De hond, de haard en Bonnard; Geluk vraagt niet om denkers

“Niet om het een of ander maar heb jij ooit om een schilderij gehuild?” Die vraag stelde Charlotte Mutsaers jarenlang aan allerlei mensen en het antwoord was steeds nee. Haarzelf was dat ook nog nooit overkomen, wel bij boeken en muziek, nooit bij iets van verf. Maar daar is verandering ingekomen door de aanblik van een reproduktie van een schilderij dat nergens in het echt te zien bleek, het vurige "Marthe et son chien Black' van Bonnard.

Dit is de enigszins bekorte versie van een lezing in de serie "Portret van een schilderij', georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

Een woord, dat nooit en te nimmer verflauwt

En als een heilig vuur in mij stand houdt:

Brandhout!

Dat dichtte Aleksander Blok, maar het is lang geleden en hij was een Rus. Bij ons is brandhout allang tot de klasse der scheldwoorden afgezakt, samen met de geslachtsorganen. Arm brandhout, wat heeft de c.v.-cultuur je allemaal aangedaan. Het wordt tijd voor revanche.

Moet je Blok heten om een haardvuur aan je borst te koesteren?

Moet je Pinokkio heten om van brandhout af te stammen?

Moet je Bobbie heten om houtblokken te apporteren?

Moet je Van Deel heten om zo solide als een boekenplank te zijn?

Moet je Wie is van hout heten om gelezen te worden?

Moet je Zosjtsjenko heten om van mening te zijn dat je brandhout "gerust ook voor een verjaardag cadeau kan doen'?

Moet je Schulz heten om hout te beschouwen als de belichaming van het fatsoen en het levensproza?

Moet je Abraham heten om een takkenbos voor een mosterdpot aan te zien?

Ach, wat doet de naam van het beest er eigenlijk toe. Zolang het maar van hout is dan is het goed. Ik bedoel: als de belofte van vuur en vlam niet op de een of andere manier in iets besloten ligt dan had het voor mijn part beter ongeboren, ongebeurd, ongedaan, ongemaakt, ongezegd, ongezongen, ongedanst, ongefilmd, ongeschreven en vooral onbeweend kunnen blijven. Niet dat meteen de brand in alles moet, dat zou te veel van het goeie zijn. Als het maar brandgevaarlijk is, even brandgevaarlijk als een spanen doosje met Neurenbergs speelgoed erin. Als men maar het gevoel krijgt: de twee brandblussertjes in mijn ogen zitten daar niet voor niets. Fikken en snikken dat is het leven. En doen fikken en snikken is dat niet de kunst?

Misschien dat het me daarom zo verbaasde, ja zelfs stak, toen ik me op een dag plotseling realiseerde dat ik, die van kindaf dol op schilderijen was geweest, nog nooit om enig schilderij, waar ter wereld ook, abstract of figuratief, mooi of lelijk, goedkoop of duur, ook maar één traan gelaten had. Geen druppel. Hoe kon dat. Ik weet het, tranen staan niet bijzonder hoog aangeschreven, niet hoger dan laten we zeggen het kerstliedje of de lage dameshak. En wie ze laat vloeien doet een zwaktebod. Toch komt een vrouw op lage hakken snel vooruit, zelfs als ze kerstliedjes zingt. En wat is er zo zwak aan een zwaktebod. Een sterktebod, dat is pas erg. Ga er maar vanuit: mensen die nooit huilen daaraan zijn kunst en liefde niet welbesteed. Maar dit terzijde.

Ik heb me kapot gehuild om Roodkapje, Monpti, La Bâtarde, Afscheid van de wapenen, Hamlet, Klaaglied om Agnes, Le petit prince, De vrouw met het vosje en De dame met het hondje, en ik zal de enige niet zijn. Maar hoe is het mogelijk dat daar dan geen enkele geschlderde vos, hond of wolf, geen enkele geschlderde grote of kleine prins, geen enkel geschlderd klaaglied of afscheid van dezelfde gevoelsimpact tegenover stond. Nee, ik zet de traan niet op de troon. Ja, ik weet best dat een schilderij meer vermag dan het uitlokken van een waterval. Zonder de ene tegen de andere kunsttak uit te willen spelen vraag ik slechts één ding: waar komt het vandaan dit opmerkelijke verschil tussen verf- en pennevrucht. Er moet toch een verklaring voor te vinden zijn dat het zo lang heeft geduurd eer mij door een eerlijk schilderij een snik werd afgewongen. Eerst dacht ik dat het aan mezelf lag. Daar word je eenzaam van. Toen ben ik maar eens links en rechts om me heen gaan vragen hoe het eigenlijk met andermans kunstbeleving was gesteld. Is kunst meer voor u dan een oogstreling, doet kunst u iets, wordt u er wijzer van, dat soort vragen. Leuke antwoorden krijg je dan. Over het ontmaskeren van de werkelijkheid en het genereren van nieuwe denkbeelden en gevoelens en zo. Maar zodra ik op de man af vroeg: “Niet om het een of ander maar heb jij ooit om een schilderij gehuild?” dan stond iedereen, van de grootste kunstkenner tot de grootste huilebalk, dadelijk met de mond vol tanden en luidde het aarzelende antwoord steevast: "Nee'. Ook op de kunstacademie. Meer dan tien jaar heb ik daar schilderles gegeven en elke nieuwe klas stelde ik weer diezelfde vraag. Niemand keek er raar van op maar niemand kon hem positief beantwoorden. Helemaal niemand in al die jaren, dat zegt wel iets. “Van schilderijen lig je nu eenmaal niet wakker”, zegt een meisje. “Van een paar verfstreken gaat niemand uit zijn dak”, zei een jongen. Toch wilden diezelfde leerlingen aanvankelijk maar één ding: hun hele emotionele hebben en houen uitdrukken op doek. Een vruchteloze onderneming als je geen enkele verwachting hebt van de emotieve vermogens van de verfstreek. De aardigheid was er dan ook spoedig af. Na verloop van tijd zat zowat iedereen conceptueel te werken en belandden de paar bezeten schilders in het gekkenhuis. Wie hedendaags geschilderd haardvuur wil zien, vervoege zich daar. Wie er om janken moet kan er beter blijven.

Ik laat deze kwestie nu even voor wat ze is want inmiddels heeft zich in mijn leven een levensgroot mirakel voorgedaan: ik deed een kunstboek open, zag een reproduktie van een schilderij en werd ...weerloos. Veni, vidi, vici op mijn manier. Daar bleef het niet bij: ik schoot vol. Eerst vol vlammen en toen vol tranen. Zodat ik ook nog mijn eigen brandweerman kon zijn. Eindelijk kan ik zeggen: het schilderij dat mij aan het huilen heeft gebracht bestaat. Het meet 64x66 cm en is omstreeks 1906 met olie op doek geschilderd door Pierre Bonnard. Je ziet een vrouw, een hond, en een brandende haard. Maar dat is op het eerste gezicht, het conventionele dat de wereld opdeelt in mensen, dieren en dingen (in die volgorde). Op het tweede gezicht zag ik een hond, een haard en een vrouw. En op het derde? Daarop ben ik nog steeds niet uitgekeken.

Was dit nu het allerbeste, allermooiste, allerdiepzinnigste schilderij dat ik ooit had ontmoet? Ik weet het niet, je vraagt het je niet af. Bij brandhout vraag je je zulke dingen ook niet af. Je kijkt alleen fikt het ja of nee, tenzij je al begint te rillen bij alles wat van nature mooi en vurig is - zonsondergangen, rozen, zigeunerinnen - die mensen heb je ook. Dit schilderij fikte. En wat misschien nog belangrijker was: het opende een deurtje naar een andere wereld. Daar stond ook weer een haard, de haard uit mijn jeugd. In volle luister. Ervoor, aan zijn voeten ikzelf als klein meisje met mijn hond. Eveneens in volle luister. Terwijl ik in de veronderstelling had verkeerd dat dat allemaal was uitgedoofd! Zingend liep ik met mijn bijl naar het bos om hout te hakken, precies zoals weleer. Het paradijs bestaat niet. Het verloren paradijs misschien evenmin. Des te verrassender als je plotseling iets in je schoot geworpen krijgt dat er op lijkt als twee druppels water.

In Distorsie als rhetorisch moment, het eigenaardige maar daarom niet minder interessante proefschrift van E.W. Stieglis komt de volgende treffende passage voor: "Een tekst is geen zak met houtblokken. Daarvan mag het juist zijn, dat ze iets anders "uitmaken' naar gelang - naar belang! - ik verlang naar een warm flakkerend haardvuur, of een doortimmerde kast. Het "proces' van de tekst is er: op eigen gezag. En het mag niet zo zijn dat een roman, een gedicht, een toneelstuk iets voor ons "umwertet' omdat het ons goed van pas komt. Het “als ob er für mich geschrieben hätte” is - moet het worden uitgesproken? - geen standpunt van consumptie.'

Dit lijkt misschien je reinste abracadabra maar er zit iets in, denk bij voorbeeld aan kunst als troost. Alleen, als dat "umwerten' nu eens domweg gebeurt, zonder dat je erom hebt gevraagd, zonder dat je er de hand in hebt gehad, als het met andere woorden plaats vindt niet omdat iets je goed van pas komt maar van de weeromstuit, kun je dan nog zeggen dat het niet mag? Doet kunst ons niet het meest op die momenten dat we er zelf van staan te kijken? Daarom ben ik van mening: als een tekst ook maar iets voorstelt dan bij uitstek een zak met houtblokken. En dit geldt niet alleen voor teksten maar voor alle schone kunsten die men maar bedenken kan. Allemaal brandhout want edeler materiaal bestaat er niet. Of om met Zosjtsjenko te spreken: "Brandhout, dat is een kostelijk, heilig goed. En zelfs wanneer je op straat, laat ik zeggen, langs een schuttinkje komt en je tintelt gewoon van de kou, dan klop je onwillekeurig even tegen het hout van dat hek.'

Het zal nu ondertussen wel duidelijk zijn welke sensatie dit schilderij van Bonnard mij gaf: alsof het voor mij geschilderd was. Een zak vol klinkklare houtblokken. Ze mogen dan misschien geen haardvuur uitmaken, ze maken het wel degelijk aan. Doordat het een goed schilderij is of doordat het mij goed van pas komt? Allebei. Maar om dat uit te leggen zal ik eerst terug moeten gaan naar de tijd van de tierende winden en de nedervloeiende regens. Kom ik dan nóóit te spreken over het schilderij zelf? Een ogenblik. Altijd eerst beginnen met omsingelen. Zoals vuur dat doet.

Als de regen nedervloeit,

En de stormwind tiert en loeit,

Zijn bij 't hoekjen van den haard

Kind'ren 't allerbest bewaard.

Daar was ik het gloeiend mee eens. Allicht, ik ben met Piet de Smeerpoets opgegroeid. Maar wat gebeurde er toen.

Het is herfst. We bevinden ons in de verrukkelijke jaren vijftig, diezelfde jaren die om de haverklap als saai en ongenietbaar worden afgedaan, en ik zit wijdbeens met mijn hond voor de haard. Ik denk niet aan Eros. Of aan de dood. Of aan de vergankelijkheid van wat dan ook. Blokken zijn nog blokken, vlammen vlammen, en nu is nu. Ik laat de weldadige warmte regelrecht naar binnen stromen, tot daar waar zelfs het licht niet komen kan. Evenals mijn hond die ook met wijde beentjes zit want wij zijn één. De regen slaat woedend tegen de ruiten en nog veel woedender tiert de wind. Maar buiten is buiten terwijl binnen gelukkig nog altijd binnen is. Dat had je gedacht, de jaren zestig rukken op en buiten blijft niet eeuwig buiten, daar heeft buiten geen zin in. Wil ook wel eens naar binnen toe. Lekker plaats nemen op het fluwelen kussen en een beetje koekeloeren in de haard. En als dat niet kan, omdat buiten daar veel te grof en te groot voor is, nou dan zal die stomme haard eraan moeten geloven met jou en dat ingebeelde hondebeest en de hele verzilverde klerezooi van slot Bommelstein erbij. Eerlijk duurt namelijk nog altijd het langst. "Afgunst, zul je bedoelen', knettert het haardblok, maar dat soort eerlijkheid wordt niet op prijs gesteld. Dus heb je de poppen aan het dansen, poppen van de allerbedenkelijkste soort. Ze dringen door muren en glazen en brengen mij een zak waarop ik echt niet zat te wachten. Barstensvol zit die zak en niet met houtblokken. Rara waarmee dan wel. Met c-o-n-n-o-t-a-t-i-e-s. Wat voor connotaties? Haard-, hout- en hondconnotaties uit de moderne wereld. En dit misselijke vrachtje kiepen ze doodleuk uit boven je hoofd. Dáár wordt een mens toch niet koud of warm van? Jamaar een kind wel, ik ben nog een kind! Het licht gaat uit. Het haardvuur dooft. De warmte wijkt. De gloed glijdt van de dingen. De vacht wordt dof. De kou slaat toe. Nee, wij zijn niet langer bewaard. Ons staat niet veel anders te doen dan de benen te nemen. Met de staart ertussen.

Was dit een sprookje? Was het maar waar.

Het sprookje is dit: Bonnard heeft ons met zijn sprekende schilderij weer teruggeroepen. Hier zijn we weer, schielijk teruggekeerd op onze schreden. Daar zitten we weer op ons plekje voor de haard. En we blijven zitten, voorgoed. Want wat zegt dit schilderij. Het zegt: lak hebben aan alle connotaties tenzij uit eigen koker. Dan vinden ze huis en haard maar het nec plus ultra der gezapigheid.

Dan vinden ze een hond en haard-schilderij maar het summum van de kitsch.

Dan lachen ze het houtblok maar uit in zijn gezicht.

Dan vinden ze haardvuur maar protserig, braaf, milieu-onvriendelijk en uit de tijd.

Dan vinden ze het maar schandelijk als de armoe het brandhout voor de rijkdom kapt.

Dan vinden ze het maar zielig voor de bomen.

Dan zeggen ze maar dat een haardblok soms ontploffen kan.

Dan zeggen ze maar dat er kevers uit zullen kruipen die het hele gebint van je huis aanvreten.

Dan beschuldigen ze je maar van escapisme.

Dan lullen ze maar over de wereldbrand.

Dan maken ze je hond maar uit voor poepmachine en fascistenknecht.

Dan beweren ze maar dat warmte en liefde niet het belangrijkste in het leven zijn.

WAT DAN NOG. Welk wereldbeeld hebben zij er eigenlijk tegenovergezet, zij daar die met droge ogen en geen hond aan de buizen van hun c.v. gekluisterd zitten.

Aldus sprak het schilderij. Hoe had Bonnard dat met een paar verfstreken voor elkaar gekregen? Zodra we dat weten zijn we vanzelf aangeland bij de fik en de snik.

Als een schilderij jou weerloos maakt kun je stellen dat het zelf weerloos is. Ik heb tenminste nog nooit wapens gezien die ontwapenen (reden waarom ik tranen niet gauw tot de wapens rekenen zal). Weerloos betekent kwetsbaar. Bonnard is die kwetsbaarheid op geen enkele manier uit de weg gegaan. Integendeel, daarin schuilt misschien zijn grootste kracht. Daardoor zijn zijn schilderijen zo vaak op een ongebruikelijke manier verontrustend, namelijk voor diegenen die warmte, harmonie en kwetsbaarheid een kwaad hart toedragen, en dat zijn er nog al wat. Als die kwetsbaarheid dan bovendien nog uitmondt in gelukzaligheid en van hybris overloopt.

Alleen al het vuur. Wie waagt zich nu aan het schilderen van vuur. Wie haalt het in godsnaam in zijn hoofd om het allerbeweeglijkste, allergevaarlijkste, allergulzigste, allergrilligste, allesverslindendste en tevens allerhuislijkste wat op de aarde rondwoedt, wat te pas en te onpas als metafoor wordt gebruikt, wat talloze denkers en wetenschappers, van Heraclites tot Bachelard tot Goudsblom, aan het werk heeft gezet, wat met even veel gemak harten en houtblokken verteert als boeken en meisjes (Paulientje, Jeanne d'Arc), in een kader te vangen, te temmen en stil te zetten. En wie lukt dat dan ook nog zonder dat dat vuur daarbij uitgaat. Van pyrotechnici gesproken.

Wat moet een schilder beginnen als hij iets uit de werkelijkheid wil schilderen waar qua vorm en kleur nauwelijks staat op te maken valt? Hetzelfde denk ik als een schrijver die het wil gaan hebben over de wind. Helaas zijn de tijden waarin de stormwind tiert en loeit voorgoed voorbij. Bijgevolg heeft de schrijver het over een andere boeg moeten gooien: de inwendige. Daarom zegt Bataille in De innerlijke ervaring: "Wat telt is niet de uiting van de wind maar de wind'. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor vuur. Dus: eerst voelen hoe de wind door je heen waait, hoe het vuur door je heen laait, alvorens er gestalte aan te geven. Een schilder die overtuigend vuur wil schilderen zal dat vuur eerst door zichzelf heen moeten laten gaan. Dat is niet hetzelfde als zèlf door het vuur gaan, ik hoop dat dat duidelijk is. Bataille zegt trouwens nog wat anders: "Het vertoog kan, als het wil, een storm ontketenen, bij het haardvuur kan de vrieswind niet komen, wat ik ook doe.' Dat is een pleidooi voor het haardvuur dat in kracht niet voor dat van Bonnard onderdoet, en het verwarmt me tot in mijn botten dat uitgerekend deze incarnatie van het zogenaamde kwaad en de incarnatie van het zogenaamde goed elkaar hier vinden in het hoekje bij de haard. Fik en snik zijn nu ook niet ver meer.

Maar hoe heeft Bonnard een en ander nu schilderkunstig laten laaien, waar komt die gloed vandaan. In elk geval niet kant en klaar uit de verftube. Vleeskleur en dodekop kun je uit tubes halen, vuurgloed niet. Het verhaal gaat dat de mens het vuur heeft uitgevonden door twee takjes tegen elkaar aan te wrijven. Dat vuur bestond allang maar de mens vindt graag iets uit. Vuur op doek bestond niet allang. Dat vond Bonnard uit. Door kleuren tegen elkaar aan te wrijven. Wie aandachtig in de haard tuurt ziet behalve rood, geel en oranje ook nog bruin, paars, groen, oker, lila en zelfs wit. Als dat allemaal met een losse toets in elkaar wordt gesmeerd vat het vlam. Hoe meer vlammen hoe meer gloed van binnen en van buiten. Eerst van buiten. Gloed kleedt alles aan. Ik ben eens hartje winter in het kasteel van Chambord geweest en heb daar bijna een uur in een lege zaal doorgebracht zonder ook maar even te merken dat hij niet was ingericht, zonder ook maar een seconde de gezellige aanwezigheid van meubels, gordijnen, kleden, schilderijen etcetera te missen. Dankzij de brandende haard die alles gestoffeerd en gemeubeld had. Bonnard moet gedacht hebben: als een haard zich dusdanig in een kamer voortplant waarom zou ik die kamer er dan nog bij schilderen, en heeft het bij een stukje gelaten. Twee vliegen in een klap want zo komen hond, haard en vrouw ook beter uit.

Waarom zit die vrouw daar eigenlijk zoals ze zit. Bachelard ("Ik zou liever een filosofieles missen dan mijn ochtendvuurtje') beweert in zijn psychoanalytische studie over het vuur dat iedereen voor een open haard van nature de houding van le Penseur aanneemt en in de vlammen staart. Mijn inziens nemen de vrouwen in dit geval nogal graag een andere dan de denkende houding aan maar wat dat staren betreft heeft hij gelijk. Je ziet het steeds weer en wie geen open haard in zijn omgeving heeft hoeft er de literatuur maar op na te slaan. In een boek van Pinget komen zelfs mensen voor die de haard nog aan willen hebben als het om te stikken zo warm is: louter om er naar te kijken. En Jünger die evenals Bataille dikwijls in een verkeerde hoek wordt geplaatst (merk op dat het in het hoekje bij de haard steeds gezelliger wordt) vertelt in zijn Parijse dagboek dat hij elke morgen de haard aansteekt omdat het kijken naar het open vuur met zijn warmte en zijn straling hem "opmontert'. Dus nogmaals: als het haardvuur het aankijken zo dubbel en dwars waard is waarom kijkt de vrouw op dit schilderij dan een andere kant uit. Omdat ze slechts voor geschilderd haardvuur zit? Nee, omdat er concurrenten in het spel zijn!

Maar laat ik nu eerst eens de titel noemen waaronder dit schilderij bekend staat: Marthe et son chien Black. Zoals meestal heeft Bonnard ook hier weer zijn eigen vrouw afgebeeld. Zelf heb ik een hele andere titel bedacht, noem het een werktitel: Marthe en haar drie haarden. Drié? Inderdaad, ik heb het aan den lijve ondervonden. Toen ik dit schilderij voor het eerst zag kreeg ik, nog eer er van enige aanvechting van tranen sprake was, een gloeiend warme rug. Buiten het schilderij, achter me, bevond zich blijkbaar een warmtebron die niet voor de haard er binnen onderdeed, dezelfde warmtebron die ook Marthes hele rechterzij in een warme gloed hulde. Ik draaide me om en stond oog in oog met... Bonnard. De schilder die haar met de kwast in vuur en vlam had gezet viel samen met haar man. Via het tegenlicht had hij zich naar binnen gewerkt, was op haar kleren en haren neergestreken en zei zoveel als: ik ben er ook nog. En Marthe beantwoordt dat met een nauwelijks verholen glimlach van gelukzaligheid die we, als zij in denkershouding had gezeten met de rug naar ons toe, nooit hadden kunnen zien. Geluk vraagt ook niet om penseurs. Dit is een licht en gelukkig schilderij.

En hiermee komen we dan op Bonnards tweede waagstuk: wie durft het in godsnaam om in een wereld waarin kunst en literatuur voornamelijk in dienst staan van het leed, een stralende hulde te brengen aan schoonheid, warmte en geluk. Armando spreekt in dit verband over argeloosheid. Zelf ben ik er niet zo zeker van of Bonnard nu zozeer argeloos was, in de zin dus dat hij het kwaad en de ellende van de wereld niet zag. Ik zou haast zeggen: daar was hij te intelligent voor. Blijft natuurlijk de vraag hoe zijn blik op wat Armando zo mooi "de schoonheid van alledag' noemt zo onvoorstelbaar fris is gebleven. Waar haalt hij dat enthousiasme vandaan en vooral: hoe heeft hij dat enthousiasme kunnen bewaren voor de verschrikkingen en het cynisme van alledag. Naar het antwoord hoeven we niet lang te zoeken. Het zit in levenden lijve voor ons in het hoekje bij de haard: Black, de hond, de fik oftewel haard nummer drie. Die zit daar volledig saamhorig te wezen en heeft er geen flauw benul van dat hij een pikzwart jasje draagt en als hij het wel had zou hij zich er nog niet om bekommeren. Zolang zijn baas en vrouw maar aanwezig zijn klopt het leven als een bus. Dàt is pas argeloos, argeloosheid van de bovenste plank. Bonnard heeft hem dan ook afgebeeld als vorst. Dat doet hij trouwens altijd. Hij heeft zijn honden vaak geschilderd en altijd staan ze er even koninklijk op, nooit als voetveeg. Hij moet een feilloos besef gehad hebben van de dierlijke waardigheid en dat is heel bijzonder in een wereld die niet moe wordt om te kakelen over de menselijke waardigheid. Ongetwijfeld is hij bij zijn honden in de leer gegaan. Via de hondeblik om je heen kijken, dat geeft de dingen kleur. Bonnards werk is voor mij dan ook één impliciete hommage aan de hondeblik. Op zijn schilderij De kersentaart heeft hij die blik zelfs letterlijk vorm gegeven. Je ziet daarop een tuin, een vrouw en een tafel met daarop een kersentaart. Net boven de rand van die tafel stralen de twee ogen van Black. Je ziet maar een heel klein stukje van zijn zwarte kop, toch beheerst die blik het hele schilderij. Zó de wereld tegemoet treden zoals een hond een kersentaart. Dan fikt de haard vanzelf, of hij nu geschilderd of geschreven is.

Honden apporteren meer dan hout alleen.