"Cellentekort' betrekkelijk begrip

Op 19 januari van het vorig jaar vernielden voetbalsupporters een trein die op weg was naar Groningen. Bij aankomst werden de vandalen niet ingerekend. Het zou te moeilijk zijn om de bewijsvoering rond te krijgen, luidde de officiële verklaring van het openbaar ministerie. Achteraf werd duidelijk dat de verklaring ook lag in het niet beschikbaar zijn van celruimte voor eventuele gearresteerde vandalen.

Dit voorval en de heenzending, dit weekend, van een 19-jarige jongen die was gedetineerd op verdenking van doodslag, zijn slechts enkele van een hele reeks gebeurtenissen die de aandacht hebben gevestigd op het probleem van het cellentekort. Het zogeheten probleem van het cellentekort liever gezegd. Want de stelling dat Nederland kampt met een tekort aan gevangenisruimte wordt steeds meer voor nuancering vatbaar. Arrondissementen die liever het eigen stoepje schoon houden dan hun celruimte open te stellen voor andere regio's die in "celnood' verkeren, justitiële diensten die hun eigen belang nastreven bij de tenuitvoerlegging van straffen, ze wijzen allemaal in de eerste plaats op een tekort aan samenwerking.

Het rapport dat bijna een jaar geleden op verzoek van secretaris-generaal Van Dinter (Justitie) werd geschreven door de Tilburgse bestuurskundige prof. P.H.A. Frissen over het gevangeniswezen gaat niet in op het Groningse voorbeeld. Het behandelt alleen de verhouding tussen de diverse justitiële diensten zoals politie, rechters en openbaar ministerie en kwam tot stand na een vijfentwintigtal gesprekken met sleutelfiguren uit het gevangeniswezen. De conclusies zijn er niet minder onthutsend om.

Door “rivaliserende belangen” tussen de diverse diensten is er sprake van een “hectisch en instabiel” verdelingsproces, aldus het rapport. Tussen het departement en het gevangeniswezen gaat weliswaar veel informatie heen en weer, maar veel van die informatie is ondoorzichtig en irrelevant. “Stuurinformatie werd steeds meer "tuurinformatie”' aldus het rapport. De organisatorische problemen hebben zich onder meer geuit in een discussie over het cellentekort. “In wezen bestuurlijke problemen worden immers altijd - na enig wachten - vanzelf wel "capaciteitsproblemen' die in aantallen vierkante meters kunnen worden uitgedrukt.”

Het oordeel van Frissen en de andere vier auteurs over pogingen van het ministerie om de problemen die door het gebrek aan coördinatie ontstaan, de baas te blijven, is evenzeer negatief. Ze schrijven in het, voor organisatieadviseurs onvermijdelijke jargon: “De sturingsconceptie binnen het gevangeniswezen is er een waarbij de centrale actor zeer gedetailleerd en op voorhand het functioneren van het gevangeniswezen reguleert. (.) Vanuit een oogpunt van sturing is dat kostbaar en uiteindelijk contra-productief vanuit een oogpunt van flexibiliteit.”

Een recent voorval verduidelijkt deze stelling. Dit voorjaar besloot de gemeente Amsterdam om door middel van snelrechtprocedures tijdens de Paasdagen iedereen die het voorzien had op de autoradio's van de toestromende toeristen zo snel mogelijk achter de tralies te krijgen. Om dit plan te laten slagen was voldoende celruimte noodzakelijk. De hoogste ambtenaar van justitie secretaris-generaal Van Dinter, vorderde daarom celruimte bij het arrondissement Rotterdam. Daardoor baadde Amsterdam uiteindelijk in een groot aanbod van celruimte, dat achteraf niet helemaal nodig bleek. Ondertussen had Rotterdam, door cellengebrek, criminelen voor kleinere vergrijpen naar huis moeten sturen. De interventie door de hoogste beleidsadviseur van de minister in de uitvoering had contra-produktief gewerkt.

Om dit soort voorvallen te voorkomen adviseerde Frissen c.s. vorig jaar om het gevangeniswezen te verzelfstandigen. Door er een publieke dienst van te maken die zoveel mogelijk haar eigen boontjes dopt, maar wel verantwoording moet afleggen aan de minister van justitie, zouden flexibiliteit en professionaliteit kunnen worden vergroot. Het gevangeniswezen zou de zelfstandigheid krijgen die andere delen van de "strafrechtelijke keten' zoals het openbaar ministerie en de rechterlijke macht al langer hebben.

Secretaris-generaal Van Dinter vond deze aanbeveling te ver gaan. De minister zou te weinig aanspreekbaar zijn voor fouten in het politiek en publiciteitsgevoelige gevangeniswezen. Staatsrechtelijk geformuleerd: de ministeriële verantwoordelijkheid zou door externe verzelfstandiging van het gevangeniswezen te veel worden aangetast.

Een minder vergaande verzelfstandiging van het gevangeniswezen, in de vorm van een agentschap, is inmiddels in werking gezet, aldus een woordvoerder van het departement. Hij benadrukt dat de politieke leiding zelf die stap tot verzelfstandiging heeft gezet. In hoeverre de minister en zijn staatssecretaris van het rapport van Frissen kennis hebben genomen blijft echter onduidelijk.

    • Kees Versteegh