Cosic door extremisten ingehaald

Toen de Servische president Milosevic in juni vorig jaar de nu 71-jarige Servische schrijver Dobrica Cosic binnenhaalde als staatshoofd van de nieuwe, nog slechts uit Servië en Montenegro bestaande Joegoslavische federatie, kreeg het Servische nationalisme op staatsniveau een respectabel gezicht - een gezicht waaraan het een jaar na het begin van de Derde Balkanoorlog dringend behoefte had. Cosic, zo werd geoordeeld, was weliswaar de peetvader van het Servische nationalisme, maar hij was ook een intellectueel en misschien was hij zelfs wel fatsoenlijk.

Cosic was de belangrijkste auteur van het Memorandum waarmee de Servische Academie van Wetenschappen in 1986 de knuppel in het deelrepublikeinse hoenderhok wierp. Met dat Memorandum - het eerste nationale programma van de Serviërs sinds Ilija Garasanins Nacertanije (Aantekening) van het midden van de vorige eeuw - werd een veertigjarig taboe doorbroken: hier verwoordde een hooggeachte organisatie opeens grieven, die nooit openlijk konden worden geuit, maar wel degelijk leefden: over de “totale oorlog” van de Albanezen in Kosovo tegen de Serviërs, de “genocide” zelfs jegens de Serviërs in die autonome provincie. Over de “discriminatie” van de Serviërs in die andere autonome provincie, Vojvodina, en in Kroatië. Over de “anti-Servische coalitie” van de Kroaten en Slovenen, die zo flagrant in tegenspraak was met de grote offers die Servië altijd voor het gemeenschappelijke Joegoslavië had gebracht, die 2,5 miljoen doden in twee Balkan- en twee Wereldoorlogen.

In diezelfde tijd daverden de theaters van Belgrado van het applaus voor het op zijn boek Tijd van sterven gebaseerde drama Slag aan de Drina, waarin Cosic vojevode Misic, de legendarische legerleider in de Eerste Wereldoorlog, laat uitroepen: “Alles is altijd tegen ons! Alleen door ons vermogen te lijden en onze wil te leven hebben we overleefd!”

Het afgelopen jaar heeft Cosic de reputatie, binnen het brede scala van Servische nationalisten nog relatief gematigd te zijn, waargemaakt. Slippertjes daargelaten, want het was teveel gevraagd van hem een gematigd of verzoenend woord over de Albanezen van Kosovo te verwachten. Ook collega's die naar zijn mening te ver gingen in hun kritiek op de Serviërs konden de wind van voren krijgen. In februari maakte hij de Tsjechische president Havel, naar aanleiding van diens pleidooi voor een militair ingrijpen in Bosnië, uit voor “een militante kosmopoliet” en “een machtshongerige oorlogvoerder”. Bernard Kouchner en Bernard-Henri Lévy waren “gedachteloze propagandisten” die “het meest verwerpelijke van de Franse en Europese geest vertegenwoordigen”. Rapporten over Servisch wangedrag waren “het resultaat van desinformatie en leugens, bedoeld om de Serviërs de rol van de duivel op te dringen”, opgesteld door een Amerikaans reclamebureau, dat voor het “verzinnen van excessen” 17 miljoen dollar per jaar zou krijgen.

Hoe nationalistisch ook, en in veel opzichten ook extreem, in dat opzicht heeft de schrijver het uiteindelijk moeten afleggen tegen nog extremer elementen in de Servische politiek, zoals Vojislav Seselj, die hem vorig jaar al zijn steun aan "vredesduif' Milan Panic kwalijk namen en die hem zijn steun voor het plan Vance-Owen niet hebben vergeven.

De steen des aanstoots voor Seselj was het geheime overleg tussen Cosic en de Kroaten over een gebiedsruil, waarbij de Bosnische Kroaten veroverd gebied in Bosnië zouden moeten afstaan in ruil voor het herstel van de Kroatische soevereiniteit in de door de Serviërs gedomineerde gebieden in Kroatië - een eerste stap op weg naar de opdeling van Bosnië en de definitieve beëindiging van de Kroatische oorlog. Daarnaast speelden Cosic' banden met het leger een rol: achter de schermen van het federale leger vindt een machtsstrijd plaats tussen "gematigde' officieren onder leiding van stafchef Zivota Panic en extremisten, die eisen dat het Joegoslavische leger de Bosnische Serviërs actief te hulp komt. In die machtsstrijd had Cosic tegen de extremisten gekozen. Dat hij daarbij op een geheime bijeenkomst met de legerleiding heeft geklaagd over de “passiviteit” van het leger, werd hem vannacht fataal, want dat was volgens Seselj een oproep tot een staatsgreep en een schending van de grondwet - ook al was Cosic als staatshoofd opperbevelhebber van het leger.