Festival a/d Werf: theater als reis naar onthechting

Festival aan de Werf, t/m 6/6 in Utrecht; info: 030-315355. Voorstellingen: How to get rid of it. Spel en concept: Frans Poelstra, Katie Duck, Tristan Honsinger. Gezien: 27/5 Voormalige Muziekschool, Lange Nieuwstraat 4. T/m 4/6 aldaar. Moeders en Zonen. Regie: Bert Geurkink. Spel: Remco Melles en Jobst Schnibbe. Gezien: 27/5 De Utrechtse School, Boorstraat 107. T/m 6/6 aldaar. Vlees van Franz Xaver Kroetz. Regie: Mechtild Prins. Spel: Dianne Krijnen en Hein Verhees. Gezien: Boekbinderij van Wijk, Oudwijkerdwarsstraat 106-108. T/m 6/6 aldaar. Tekst voor een bejaardentehuis. Idee en uitvoering: Robert Steyn. Gezien: 28/5 Huis aan de Vecht, Overvecht. T/m 4/6 aldaar.

Het presenteren van eigenzinnig en eigentijds talent, dat is volgens directeur Petra Blok de functie van het Festival aan de Werf, waar dit jaar vijftien regisseurs aan deelnemen. Op soms verrassende plekken laten zij hun werk zien, dat speciaal voor het festival werd gemaakt. Maar wat verstaan de organisatoren eigenlijk onder talent? Een rondgang langs vier locaties.

Met travestieën, scheldpartijen en lijken die in allerijl worden opgeruimd krijgt een theatermaker gegarandeerd de lachers op zijn hand. Zo zien we in How to get rid of it, vertoond in de kille aula van een voormalige muziekschool, een man die koket met zijn schortje wappert, een vrouw die in rap Italiaans staat te kijven en twee kerels die zenuwachtig aan de ledematen van een enorme opblaaspop rukken en trekken. Cellist Tristan Honsinger begeleidt deze koddige improvisaties, die gemimed, geacteerd, gedanst en gezongen worden. De voorstelling is een allegaartje en de spelers weten dat: "All that talent wasting!", roept de Amerikaanse bewegingskunstenares Katie Duck in de laatste scène handenwringend uit. In elk geval ontbreekt het dit gezelschap niet aan zelfspot.

De Utrechtse School ligt in Pijlsweerd, een langs het spoor gebouwde wijk met veel sexshops en slooprijpe panden. Er is enige fantasie voor nodig om je van deze troosteloze omgeving naar het elegante centrum van Barcelona te verplaatsen, de stad waar Moeders en zonen zich afspeelt. In dit duet voor twee heren, gebaseerd op een roman van de Spaanse schrijver Javier Tomeo, solliciteert een dertigjarige jongeman bij een bank naar een baantje als nachtwaker. Juan D. heeft nog nooit gewerkt, zo blijkt, omdat zijn moeder hem te jong vond. De personeelschef herkent een geestverwant in het ziekelijke moederszoontje. “Wij tweeën hebben geen verstand van vrouwen, alleen van onze moeders,” concludeert de man beduusd. Dat arbeid niet vrijmaakt, laat deze tussen hoge aktenkasten opgesloten functionaris duidelijk zien, maar hoe zit dat met de kunst? Dergelijke vragen inspireerden regisseur (en Trust-acteur) Bert Geurkink tot een intelligente en originele voorstelling, waarin vooral Jobst Schnibbe aardige acteerprestaties levert.

Ontdooiende vriesvakken en omgekiepte emmers water zorgen voor een vochtig klimaat in de loods die de beginnende Utrechtse regisseuse Mechtild Prins voor haar enscenering van Vlees uitkoos. Ze heten Martha en Otto, de personages in dit uit 1971 daterende stuk van Franz Xaver Kroetz, en ze copuleren met elkaar als beesten, zonder voorspel of verbale franje, zomaar tussen de plassen op de betonnen vloer. Martha is slager en trots op haar zelfstandigheid; haar vriend Otto, een gespierde staalvlechter, doet zijn uiterste best om haar eronder te houden. Volgens Otto heeft Martha ook seks met Rolfi, haar trouwe viervoeter, en daarom moet Rolfi dood. Met de politieke strekking van het stuk - de onderdrukte arbeider die zelf tot onderdrukker wordt - durft Prins ons gelukkig niet lastig te vallen. Wat overblijft in deze geslaagde regie is het verhaal van twee ontwapenend naëve mensen die hun behoefte aan liefde met stoerheid en clichés de kop indrukken.

Theatermaker Robert Steijn biedt de festivalganger een complete "reis naar onthechting' aan. Met een speciale festivalbus rijden we naar een bejaardentehuis in Overvecht, waar wij ons voor "de dood, dat wil zeggen de stilte' moeten openstellen. De regisseur leidt ons één voor één een grote zaal binnen en brengt ons ieder naar een eigen tafel. Glazig staren wij naar de tuin van het tehuis. Uit luidsprekers klinkt het geratel van een schrijfmachine en de slepende stem van Robert Steijn, die uitspraken van de bewoners protocolleert. “Ik heb met de dierenarts afgesproken dat mijn hond een spuitje krijgt als ik er niet meer ben,” noteert hij uit de mond van een bejaarde. Er zitten wel meer mooie zinnen bij, maar ze zijn slecht te verstaan omdat Steijn verschillende bandjes tegelijk afdraait. We luisteren ook nog naar een gedicht (“Zèn wij de vallende avond, dan zjn wij de vallende avond”), naar het tikken van wekkers en het slaan van pendules, naar kwinkelerende vogels en een live door bewoonsters gezongen larghetto. Dan mogen we gaan. Verwonderd over het ruimhartige toelatingsbeleid van de festivalorganisatie, die zelfs een pure godsdienstoefening tot de podiumkunsten rekent, blaas ik het waxinelichtje op mijn tafel uit.