Naar buiten

Aan de grens met Portugal, een kilometer of vijftien onder Badajoz, ligt het landhuis El Cahoso. Het is een hoog wit gebouw met tegeltableaus, zowel op de gevel als van binnen, met paardenstallen, een eigen stuwmeer en een kapel waarin op bijzondere dagen de mis wordt opgedragen. Het land eromheen golft op en neer in zachte heuvels en dalen die dankzij de regen van de afgelopen weken bedekt zijn met een tapijt van gele, paarse en witte bloemen. Daar zijn we zaterdag naartoe gegaan.

Het kwam zo. De kring van kennissen op de tribune breidt zich niet alleen naar links en rechts, maar ook naar achteren en naar voren uit.

Aan mijn voeten zitten iedere avond Don Rufino en Doña Maribel, met twee van hun kinderen of schoonkinderen. Don Rufino doet “iets in hotels” (hij heeft er een stuk of honderd), maar is sinds kort ook stierenfokker. Hij hield dit weekeinde een tienta, waarvoor ik hartelijk was uitgenodigd, en omdat het in de arena toch paardenspul was konden we makkelijk gaan.

De tienta is het testen van jonge koeien, om uit te vinden of ze de eigenschappen hebben die hun mannelijke nakomelingen geschikt maken voor een gevecht. Het gebeurt in de kleine arena waarover iedere fokkerij beschikt en die in dit geval ruim vier kilometer van het hoofdgebouw middenin de weilanden was gelegen. Tribunes had het witgepleisterde bouwwerk niet, maar wel een terras en daarop zat een gespannen Don Rufino, die zijn pak had verruild voor een katoenen broek en een blokhemd en zich niet had geschoren. Hij eiste doodse stilte. Voor zich had hij een stapel papieren liggen met de nummers en de familiegeschiedenis van ieder dier.

De één na de ander werden de twee jaar oude koeien de ring binnengelaten en daar werd dezelfde procedure gevolgd als in een echte arena: het uitdagen met de capes, de aanval op het paard en daarna het duel met de rode lap. Alleen wordt het kalf natuurlijk niet gedood en mag iedere fase eindeloos lang duren om de fokker de gelegenheid te geven de karakteristieken precies te leren kennen.

Er waren twee jonge torero's gekomen om het oefenwerk te verrichten, El Molinero en El Tato. Ze hadden geen glinsterpakken aan, maar een hoge donkere broek en een wit hemd, het traditionele kostuum van Spaanse cowboys. Voor hen is de tienta een gelegenheid om hun vaardigheid op peil te houden en om de dieren van een bepaalde fokkerij te leren kennen. Mochten ze later sterren worden, dan is de fokker daar ook bij gebaat. Want de grote namen in de stierenvechterij kunnen kiezen tegen welke stieren ze in de ring willen treden en als ze vertrouwd zijn met een bepaald merk zullen ze daar altijd de voorkeur aan geven.

De eerste drie kalveren van de dag waren onder mismoedig hoofdschudden van Don Rufino afgevoerd. Ze gingen een aparte wei in, waar ze nog een tijd mogen grazen voor ze naar het slachthuis gaan. In twee andere weilanden stonden de tachtig koeien die bij eerdere tienta's zijn goedgekeurd. Gedurende twaalf tot veertien jaar mogen ze ieder jaar voor een kalf zorgen, waarvan de vader één van de twee aanwezige fokstieren is. Kunstmatige inseminatie is bij zulke wilde dieren nauwelijks mogelijk.

Het vierde kalf was geweldig, fel en onvermoeibaar, en toen iedereen daar na een half uur van was overtuigd werd het bij de staart gepakt en door vier man op de grond gedrukt om de horens af te zagen zodat het de komende jaren geen collega's zou beschadigen. Daarna ging de poort open en rende het naar buiten, het veld in, waar het afwachtend bleef staan. “Ze loopt niet weg, ze wil doorgaan,” zei Don Rufino stralend. El Molinero drukte me een cape in de hand en zei "nu jij' maar ik vond het natuurlijk weer te genant en bovendien was El Tato al naar buiten gehold om het spel voort te zetten.

Het was een plaatje, en dat beseften we allemaal terwijl we daar in de poort van de arena stonden en keken naar de twee donkere figuren in het gras, tussen de bloemen, met de rode doek, tegen de achtergrond van de olijfbomen en onder een strakblauwe hemel. Zo zie je het alleen maar in reclamefilms en op modefoto's. Schoonheid om te wantrouwen, want perfectie is alleen maar geschikt voor het overbrengen van een triviale boodschap. Ik kon tenminste niets beters bedenken dan "een koe die haar plicht doet verdient een heerlijk leven'. Bij het middageten was er wijn van de hotelketen en worst van eigen slacht.

    • H.M. van den Brink