Frankrijk privatiseert, dus leve Frankrijk

De Franse premier Edouard Balladur hoopt in september een begin te kunnen maken met de privatisering van 21 Franse staatsondernemingen. Met de "verkoop van de familiejuwelen' - te beginnen met de bank Banc Nationale de Paris en waarschijnlijk de chemiereus Rhône-Poulenc - hoopt Balladur de staatskas de komende jaren jaarlijks met dertig tot veertig miljard francs te spekken. Gezien de belabberde economische situatie en het grote tekort (ruim 5 procent) bij de overheidsuitgaven is het douceurtje van de privatisering hoogst welkom.

De aangekondigde privatisering, een kernpunt in het verkiezingsprogramma van de twee conservatieve regeringspartijen RPR en UDF, heeft weinig politieke reacties uitgelokt. President Francois Mitterrand heeft bijna ritueel laten weten dat hij van mening blijft dat de in 1981 door links genationaliseerde ondernemingen "in het belang van het land' zijn en dat moeten blijven. De meeste vakbonden hebben zich terughoudend, maar niet afwijzend opgesteld, met uitzondering van de communistische CGT die vierkant tegen is.

In de wet inzake de privatisering die waarschijnlijk voor de zomer zal worden aangenomen, is voorzien dat de betrokken ondernemingen onder nationale controle blijven. Het is de bedoeling dat buitenlandse investeerders niet meer dan dertig procent van het kapitaal per onderneming zullen verwerven. Dat percentage zal overigens niet in de wet worden opgenomen omdat een dergelijke bepaling volgens de EG-regels verboden is. "Harde kernen' van Frans kapitaal zullen worden gevormd om het nationale karakter van de betrokken bedrijven veilig te stellen. Die taak zal worden toebedeeld aan een breed samengestelde commissie van experts die onafhankelijk zal kunnen opereren.

De grote vraag is of de privatisering het succes zal worden waarop de regering hoopt. De economische situatie is zo ernstig dat premier Balladur vorige week eveneens voor het komend najaar een grote staatslening (40 miljard francs) aankondigde. Op de Franse spaarders en beleggers wordt dus een groot beroep gedaan. Volgens een opinie-onderzoek is 4 procent van de Fransen "zeker gentereseerd' in de privatisering. Tien procent aarzelt nog. Dat is niet niks gezien het feit dat dezelfde spaarders volgens premier Balladur circa 1100 miljard in kortlopende monetaire beleggingen (met hoge rente-opbrengst) hebben gestoken.

Om het succes van de staatslening en van de privatisering te verzekeren, zullen de obligaties van de staatslening omgezet kunnen worden in aandelen van de te privatiseren staatsbedrijven. De regering hoopt hiermee twee vliegen in een klap te slaan. Beslissend voor het slagen van de operatie is echter welke fiscale voordelen deze beleggers zullen worden verleend. Minister van economie Edmond Alphandéry bepleitte voor zijn benoeming een defiscalisering van beleggingen op lange termijn. Maar deze oplossing wordt nu te duur geacht - de staat heeft alle inkomsten nodig die ze maar binnen kan halen. Balladur wordt geconfronteerd met een vicieuze cirkel: de privatisering moet een succes worden maar dat kan alleen door een verlichting van de belasting op inkomsten uit kapitaal die in Frankrijk al laag is in vergelijking tot de belastig op inkomsten uit werk.

Dit dilemma krijgt extra gewicht omdat buitenlandse investeerders zich in de handen wrijven over de aangekondigde pri vatisering. Investeerders en speciale banken in de Londense City maken zich op voor de Franse privatiseringsslag. “Duitsland, België en Nederland verkopen bijna niets en Engeland heeft al bijna alles verkocht. Dus leve Frankrijk”, citeert een Frans weekblad Rodney Lord, hoofdredacteur van het maandblad Privatisation International.