Trotski's moordenaar in Rotterdam; De ontploffing op de Coolsingel na 55 jaar ontraadseld

Morgen is het vijfenvijftig jaar geleden dat Rotterdam werd opgeschrikt door misschien wel de meest geruchtmakende politieke moord in Nederland in deze eeuw. Op 23 mei 1938 werd de Oekraënse emigrantenleider Jevhen Konovalets op de Coolsingel door een zware bom uiteengereten. De val van het communisme heeft ook deze zaak opgelost. De moordenaar, waarschijnlijk ook de man achter de moord op Trotski, woont in Moskou.

Op maandag 23 mei 1938 liep even na het middaguur de 41-jarige chauffeur Harm de Jonge te wandelen over de Coolsingel in Rotterdam. Bij het oversteken van de Aert van Nesstraat werd zijn aandacht getrokken door een heer met een snorretje en een grijze gleufhoed die opvallend gehaast van de kant van hotel Atlanta kwam. Volgens een later door De Jonge afgelegde getuigenverklaring droeg de man in zijn linkerhand een in geelbruin papier gewikkeld pakje. Hij liep snel en had zich ter hoogte van de bioscoop Lumière al een flink stuk van de ander verwijderd. Op dat moment, om veertien over twaalf, zag De Jonge een blauwe vlam uit het pakje slaan: ""Ik zag het lichaam van den man met het pakje naar rechts vliegen, de rijstraat op, waar het vlak bij de papierbak, die op de rand van het trottoir staat, terechtkwam. Een deel van een zijner beenen kwam vlak voor mijn voeten terecht. Ik raapte het behoedzaam op en legde het bij het lijk. Zijn bloed besmeurde mijn schoenen.''

De explosie moet een enorme kracht hebben gehad. De buik en vrijwel het gehele linkerdijbeen van het slachtoffer waren weggeslagen en op het midden van de rijweg, vele meters van de plaats van de ontploffing, lag een hoopje ingewanden. Gelukkig was het op het moment van de explosie niet erg druk op dat deel van de straat. Twee ernstig gewonden werden naar het Coolsingel-ziekenhuis overgebracht. Het horloge van het slachtoffer was door de ontploffing de hals van één van hen binnengedrongen en moest operatief worden verwijderd. Van de bioscoop Lumière was de reclameverlichting vernield, van café Sandeman het tochtscherm van het terras en de markies. Ook de etalageruiten van de tapijtenwinkel Con en Verdonck en van de firma Klütgen waren gesneuveld, net als de ruiten van verschillende omliggende panden.

Onderzoek

Op het lijk trof de politie papieren aan op naam van Josef Novak uit Berlijn. Bij het onderzoek bleek dat de man dezelfde ochtend om kwart over tien per trein uit Berlijn was gearriveerd, een taxi had genomen naar hotel Central aan de Kruiskade en om half twaalf het hotel weer had verlaten om naar hotel Atlanta aan de Coolsingel te wandelen. Daar had hij in de bar in gebroken Duits een glas sherry besteld. Een minuut of tien later was een tweede man binnengekomen die regelrecht op Novak was toegelopen en hem het pakje had overhandigd. Hij had een glas bier leeggedronken en was binnen vijf minuten weer vertrokken. Even later was ook Novak opgestapt. Zo bleef de bar van Atlanta voor een ontploffing gespaard.

am wist de Rotterdamse politie iets meer licht in de zaak te scheppen. Novak bleek in werkelijkheid Jevhen Konovalets te heten, de 46-jarige leider van de Organisatie van Oekraënse Nationalisten (OOeN). Deze organisatie streed voor een onafhankelijke Oekraënse staat, waarvan het gebied op dat moment was verdeeld over de Sovjet-Unie, Polen, Tsjechoslowakije en Roemenië. Zij deed dat door middel van propaganda, maar ook sabotage en terreur. Vooral de contacten met de Oekraëners in de hermetisch van de buitenwereld afgesloten Sovjet-Unie verliepen uiterst moeizaam. De man die Konovalets in hotel Atlanta het pakje had overhandigd noemde zich Valjoech en had zich, zo bleek uit het onderzoek van de Rotterdamse politie, uitgegeven voor een verbindingsman van de Oekraënse ondergrondse in de Sovjet-Unie. Al direct rees de verdenking dat hij in werkelijkheid een agent was van de toenmalige Russische geheime dienst, de NKVD. Dat was een organisatie die niet op een dode meer of minder keek en in vredestijd tot ver na Stalins dood ook buiten de Sovjet-Unie een spoor van moordaanslagen en ontvoeringen heeft getrokken.

Wie was deze Valjoech en hoe had hij het vertrouwen van Konovalets weten te winnen? Het was Konovalets immers goed bekend dat de NKVD de vijanden van de USSR tot ver buiten de grenzen wist te vinden en vaak dodelijk te treffen. Tot 1936 woonde Konovalets in Genève, waar de NKVD al een aanslag op hem zou hebben beraamd. Zijn gangen werden voortdurend nagegaan door twee Zwitserse vrouwen, die in contact stonden met Roland Abbiate. Het was deze Abbiate die samen met een andere NKVD-agent in opdracht van Moskou de overgelopen NKVD-officier Ignace Reiss in september 1937 om het leven zou brengen. Reiss werd in Lausanne een auto ingesleurd en van korte afstand met een mitrailleursalvo vermoord. Konovalets was toen al door de Zwitserse politie uitgewezen en had zich in 1936 in Rome gevestigd.

Valjoech had al vóór mei 1938 contact gehad met Konovalets. Bij het onderzoek naar de moord kreeg de Rotterdamse politie een bericht uit Harstad, nabij Narvik in Noorwegen, dat daar in de nacht van 30 op 31 januari 1938 het Russische vrachtschip Sjilka uit Moermansk was gearriveerd. Aan boord bevond zich iemand die duidelijk geen zeeman was, volgens getuigen een persoon met een beschaafd voorkomen, ongeveer midden dertig, circa 1.73 m lang, goed gekleed, donker, met zware, enigszins samengegroeide wenkbrauwen. Die man had vanuit Harstad twaalf minuten met Rome getelefoneerd en daar, zo kon later worden vastgesteld, Konovalets aan de lijn gehad. De Sjilka was vervolgens doorgevaren naar Rotterdam. Ook Konovalets was omstreeks die tijd daarheen gereisd. Bij zijn terugkeer in Rome vertelde hij aan zijn vrouw dat hij een verbindingsman uit de Sovjet-Oekrane had ontmoet die hem sigaretten, bonbons en een liederenboek had gegeven. Zijn vrouw was wantrouwig, maar hij wuifde haar bezwaren weg. Toen Konovalets in mei weer op reis ging zei hij tegen zijn vrouw dat hij zijn verbindingsman van februari opnieuw in Rotterdam zou ontmoeten.

De verblijfplaats van Valjoech tussen februari en mei 1938 is niet bekend. Bij de Rotterdamse politie bestond het vermoeden dat hij twee dagen voor de ontploffing van 23 mei met het Russische vrachtschip Menzjinski in Rotterdam was gearriveerd en de dag erna met hetzelfde schip weer richting Leningrad was vertrokken. De controle van passagiers op vrachtschepen was blijkbaar gebrekkig. Op 21 en 22 mei had hij bij de Rijkstelefoondienst in Rotterdam enkele internationale telefoongesprekken gevoerd. Het signalement van deze zich "Welmud' noemende persoon kwam overeen met dat van Valjoech: ""Een rijzige gestalte, breed gebouwd, ongeveer 32 jaar oud, met donkerbruin haar, zeer elegant gekleed, weet zich volkomen als heer te gedragen.''

Ophitsingscampagne

Daar hield het spoor van de dader op. Ook een ingeschakelde helderziende kon de Rotterdamse politie niet verder helpen. Er viel niet te bewijzen dat Konovalets werkelijk door de NKVD was vermoord. Het Volksdagblad van de CPN bestempelde de verhalen in de Nederlandse media over de hand van Moskou als "fabeltjes'. Het communistische Kamerlid Louis de Visser stelde vragen in het parlement waarin hij Konovalets een "fascistische terrorist' noemde en de "ophitsingscampagne' in de Nederlandse pers tegen de Sovjet-Unie hekelde. De moord zou een afrekening van Oekraëners onder elkaar zijn geweest.

In 1956 zou zelfs in een Sovjet-publikatie worden beweerd dat Hitler en de Gestapo hadden afgerekend met hun agent Konovalets omdat hij teveel geheimen kende. Ook volgens andere auteurs werd de OOeN gefinancierd door de nazi's, die zij in ruil van geheime informatie voorzag. Sterker nog, Konovalets zou al in 1923 in München een ontmoeting hebben gehad met Hitler. Een erg betrouwbare indruk maken deze beweringen overigens niet. Dat neemt niet weg dat er contacten bestonden met het Derde Rijk, dat de Oekraëners steun toezegde in de onafhankelijkheidsstrijd tegen Polen, de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije om aldus deze staten te verzwakken.

Het leek onwaarschijnlijk dat de moord ooit zou worden opgehelderd. In Elseviers Weekblad was in 1963 wel opeens te lezen hoe de explosieven destijds in Rotterdam zouden zijn gekomen. Het artikel was geschreven door een niet nader genoemde medewerker van het weekblad. (In feite ging het daarbij volgens de journalist Igor Cornelissen, auteur van De GPOe op de Overtoom, om de inmiddels overleden politieke randfiguur Joop Zwart, in zijn jonge jaren communist en later aan de extreme rechterzijde van het politieke spectrum geëindigd, laatstelijk als secretaris van de weduwe Rost van Tonningen. Zwart was volgens Cornelissen over dit soort onderwerpen doorgaans heel goed genformeerd.) Volgens het artikel in Elseviers Weekblad waren de explosieven voor de moord op Konovalets naar Rotterdam vervoerd door de internationale communistische sabotage-organisatie van Ernst Wollweber, op het hoogtepunt van zijn carrière in de jaren '50 enige tijd chef van de staatsveiligheidsdienst in de DDR. De Wollweber-organisatie beschikte over een wijdvertakt netwerk onder zeelieden en havenarbeiders in heel Europa en pleegde in de jaren '30 onder andere sabotage op schepen die tijdens de Spaanse burgeroorlog Franco bevoorraadden. De niet onbelangrijke Nederlandse sectie werd geleid door Joop Schaap, hoofd van het internationale zeemanshuis aan de Willemskade in Rotterdam. Wollwebers mensen organiseerden volgens het artikel in Elseviers Weekblad de transportlijn voor Stalins geheime dienst naar West-Europa, vooral via Scandinavische havens. Ook de explosieven voor de Rotterdamse moord zouden langs deze weg op de plaats van bestemming zijn gekomen.

Zeker is dat de Nederlandse Wollweber-sectie destijds ook bij het onderzoek is betrokken. Uit stukken uit het" Geheim chronologisch archief' van Justitie blijkt dat de procureur-generaal in verband met de Konovalets-zaak een geheim onderzoek instelde naar ""een aantal raadselachtige scheepsrampen aan boord van koopvaardijschepen in volle zee, die men geheel of ten deele aan terroristische aanslagen meent te moeten wijten''. Ook de Belgische en Duitse politie werden ingeschakeld. In Terneuzen was een zekere Fey aangehouden ""wegens vervoer van ontplofbare stoffen''; de "haard' zou in Antwerpen zitten. Men hield er rekening mee dat er verband bestond met de terroristische groep waartoe Valjoech behoorde. Er zijn geen aanwijzingen dat dit onderzoek iets concreets voor de Konovalets-zaak heeft opgeleverd. Maar Arie Fey, zo is uitgezocht door de historicus Hans Dankaart, was wel lid van de Nederlandse Wollweber-sectie. Navraag is niet meer mogelijk. Schaap werd net als de meeste andere leden van de Nederlandse Wollweber-sectie tijdens de oorlog door de Duitsers opgepakt en in de beruchte gevangenis in Berlin-Plötzensee geëxecuteerd. Fey sloeg door en werd na de oorlog door het Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Ook hij is niet meer in leven.

Doopceel

Dat de Wollweber-organisatie een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de aanslag in 1938 klinkt niet onaannemelijk maar bewijzen zijn er niet. Anders is dat sinds kort met de vraag wie de moord heeft gepleegd. Een Russische krant lichtte in de zomer van 1992 het doopceel van generaal Pavel Soedoplatov, medewerker van de geheime dienst van de Sovjet-Unie totdat hij in 1953 in de val van zijn chef Beria werd meegesleept. Soedoplatov werd in dat jaar gevangen gezet, maar na de val van Chroesjtsjov dacht hij van het veranderde politieke klimaat te kunnen profiteren. In 1966 richtte hij vanuit de gevangenis een verzoek tot rehabilitatie aan het 23-ste Congres van de CPSU. Daarin somde hij zijn verdiensten op en beschreef zichzelf als iemand die ""tot aan zijn laatste ademtocht is toegewijd aan de zaak van de partij''. Een van zijn wapenfeiten was dat hij in opdracht van de partijleiding ""op 23 mei 1938 in Rotterdam onder omstandigheden van illegaliteit persoonlijk met een bom de belangrijke agent van het Duitse imperialisme Jevgeni Konovalets had vernietigd''.

Was Soedoplatov Valjoech of heeft hij bij het doorgeven van de bom van een tussenpersoon gebruik gemaakt? Valjoech sprak waarschijnlijk Oekraëns en was thuis in de Oekraënse ondergrondse en emigrantenwereld. Anders had hij zich immers moeilijk als verbindingsman van de Oekraënse ondergrondse kunnen voordoen. Dat Soedoplatov van Oekraënse origine zou zijn melden de zeer onvolledige bronnen niet. Maar wel is bekend dat hij in 1921 in de stad Zjitomir, in de Oekraëne dus, voor het eerst in aanraking kwam met de staatsveiligheidsdienst. In zijn verklaring uit 1966 spreekt hij ook over zijn ""rondreis in 1935-36 als Sovjet-spion onder omstandigheden van illegaliteit langs de stafkwartieren van de OOeN in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, België, Finland en Estland''. Verder schrijft hij dat hij al lang voor de komst van Beria naar Moskou in de tweede helft van 1938 het werk van de buitenlandse afdeling van de NKVD tegen de Oekraënse nationalistische emigranten leidde.

De leeftijd biedt een aanknopingspunt. Soedoplatov is geboren in 1907, terwijl in het signalement van Valjoech sprake is van een ongeveer 32-jarige man. Het meest gedetailleerde portret van Soedoplatov is te vinden in de memoires van de in 1954 overgelopen KGB-officier Nikolaj Chochlov, die in 1957 door een Russische emigrantenuitgeverij zijn gepubliceerd onder de titel "Recht op geweten'. Chochlov werd in 1941 in dienst genomen door Soedoplatov, die toen als generaal-majoor de partizanenafdeling van de staatsveiligheidsdienst leidde. Over Soedoplatovs jeugd is weinig bekend. Chochlov had gehoord dat hij was opgegroeid in een internaat voor zwerfkinderen. In 1921, dus al op veertienjarige leeftijd, kwam Soedoplatov op aanbeveling van de politieke afdeling van een divisie van het Rode Leger in dienst bij de "organen van staatsveiligheid' in Zjitomir. Zeven jaar later trad hij toe tot de partij. In 1933 kwam hij bij de buitenlandse afdeling van de GPOe (later NKVD), waar hij zich in het begin in hoofdzaak met Oekraënse zaken bezighield. Chochlov beschrijft Soedoplatov als een donkerharige man, middelgroot, met oplettende donkere ogen en zware, overhangende wenkbrauwen. Zijn manieren waren opvallend beschaafd. Die beschrijving stemt overeen met het signalement van Valjoech.

Alles bij elkaar moet de conclusie welhaast zijn dat Soedoplatov inderdaad zelf "Valjoech' is geweest. Typerend voor zijn manier van denken is de schaamteloze directheid waarmee hij zich in zijn brief uit 1966 op zijn terreurdaden beroemt. De moord op Konovalets was namelijk bij lange na niet het enige wapenfeit van deze schimmige maar zeer belangrijke verdelger van de vijanden van het Sovjet-bewind. De opdracht voor de actie tegen Konovalets had Soedoplatov, zo schreef hij in zijn brief uit 1966, persoonlijk gekregen van de chef van de staatsveiligheidsdienst Nikolaj Jezjov.

Na zijn terugkeer uit Rotterdam bracht hij verslag uit aan Lavrenti Beria, die zojuist door Stalin op de post van de weggezuiverde Jezjov was benoemd. Ook de chef van de buitenlandse afdeling van de NKVD Spiegelglass werd weggezuiverd en voor Soedoplatov dreigde eveneens arrestatie. Hij werd uit de partij gezet, beschuldigd van gebrek aan waakzaamheid en een half jaar vrijwel op non-actief gesteld. Maar in plaats van de verwachte arrestatie volgde in de lente van 1939 een nieuwe, uiterst verantwoordelijke opdracht, en wel van Stalin persoonlijk: hij moest de liquidatie van Lev Trotski in Mexico organiseren, in Stalins woorden, "de Vierde Internationale onthoofden'. Hij deed dat vanuit Moskou, terwijl zijn assistent Naoem Eitingon ervoor naar Mexico ging. In augustus 1940 sloeg Ramon Mercader Trotski met een pikhouweel de hersens in. Als beloning voor de geslaagde aanslag kreeg Soedoplatov de Orde van het Rode Vaandel.

Na het uitbreken van de oorlog zette deze "strijder voor het socialisme' de opwaartse lijn van zijn carrière voort. Soedoplatov werd chef van de partizanendienst van de NKVD en uiteindelijk luitenant-generaal. Hij leidde speciale operaties achter de Duitse linies, waarbij zijn kennis van bommen en explosieven hem goed van pas kwam. Zo organiseerde hij de moord op de Gauleiter van Wit-Rusland Wilhelm Kube, die in september 1943 in Minsk werd opgeblazen door een bom die door een kamermeisje onder zijn bed was gelegd. Plannen voor een aanslag op Hitler werden niet uitgevoerd. Na de oorlog werd de dienst van Soedoplatov omgevormd tot "Bureau nummer een', belast met sabotage- en liquidatiewerk in West-Europa. Soedoplatovs mensen hadden een speciaal laboratorium voor de vervaardiging van explosieven en vergif voor liquidaties. Het vergif zou zijn uitgetest op Duitse en Japanse krijgsgevangenen.

In de zomer van 1953 werd Beria in de machtsstrijd na Stalins dood gearresteerd. Hij sleepte een groot aantal officieren van staatsveiligheid in zijn val mee. In augustus 1953 was het ook Soedoplatovs beurt. Bij zijn arrestatie hielden volgens Chochlov vier mannen de wacht bij de deuren, drie gingen zijn kamer binnen. Een van hen overhandigde hem een brief. Toen hij zijn hand uitstrekte om die aan te nemen, draaiden ze zijn armen op zijn rug en sleepten hem weg.

Na zijn arrestatie wendde Soedoplatov geestesziekte voor omdat hij vreesde door een rechtbank ter dood te worden veroordeeld; hij werd in een psychiatrische inrichting in Leningrad geplaatst. Toen een commissie in 1958 echter besloot hem naar de beruchte psychiatrische inrichting in Kazan over te plaatsen, hield hij op met simuleren. De rechtbank veroordeelde hem in hetzelfde jaar op beschuldiging van landverraad tot vijftien jaar opsluiting. Hij kwam terecht in de ziekenafdeling van de gevangenis van Vladimir, waar hij ook zijn vroegere assistent Eitingon aantrof. In de winter van "62-'63 werden de twee bij een verscherping van het regime gezond verklaard en samen in een tweepersoonscel geplaatst. Soedoplatov zat zijn volledige straf uit. Bij zijn vrijlating in augustus 1968, die samenviel met de inval in Tsjechoslowakije, feliciteerde hij iedereen met de woorden: ""Eindelijk zijn onze mensen dan toch tot rede gekomen en hebben zij de contrarevolutionairen omvergeworpen.'' Naar verluidt werd hij onlangs gerehabiliteerd en kreeg hij zijn medailles terug.

Grote geld

De man die Jevhen Konovalets op 23 mei 1938 in Rotterdam vermoordde is nu 86 jaar en woont nog steeds in Moskou. Voor de Nederlandse justitie is de zaak al lang verjaard. Tot voor kort werd in Moskou over dit soort zaken helemaal niets meegedeeld, maar nu hebben veteranen van de staatsveiligheidsdienst daar het grote geld geroken. Er is een bemiddelingsbureau van ex-KGB'ers actief dat hoge bedragen vraagt voor interviews en inzage in archiefstukken. Soedoplatov wordt zorgvuldig van de pers afgeschermd. Wie het verhaal van de Rotterdamse ontploffing en talrijke andere wapenfeiten rechtstreeks uit zijn mond wil optekenen, moet opschieten en over een flinke zak met geld beschikken. Geen roebels, uiteraard.

Het heeft weinig gescheeld of er zou in Rotterdam een traditie zijn ontstaan van moorden op Oekraënse nationalisten op 23 mei. Oekraëners plegen op die dag bijeen te komen bij het graf van Konovalets op de Rotterdamse begraafplaats Crooswijk. Op de twintigste verjaardag van de moord in 1958 was daarbij ook een agent van de Russische geheime dienst aanwezig, Bogdan Stasjinski. Het was eigenlijk de bedoeling dat hij bij die gelegenheid de Oekraënse nationalistenleider Stepan Bandera zou opblazen, maar zijn opdrachtgevers hadden daar door een gebrek aan voorbereiding van afgezien. De transportlijn van explosieven van Joop Schaap functioneerde immers niet meer. Hij moest nu alleen foto's nemen om op een volgende verjaardag te kunnen toeslaan.

Het kwam echter niet tot deze tweede Rotterdamse ontploffing op 23 mei, want op 15 oktober 1959 werd Bandera in het trapportaal van zijn woning in München door Stasjinski met een gifpistool doodgeschoten.

    • Marc Jansen
    • Ben de Jong