Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Wie in Nederland leeft moet zich aanpassen

Door Peter Schumacher Redacteur NRC Handelsblad

Gelukkig groeit het aantal migranten dat zijn weg vindt in de samenleving

Nederland heeft zijn minderhedenbeleid gestoeld op het overleg- en harmoniemodel, vermengd met sterk paternalistische elementen. Het is vaak bekritiseerd, • i- . , . , , . , . , maar misschien is het toch zo beroerd nog niet.

De neiging zich af te zetten tegen migranten komt voort uit onzekerheid.

Net als het overgrote deel van de Nederlanders die hier al generaties lang wonen, verlangen de meeste migranten in Nederland een veilige plaats in de samenleving. Baan, huis en goede school voor de kinderen. Om dat te bereiken moeten migranten zich grotere inspanningen getroosten. Zo is het nu eenmaal altijd met nieuwkomers, zeker als ze niet al te welkom zijn, maar het zich 'gesetteld' voelen zal op den duur wel lukken. De overheid staat vanaf het begin van de jaren tachtig, bij het ontstaan van het Minderhedenbeleid, op het standpunt dat dit proces van aanpassing sneller kan verlopen als de migranten daarbij worden geholpen. Ondanks die overheidshulp van jaarlijks tussen de 800 en 900 miljoen gulden — waarvan zestig procent voor onderwijs en exclusief de opvang van asielzoekers — verkeren veel migranten nog steeds in een achterstandspositie, niet in de laatste plaats veroorzaakt door reële of vermeende discriminatie. Hoe hun situatie zou zijn zónder die overheidssteun is moeilijk te zeggen. Er heerst kritiek op het minderhedenbeleid — de verwachtingen waren in het begin misschien te hoog gespannen, maar het zou niet juist zijn te stellen dat dit beleid werkelijk niets goeds heeft opgeleverd. Wel is de vraag gerechtvaardigd of ten gevolge van dit beleid niet te veel migranten zijn gaan denken dat ze het op eigen kracht toch niet kunnen redden. Hun eigenwaarde werd er door ondergraven. Methoden en initiatieven om hen minder afhankelijkheid te doen zijn van subsidies en categorale instellingen en hen dus maatschappelijk 'redzamer' te maken, dienen krachtiger te worden ondersteund. Nu al nemen overigens steeds meer migranten zelf het heft in handen. In de praktijk blijkt dit echter alleen mogelijk als de migrant zijn eigen positie in de nieuwe samenleving heeft bepaald. Concreter gezegd: wie in Nederland leeft en wil of moet blijven, moet zich aan de dominante Nederlandse samenleving aanpassen; hij moet leren leven met bestaande normen en waarden, inclusief — dat is de soms bittere realiteit — discriminatie en achterstelling. In een nog niet zo erg ver verleden hebben generaties Nederlandse arbeiderskinderen eenzelfde soort emancipatiestrijd gevoerd. Voor hen was het in de jaren vijftig en zestig volkomen normaal overdag te werken en 's avonds de ambachtschool, de MTS of andere beroepsopleiding te volgen. Ook zij hadden te kampen met meer of minder ernstige vormen van discriminatie. De strijd voor sociale en maatschappelijke verheffing was niet gemakkelijk, zeker als je afkomstig was uit het 'achterlijke' zuiden en je je heil in het Westen zocht. De duizenden Brabantse arbeiders bijvoorbeeld, die na de oorlog een boterham verdienden bij de wederopbouw van het kapot gebombardeerde Rotterdam werden als 'boeren' met minachting bejegend. Ook nu hoeft in katholiek Brabant of Limburg maar iets te gebeuren of bij menig westerling borrelen de vooroordelen vrijelijk naar boven, maar het Zuiden en de zuiderling zijn inmiddels voldoende geëmancipeerd om dit dédain met een schouderophaal af te doen. Migranten uit Turkije, Marokko, Suriname en andere landen zijn, nu nog, minder goed bestand tegen dergelijke krenkingen. Zij kunnen dit, veelal terecht, slechts zien als discriminatie en racisme.

Dit, gevoegd bij een veel voorkomend conservatisme en sociale controle uit de eigen etnische kring, veroorzaakt een begrijpelijk gevoel van machteloosheid en woede. Een te groot aantal geeft de moed op, gaat soms zwerven en komt nog al eens terecht in criminele kring. Anderen trekken zich teleurgesteld, maar veilig terug in de eigen gemeenschap. Gelukkig groeit het aantal migranten dat zich met vallen en opstaan in onze samenleving wel een weg heeft gevonden. Vrouwen tonen zich daarbij vaak strijdbaarder en succesvoller dan mannen. Het zijn de 'achterblijvers' die het moeilijk hebben. Door hun vaak onvoorspelbaar gedrag vormen zij de grootste zorg van de overheid. Tegelijkertijd zijn zij dè steen des aanstoots voor Nederlanders die toch al de neiging hebben hun problemen te wijten aan 'die buitenlanders die worden voorgetrokken, terwijl wij worden gediscrimineerd'. Een verwijt dat door geen enkel concreet feit wordt bevestigd. Deze omstandigheid heeft de laatste tijd de discussie over racisme en discriminatie flink opgedreven. Op zichzelf is het een goede zaak, dat nu in grotere openheid wordt gesproken over een onderwerp dat zo lang werd ontkend of werd weggerelativeerd achter een sluier van halve ontkenningen en schijntolerantie. Maar veel helderheid heeft de discussie — ook al wegens de sterk op de emoties inwerkende aard van het onderwerp — nog niet opgeleverd. De redenen voor discriminatie gedrag — in veel gevallen niet bewust — zijn velerlei, maar één element is bijna altijd aanwezig: de onbedwingbare neiging zichzelf beter, zo niet superieur te willen voelen aan anderen. In dit geval boven nieuwkomers die bovendien fysiek herkenbaar zijn. Die neiging zich af te zetten tegen migranten komt voort uit onzekerheid. Die onzekerheid is de laatste twintig jaar toegenomen door de veranderingen in de samenleving, veroorzaakt door de economische verslechtering (met

haar massa-ontslagen), criminaliteit en de toestroom van migranten. De relatief snelle 'verkleuring' van Nederland heeft veel mensen, autochtoon en migrant in gelijke mate, onrustig, zo niet agressief gemaakt. De Nederlandse samenleving is wat uit haar evenwicht geraakt. Toenemende polarisatie dreigt als er geen serieuze pogingen worden ondernomen om de onrust te bestrijden. Een nog veel te kleine minderderheid juicht de instroom van mensen met een andere culturele achtergrond toe en ziet het als een welkome bijdrage aan een vitalisering van het wat ingesufte Nederland. Zij vervangen de bekende slogan 'onbekend maakt onbemind' door 'onbekend maakt nieuwsgierig'.

De bestrijding van discriminatie op grond van etnische afkomst — ook al weten we niet altijd hoe dat het meest effectief te doen — moet natuurlijk onverminderd worden voortgezet. De realiteit is echter dat we allemaal moeten leren leven in een samenleving waar rassendiscriminatie regelmatig en in allerlei gedaanten optreedt. Daarom is het van belang om methodes te vinden of te ontwikkelen, die het mogelijk maken met discriminatie om te gaan als één van de slechte verschijnselen in Nederland. Dit geldt voor ille in ons land wonende mensen. Talloze landgenoten is dat, dikwijls uit puur zelfbehoud, al redelijk gelukt. Intussen blijft het moeilijk om op een goede manier discriminatie of de beschuldiging daarvan te pareren. Die kunst is te leren in de praktijk, maar ook via bepaalde trainingen. Dat gebeurt ai, maar nog veel te weinig. Voorts zou de stelling 'zwart racisme bestaat niet' eens ernstig tegen het licht moeten worden gehouden. De gedachte achter deze uitspraak is dat migranten harder worden getroffen door discriminatie wegens hun kwetsbare positie, terwijl autochtone Nederlanders nauwelijks schade ondervinden als zij door zwarten van racistisch gedrag worden beschuldigd. Zij nemen immers veelal een machtspositie in ten opzichte van migranten. Het ongenuanceerd beschuldigen van blanken dat ze discrimineren of racisten zijn, kan echter óók een vorm van discriminatie zijn. Dergelijke beschuldigingen kunnen hard aankomen en op hun beurt sluimerende racistische gevoelens bij'blanken losmaken. Er zijn maar zeer weinigen die verwijten van racistisch gedrag niet onmiddellijk met stelligheid ontkennen, of zich verdedigen met de opmerking dat het zo niet bedoeld is of dat het om een 'grapje' gaat.

Enige vorm van zelfonderzoek naar aanleiding van het verwijt van racistisch gedrag is nog steeds een uitzondering. De reden daarvan is een gebrek aan kennis van en inzicht in de wijze waarop vooroordelen over mensen en groepen met een andere culturele achtergrond (zijn) ontstaan. Waarom worden kritische opmerkingen jegens Duitsers vaak met instemming begroet, terwijl eenzelfde kritiek jegens Turken en Surinamers al bedenkelijker wordt geacht en die jegens joden vaak regelrechtige weerzin oproept? Hoe is het inmiddels gesteld met de onderlinge solidariteit van migranten? Op zijn zachtst gesteld: die laat te wensen over. Verwonderlijk is dit niet, want ook in de migrantenwereld blijken ten opzichte van elkaar vooroordelen te bestaan. Deze worden niet zelden gevoed door een strijd om een betere positie. De migranten is niets menselijks vreemd. Onderlinge discriminatie — racisme zo men wil — bestaat wel degelijk en zal, wil men tot een realistisch beeld komen, in de discussie moeten worden betrokken. Bij voorkeur op initiatief van migranten zelf. Integratie van migranten is een belangrijk streven van de overheid, maar vrijwel niemand vraagt zich af of het ook (tijdelijk) anders en misschien beter kan. De wettelijke plicht tot integratie bestaat niet, iedereen in

Nederland heeft het recht al dan niet te integreren. Het is daarom wenselijk openlijk te debatteren over de voor- en nadelen van integratie. Als mensen zich prettig voelen als zij zich voornamelijk bewegen in hun eigen etnische kring, waarom dan die geforceerde nadruk op aanpassing en inburgering? In Nederland zijn tal van groepen en subgroepen die nogal vreemd staan tegenover de 'grote samenleving' — men denke aan christenen en joden met uitgesproken orthodoxe opvattingen, zogeheten alternatieve jongeren en bepaalde groepen kunstenaars; ook de ouderen, vooral die in bejaardentehuizen, leven vaak in hun eigen beperkte wereld. Op hün integratie wordt zelden aangedrongen, terwijl migranten die zich in hun eigen groep opsluiten en zich niet aan onze samenleving aanpassen, al snel een 'verontrustend probleem' vormen. Dan duikt al gauw het getto-syndroom op. Voor de groep die moeite heeft zich aan de Nederlandse verhoudingen aan te passen, is een carrière binnen de eigen gemeenschap vaak een aantrekkelijk alternatief. De overheid zou dat niet als een zoveelste mislukking van haar — nogal star op integratie gerichte — minderhedenbeleid moeten zien. De inventieve migrant weet dikwijls beter wat goed voor hem is dan het minderhedenbeleid in haar diepste wijsItn

vadSïèM dat wij in de koloniale tijd tegenkwamen in Nederlands-inde en nu soms nog ten aanzien van Sunname en de Antillen. Hoewel het nimmer de bedoeling is geweest dat Nederland een echt immigratieland zou worden, is het dat als gevolg van het overheidsbeleid toch geworden. De overheid weigert dat nog steeds onder ogen te zien, in het bijzonder waar het gaat om een goede en effectieve opvang van nieuwkomers op gemeentelijk niveau. Afgezien van vluchtelingen en asielzoeker hebben enkele tienduizenden mensen, voornamelijk afkomstig uit Turkije, Marokko en Suriname, het recht zich in Nederland te vestigen in het kader van de gezinshereniging en gezinsvorming. Het gaat daarbij om echtgenotes en minderjarige kinderen van al jaren in ons land gevestigde migranten en om huwelijkspartners van hier legaal verbljvende migranten. De enige voorwaarde waaraan nu moet worden voldaan is dat de hier gevestigde partner over voldoende inkomen beschikt. Aan de nieuwkomer zelf worden niet of nauwelijks eisen gesteld. Voor vestiging in immigratielanden als Australië en Canada wordt vereist dat men de Engelse taal voldoende beheerst en een behoorlijke beroepsopleiding heeft genoten. Waarom dergelijke eisen niet ook hier gesteld, zeker nu er stemmen opgaan om strengere voorwaarden te verbinden aan de vestiging van nieuwkomers — vooral de partners — zodat hun inburgering soepeler verloopt? Als dat om praktische redenen niet zou kunnen — hoe leert men Nederlands in Marokko en Turkije? — zou er een verplichte en gedegen cursus moeten komen, afgerond door een examen. Het ontbreken van dergelijke voorwaarden is strijdig met het

minderhedenbeleid, dat immers 'beheersbaarheid van het migratievraagstuk' nastreeft. In de laatste vijftien jaar zijn er tientallen gemengde delegaties afgereisd naar menig buitenland om aldaar het migratievraagstuk te bestuderen met de bedoeling er wat van op te steken. Die missies hebben nooit veel opgeleverd, al was het maar doordat ieder land zijn eigen minderhedenbeleid ontwikkelt. België heeft wel erg lang Gods water over Gods akker laten lopen; in het Verenigd Koninkrijk zijn de migranten een onderdeel geworden van de traditionele confronterende en polariserende klassemaatschappij. Duitsland kampt met zijn beladen nazi-verleden en met de hereniging, en Frankrijk met zijn nationale 'grandeur' en het verschijnsel Front National. In Zweden heeft men al heel vroeg het belang van een goede opvang van migranten onderkend. Er werd een speciaal ministerie voor opgericht en van meet af aan werden nieuwkomers — voornamelijk politieke vluchtelingen en Finnen — verplicht een stoomcursus te volgen om de Zweedse taal te leren, desnoods in de tijd van de baas. Nederland heeft zijn minderhedenbeleid gestoeld op het hier heilig verklaarde overleg- en harmoniemodel, vermengd met sterk paternalistische elementen. Iedere tendens tot confrontatie, laat staan militant gedrag is uit den boze. De meeste kaders van migrantengroepen hebben zich al goed aan het Nederlands welzijnspatroon aangepast. Alleen al hun taalgebruik verraadt dat. De betrekkingen met de landen van herkomst spelen dikwijls een extra complicerende rol. Dat geldt zeker ten opzichte van het voormalige rijksdeel Suriname — grofweg de helft van de oorspronkelijke bevolkig en haar nageslacht woont nu in Nederland. Veel Surinaams talent heeft zich inmiddels definitief in Nederland gevestigd ten nadele van het moederland. Dit kan een 'voordeel' zijn, omdat het een vorm van indirecte ontwikkelingshulp betekent. Immers, tal van gezinnen in

Suriname blijven op de been door financiële hulp van familie in Nederland, die het overigens ook niet al te breed heeft. Met de Antillen ligt de zaak gecompliceerder. Antillianen en Arubanen kunnen vrijelijk naar Nederland komen. Pogingen om die migratiestroom aan banden te leggen stuiten in Willemstad voortdurend op sterk verzet. Ook de Nederlandse betrekkingen met Marokko en Turkije worden beïnvloed door de aanwezigheid van migranten uit die landen. Voor zowel Rabat als Ankara geldt dat geld van migranten ter onderhoud van verwanten in de landen van herkomst, of het kweken van een spaarfondsje voor de oude dag, miljoenen aan harde valuta oplevert. De honderden vestigingen

van Marokkaanse bank. in Nederland zijn daar een g 0 indicatie van. Het zou vooral von Marokko een absolute ramp bet kenen als alle migranten in Eu r ^ pa en masse zouden terugke^ De geneigdheid daartoe is oven gens betrekkelijk gering, ondanï het relatief aantrekkelijke tem keerbeleid dat Nederland voert ^ Meer dan enig ander land H, in Nederland migranten heeft % nen, tracht Marokko greep ^ houden op zijn onderdanen ov.' zee. De 'lange arm van ic 0n J t Hassan' tracht invloed uit te oef. nen via zoveel mogelijk moskee besturen. Marokkanen die z j c i tegen het regime in hun land U ren of als 'progressief bekend staan, ondervinden daar gevolg er van bij een bezoek aan hun lS ook hun familieleden aldaar wo r , den onder druk gezet. Nederland verzet zich daar niet al te hard tegen, omdat het de welwillendheid van Rabat nodie heeft bij het terugzenden van enminele Marokkanen, die over onvoldoende papieren beschikken er" als gevolg daarvan niet over de grens kunnen worden gezet. Marokko gebruikt dit weer om krediet te verwerven bij de Europese Gemeenschap, waarvan het graag lid wil worden. Met Turkije zijn de betrekkingen wat gemakkelijker. Ook hier speelt het streven naar het EG. lidmaatschap een rol. Verder zorgt de Koerdische kwestie voor een politiek element in de Nederlands-Turkse verhoudingen. Evenals Marokko probeert Turkije via de moskee in Nederland invloed te krijgen op zijn landgenoten. De Turken in Nederland lijken beter bestand tegen bemoeienis van hun overheid. Het verzet in Nederland tegen 'buitenlanders' lijkt te groeien. Als belangrijkste graadmeter daarvoor wordt de aanhang van de Centrum Democraten (CD beschouwd. Iedere keer als die aanhang per opiniepeiling ge. groeid blijkt, breekt een lichte paniek uit en wordt druk gespeculeerd over 'het opkomend racisme in Nederland'. Hoe verontrustend zou het eigenlijk zijn als de CD volgend jaar meer dan vijf zetels in de Tweede Kamer zou verwerven? Dat zou hoogst onaangenaam zijn, maar het zou ook een verhelderend effect kunnen hebben — als tenminste de kwaliteit van de betrokken Kamerleden van enig niveau zou zijn. Dan immers zou een zinnige discussie kunnen ontstaan, zou het 'migrantenvraagstuk' in alle openheid aan de orde kunnen worden gesteld en zou de onrust over 'zo veel buitenlanders' duidelijk voor het voetlicht treden. Zo'n discussie is nu niet te voeren met één vertegenwoordiger, die met kromme redeneringen oppositie voert tegen de aanwezigheid van migranten, asielzoekers, gedoogden en illegalen. Niemand is erbij gebaat de CD en de CDstemmers bij voorbaat te veroordelen of dood te zwijgen. Dat heeft alleen maar een toenemende verdeeldheid tot gevolg, die op haar beurt leidt tot wederzijdse verkettering en tot meer sociale en raciale conflicten. De Verenigde Staten kunnen dienen als afschrikwekkend voorbeeld. Misschien is ons vaak bekritiseerde overleg- en harmoniemodel toch zo beroerd nog niet. (Dit is het laatste stuk over hel minderhedenbeleid van Peter Schumacher, als redacteur van NRC Handelsblad. Binnenkort maakt hij gebruik van de vul Schumacher schreef bijna achttien jaar in deze krant over het migranten-vraagstuk.)

Discussie bij de ontruiming van een moskee in Amsterdam. (Foto Bert Verhoeff)