - botte en domme jonge rechtsradicalen met een moordaanslag op een grote Turkse familie rechtstreeks verantwoordelijk. Vijf mensen, drie kinderen onder hen, stierven ellendig in een vuurzee in een woonwijk in Solingen, die op zichzelf model leek te staan voor de geslaagde integratie van 1,6 miljoen Turken in de Bondsrepubliek.

Dat helse vuur is alleen maar letterlijk uit, het brandt nu door in de Turkse gemeenschap en onder andere minderheden in het land dat intussen zo'n 6,5 miljoen buitenlandse inwoners heeft. Een vuur dat gevoed wordt door angst en achterdocht en dat overigens wordt aangeblazen door rattenvangers van links en rechts. Het decor stemt ook overigens somber. De zeer zware taak die de Duitse eenwording heeft meegebracht en de nu toch ingetreden economische recessie zijn samengenomen toch al een even plotselinge als dramatische democratische vuurproef. Dat de catastrofe van Solingen ook nog binnen één etmaal na de parlementaire bezegeling van het nieuwe Duitse asielrecht kwam, is een wrange bijkomstigheid.

Dat het naargeestig-slepende, door vele politieke kunstgrepen ontsierde asieldebat de beide afgelopen jaren ook van invloed is geweest op een klimaat waarin de afstand tussen burgers en bestuur kon groeien en een gewelddadig radicalisme een kapstok vond in vreemdelingenhaat, valt moeilijk te betwisten. Dat de Duitse politici, justitie en politie erover klagen dat de jonge rechtsradicalen juist zo moeilijk te vatten zijn omdat zij ideologisch eigenlijk zo weinig te zeggen hebben, bevestigt het verschijnsel als het ware.

HET PROBLEEM dat daaruit voortvloeit is dat nu uitgerekend een land met een historie als Duitsland, het land ook met de grootste aantrekkingskracht voor economische en politieke vluchtelingen, openlijk moet toegeven dat het niet echt in staat is minderheden altijd en overal adequaat te beschermen. Dat is weliswaar op zichzelf geen uitzonderlijk Duits probleem, maar het is toch uitzonderlijk wegens de Duitse geschiedenis. Het zou mooi zijn als de partij van bondskanselier Kohl in de ramp van Solingen nu, niet direct maar toch wel vrij snel, aanleiding zou zien om haar verzet tegen de zogenoemde dubbele nationaliteit van minderheden op te geven.

Want het zou, als het feitelijk onmogelijk is om minderheden extra bescherming te geven, de integratie en het zelfgevoel van vaak langdurig in Duitsland wonende buitenlanders dienen als zij tenminste in dit opzicht “gelijk” kwamen met hun buren. Die Turken in Solingen, en zij niet alleen, kunnen in veel gevallen niet meer terug naar hun land van herkomst, zomin als de Duitse economie hen kan missen. Een les van "Solingen' zou best mogen zijn dat de wetgever in Bonn daaraan althans formeel overeenkomstige conclusies verbindt.