Minister Dales kreeg haar heldenrol cadeau

Catharina Isabella (Ien) Dales lijkt sinds vorige week vrijdag de heldin van politiek Den Haag. De huidige minister van binnenlandse zaken haalde uit waar zoveel andere politici terugschrokken. Dales werd door de parlementaire enquêtecommissie die de uitvoering van sociale wetten onderzoekt, ondervraagd over de periode september 1981 tot mei 1982, toen zij staatssecretaris van sociale zaken was. In ferme bewoordingen hekelde ze de sociale partners, en de vakbeweging in het bijzonder. Het ging er natuurlijk in als koek. Maar is Dales' nieuwe heldenrol terecht?

Deze enquête, het was van meet af aan bekend, draait om het primaat van de politiek. Zo lang de sociale zekerheid in Nederland bestaat, vechten de sociale partners met de overheid om de zeggenschap. Sinds de pacificatie van 1952 voeren de bedrijfsverenigingen van werkgevers en vakbonden de wetten, opgesteld door de politiek, uit. Hoe dat precies gebeurde, daar had de overheid decennia lang nauwelijks kijk op, zo bevestigden hoge (deels voormalige) ambtenaren van het ministerie van sociale zaken op maandag 17 en woensdag 19 mei voor de enquêtecommissie.

De kritiek van Dales kwam de enquêtecommissie - of althans een meerderheid van die commissie - dus niet ongelegen. Maar wat zei Dales nu precies? Ze werd gevraagd over het overleg dat ze, vlak na haar aantreden, samen met minister Den Uyl had gevoerd met de toenmalige FNV-voorzitter Kok en de toenmalige FNV-bestuurder Bode. Werd toen gedreigd met maatschappelijke onrust? Dales: “Er is zeker geen duidelijk hoorbare dreiging geweest van: Ze gaan dit of ze gaan dat. Dat is zeker niet het geval geweest. Dat is ook niet gebruikelijk (...)”.

Even later herhaalt commissievoorzitter Buurmeijer (PvdA) een vraag van het commissielid Kamp (VVD): heeft Dales onderzocht hoe de sociale partners op de ziektewetvoorstellen zouden reageren? Dit keer barst Dales echter los: “Ik heb er altijd een hekel aan gehad, neen, ik ben altijd zeer wars geweest van corporatistische neigingen. Die vind ik eigenlijk een verschrikking. (...) Er waren immers veel signalen dat anderen - zij zullen het nooit zo gezegd hebben, maar dit meenden zij wel - de bevoegdheden van de minister en/of de staatsecretaris dachten te hebben. Ik heb enige malen meegemaakt dat er ook gewoon gedreigd werd, maar ik ben daar niet ontvankelijk voor en heb ook nimmer geprobeerd, een dealtje vooraf te sluiten.”

Dat zijn forse beschuldigingen, die vragen om details. Gelukkig vraagt Buurmeijer ernaar. Maar nu gebeurt er iets vreemds. Dales begint een verhaal over de tijd dat ze directeur was van de sociale dienst in Rotterdam. “Daar heb ik het, als adviserend ambtenaar van mijn wethouder, meegemaakt dat door de vakbeweging klip en klaar werd gezegd: wij weten anders wel raad met wethouders die er eigen ideeën op na houden; die blijven geen wethouder. Als dat geen dreiging is, weet ik het niet meer.”

Ongetwijfeld een onthutsend verhaal, maar weinig ter zake. De enquête gaat over de uitvoering van de WAO, de WW en de Ziektewet, en (Rotterdamse) wethouders hebben daar niets over te zeggen. Dat vindt het commissielid Kamp ook. Ze vraagt of die dreiging zich ook voordeed toen Dales staatssecretaris was. Het antwoord van Dales lijkt in eerste instantie bevestigend: “Ik werd staatssecretaris en toen gebeurde hetzelfde soort dingen. Ik weet ook nog dat er, niet op het moment waarop wij met de Ziektewet en de WAGW (Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers) bezig waren, maar op het moment dat ik met de pensioenen bezig was, alles aan gedaan is om mij te dreigen om daar op die manier van af te stappen.”

Opnieuw gaat het dus om een voorbeeld - de pensioenen - dat voor de enquête weinig relevant is. Toch laat de commissie Dales uitspreken. Desondanks blijven details opnieuw uit. Ze verwijst naar haar toenmalige directeur-generaal sociale zekerheid L. Lamers - op 17 mei door de commissie gehoord - die haar berichtte dat hij “bezoek” had gehad waarbij “een nieuwe dreiging” was “verzonnen”. Welke? Dales: “Ik weet niet meer welke, misschien heb ik het niet eens gehoord.” Tja, zo kom je niet ver. De commissie vraagt niet door.

Ook in een later stadium blijkt de houding van Dales jegens de sociale partners dubbelhartig. Sprekend over een discussienota over de uitvoering van de sociale zekerheid - een nota die dus de kern van deze enquête raakt - stelt ze dat ze overleg met de sociale partners “zéér juist” vond. Dales: “Er kan materiaal op tafel zijn gekomen van de zijde van de sociale partners, waaraan ik in menig opzicht ook zeer goede herinneringen heb. Er moet ook geen verkeerd beeld ontstaan naar aanleiding van de enkele voorbeelden die ik gaf en die ik - daar niet van - handhaaf.”

Even later haalt ze toch weer fors uit naar de sociale partners, die de uitvoering van de WAO en andere wetten besturen. Vóór ze staatssecretaris werd had ze zich geërgerd aan “het gedonder en het gevecht om de vragen: wie wordt de baas, wie blijft de baas en wie heeft welke hoeveelheden werk”. Als de sociale partners ten koste van de samenleving hun eigen werk “alleen maar belangrijker en groter wil(len) maken”, dan vond ze dat “onbegrijpelijk” en zelfs “tot aan de grens van het weerzinwekkende”. Niettemin, toen het er daadwerkelijk op aan kwam besloot Dales de uitvoeringsorganisatie ongemoeid te laten. Dales: “Ik zag de herrie die daarover was als schadelijk. (...) Ik zei: dat doen wij dus nu niet.”

Al met al rijst de vraag wat de aanklacht van Dales voor de enquêtecommissie nu eigenlijk waard is. De conclusie lijkt onontkoombaar: de sociale partners gedroegen zich volgens Dales als schurken, maar met betrekking tot de WAO, de WW en de Ziektewet kan ze geen voorbeelden geven. Sterker nog: ze bewaart aan het overleg over de uitvoering van die wetten “in menig opzicht zeer goede herinneringen” en toen puntje bij paaltje kwam liet ze op hun verzoek alles bij het oude. Hoe begrijpelijk dat voor iemand die slechts acht maanden staatssecretaris was ook moge zijn, hier is sprake van een zéér beperkte heldenrol.

In feite werd de politicus Dales door de enquêtecommissie met fluwelen handschoenen aangepakt. Vasthoudend doorvragen ontbrak, het bij wijze van spreken "eisen' van details en voorbeelden eveneens. Voor de andere politici - voormalig staatssecretaris De Graaf en de (voormalige) Kamerleden Linschoten, Weijers, Ter Veld en Nijhuis - gold hetzelfde. Waar eerder mensen uit de uitvoeringspraktijk, ambtenaren en "toezichthouders' uiterst kritisch werden bejegend - en terecht - kregen de politici vaak wel zeer algemene vragen (“had u oog voor de uitvoeringsproblemen?”) voorgeschoteld.

Morgen begint de enquêtecommissie met de tweede helft van de getuigenverhoren. Na 28 verhoren is de centrale vraag in feite nog niet gesteld. Het is de vraag waarop niet de getuigen maar de commissie zelf het antwoord moet geven.

Die vraag luidt: is de belangenverstrengeling die zo kenmerkend is voor de sociale zekerheid in Nederland, waarbij de uitvoeringsorganen onder de hoede van werkgevers- en werknemersorganisaties decennia lang nagenoeg autonoom opereerden, mede-oorzaak van het enorme beroep op de WAO, de WW en de Ziektewet? Als de overheid meer greep krijgt op de uitvoering, wordt de sociale rechtstaat dan strenger, met meer nadruk op rentegratie? Of is de wildgroei eerst en vooral te wijten aan de mazen in de wet?