Sihanouks pronkjuweel ruikt nieuwe glorie

SIHANOUKVILLE, 1 JUNI. Zwaar weer in het Olifantsgebergte. Grijze kolommen regenwolken aan weerszijden van de weg. Suikerpalmen wiegen als grote uitgebloeide paardeboemen in de wind. De chauffeur kent de weg op zijn duimpje. Behendig stuurt hij het voertuig door regen, langs kuilen en takken; remt af waar hij kraters van landmijnen weet, een krakkemikkige brug moet passeren of traag overstekende waterbuffels uit het struikgewas ziet komen.

De oude man in Phnom Penh wilde niet naar Sihanoukville rijden: te ver, te gevaarlijk. Zijn jonge collega lachte erom - dollartekens in zijn ogen, gouden voortanden, Ray Ban-zonnebril. Of hij bang is blijft een geheim, de jongeman spreekt geen enkel woord Engels, geen yes geen no, helemaal niks, zelfs naar zijn naam blijft het gissen. Goed en snel rijden kan hij wel en dat is in dit geval het belangrijkste. Hij weet hoe een patrouille van het regeringsleger (CPAF) moet worden "aangereden': even inhouden, vlakbij de hand opsteken en dan vol gas geven. Om de paar kilometer lopen groepjes militairen aan de kant van de weg, gewapend met kalashnikovs of raketwerpers, op zoek naar de vijand, de Rode Khmer. Die vertoont zich niet en de CPAF zelf is hier ook nog gedisciplineerd. Sinds het communistische bewind de teugels liet vieren, na 1989, raakte het leger in het ongerede; soldij werd soms maandenlang niet uitbetaald, zodat de militairen zichzelf "hielpen' aan extra inkomsten door wat corruptie hier en een overvalletje daar.

Het zien van CPAF-mannen is daarom ook niet per se een geruststellende gedachte. Cambodjanen weten wat het betekent als ze worden aangehouden: betalen, in baar geld of in natura. Buitenlanders mogen verder trekken; in deze tijden, met zoveel pottekijkers van de Verenigde Naties, mag het leger geen slechte naam krijgen.

Sihanoukville is een slaperig stadje, 230 kilometer ten zuidwesten van Phnom Penh, verbonden door Route Nationale 4. Het ligt met de rug naar de bergen en het gezicht naar zee. Officieel heet de plaats nog Kompong Som, maar door groeiende invloed van de teruggekeerde koninklijke familie Sihanouk, raakt de oude naam weer in zwang. Het Franse bataljon, dat hier is gelegerd in het kader van de vredesoperatie van de Verenigde Naties kan zijn geluk niet op: Frans is, na het Khmer, nog de voertaal.

In de jaren zestig maakte prins Norodom Sihanouk in zijn hoedanigheid van staatshoofd, van Sihanoukville een protserig pronkjuweel, zoals de monarch toen in het hele land, voor bedragen die het Cambodjaanse staatsbudget ver te boven gingen, prestigeobjecten liet realiseren. In het centrum van Phnom Penh staat het reusachtige zogenoemde Olympisch Stadion: een massieve bak naar Oosteuropees model, die na de bouw in 1964 slechts een paar keer is gebruikt en nu aan de betonrot en de daklozen is overgeleverd.

In Sihanoukville heet het paradepaardje Independence Hotel, een monstrueuze flat, geopend in 1968. Van het hotel, fraai gelegen op een rots aan de baai, zijn de meeste ruiten stuk. “Geen kamers”, zegt een vrouw die voor receptioniste speelt. Een paar families met kinderen logeren in de stoffige, smerige lobby. Aan de voet van het hotel ligt het Preah Motel, een bungalowpark dat in even deplorabele toestand verkeert. Samen vormen ze de stille herinneringen aan de dwaze verspillingspolitiek van Sihanouk.

Maar er gloren betere tijden voor de weggekwijnde badplaats. Op de bagagedrager van de VN-missie zijn nijvere buitenlandse zakenlieden mee Cambodja in gekomen. Het land is ideaal voor projectontwikkelaars, die van nul af kunnen beginnen. Sihanoukville zou een badplaats naar Thais model kunnen worden. Op grote reclameborden aan de rand van het stadje staan "kunstenaarsimpressies' van grootschalige vakantieparken.

Voorlopig zijn het alleen geestelijk verdwaalden en VN-militairen die naar Sihanoukville reizen. Ruth, een spichtige Engelse, verblijft al zes weken als enige toerist in het Preah Motel en ze vindt het enig. Een half dozijn afgewerkte bierblikjes staat voor haar op tafel. “Ik hoop dat het hier geen tweede Thailand wordt”, zegt ze, “toerisme is heel slecht voor de natuur”. Gelijk heeft ze wel, maar géén toerisme is slecht voor de economie en wat moet Cambodja dan?

Hout is een belangrijke, maar eindige bron van inkomsten. Op de tocht langs Route Nationale 4 door de Olifantsbergen is goed te zien hoe de houthakkers met woeste happen het tropisch regenwoud te lijf zijn gegaan. Vrachtwagen na vrachtwagen met ruwe boomstammen of reeds verwerkt hout - dat makkelijker te exporteren valt - rijdt richting kust of Thaise grens. In hun haast om zo snel mogelijk hout weg te slepen is menige gevelde boom gewoon blijven liggen om weg te rotten. Van enig beleid voor heraanplanting is geen sprake. De schaal waarop wordt gekapt doet vrezen dat Cambodja binnen vijf tot tien jaar zijn buurlanden Thailand en Laos achternagaat, die door hun rigoreuze houtkap nu houtimporterende landen zijn geworden.

Het zijn vaak de Thais naar wie de beschuldigende vinger wordt uitgestoken als het gaat om de aanslag op het Cambodjaanse regenwoud. Het is een feit dat in het Thais-Cambodjaanse grensgebied Thaise houtimporteurs goede zaken doen met de Rode Khmer. Maar elders, bij voorbeeld in het noordoostelijke drielandengebied met Vietnam en Laos heeft ook op grote schaal illegale houtkap plaats. Hier werkt het Cambodjaanse leger (CPAF) eendrachtig samen met Vietnamese en Laotioaanse militairen; de laatsten kappen de bomen, de eersten strijken een forse premie op.

Het zijn de Cambodjaanse overheid en de houthakkers zelf die uiteindelijke het kappen initiëren. In de provincie Kampot, waarin Sihanoukville ligt en de aangrenzende provincie Koh Kong voeren lokale houtheren zonder enig gezag van bovenaf hun eigen kapbeleid uit.

Voor het arme Sihanoukville blijft, als er geen toeristen komen en het hout op is, alleen nog de haven over als bron van inkomsten, voor de visserij en de overslag. De Cambodjaanse zuidkust is niet zo groot, Sihanoukville is de aangewezen plaats om als belangrijkste invoerhaven te fungeren, mocht de Cambodjaanse economie op gang komen.

Twee leden van de Nederlandse landmacht, die in Sihanoukville zijn gelegerd, hopen dat er al heel snel verbetering komt. Het koppel moet in deze uithoek het luchtvervoer met Phnom Penh verzorgen, maar er is niets te doen. Niemand gaat naar Sihanoukville, niemand gaat er vandaan. De twee mannen zitten avond aan avond op de galerij van hun kleine hotelletje, eten een zelfgebrouwen maaltijd, spelen Triviant in de tropennacht. Misschien wordt Sihanoukville de komende maanden, de grote uitvoerhaven voor het UNTAC-materiaal, denken ze, wensen ze, en zal er een einde komen aan hun duimendraaierij.