Het oosten

Via Oldenzaal naar het oosten en dan bij Berlijn naar boven. Daar rijdt een Russische legerwagen. Daar ligt een doodgereden das. Daar golven Mecklenburgse landerijen. We zien de eerste ooievaars.

Bij Wittstock van de snelweg af. Naar de Müritz nu, het grootste meer van de verenigde Duitslanden. Er liggen een paar visvijvers aan de weg. Je zet de auto aan de kant en loopt een eindje door een korenveld met korenbloemen. Daar is een uitkijkpost. Tegen een achtergrond van weelderig loofbos en opkomend onweer verzamelen we in korte tijd zeker acht verschillende zeearenden, net zwevende galjoenen.

Op de beboste oevers van het meer zetten we onze tentjes op. Meteen daarna het flitsen van de bliksem. Opgesloten in het rollen van de donder, het woelen van de wind, het kletteren van de regen. Alsof dat hele eind voor niets gereden is.

Ik lees een boek van Fleur Bourgonje uit. De bedrieglijke warmte van vuur. Over een vrouw die niet gelukkig is.

De volgende morgen maken we van een droog moment gebruik om onze tentjes op te breken. In alle vroegte weer bij de visvijvers. In het midden een eilandje. Op dat eilandje twee houten bakens. Op die bakens vier zeearenden. Ze zitten op een rij, nauwkeurig uitgelijnd in een omgeving die verder nogal mistig is. Huzaren zijn het zo. De grootste arenden van heel dit werelddeel.