Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Taal

Tom poes en de bommel-legende

Door Marten Toonder

4090 Een beetje beklemd keek heer Bommel naar het groepje, dat schuifelend de grot betrad. Doch toen dwong hij zijn trekken tot een prettige glimlach en stak minzaam een hand uit. „Goede avond, heerschappen", sprak hij. „Mijn naam is Olivier B. Bommel en ik ben een weinig verdwaald. Misschien kunt u mij een gepast onderdak voor de nacht bezorgen?" Er volgde geen antwoord. De vreemdelingen staarden hem somber aan, terwijl ze langzaam voorwaarts drongen. „Ahum", hernam heer Ollie betrekkend. „Het is duidelijk, dat u mijn taal niet verstaat. Ik bedoel... eh... Sprechen Sie Deutsch? German bedoel ik?" Het broeierige zwijgen hield aan en de voorste vreemdeling naderde tot op armlengte. „Ik b.bedoel geen k.kwaad!", stamelde heer Bommel

haastig. „Ik zoek alleen maar naar mijn voorvader... een zekere Bommel, die driehonderd jaren geleden geleefd moet hebben, als u begrijpt wat ik bedoell" Het zweet brak hem uit en hij trok zich angstig terug tegen de fraai beschilderde grotwand, want de bezoekers drongen hinderlijk op. „Fuskus", sprak nu de voorste met rommelende stem. „Fuskus hopklop!" „Hopklopl" mompelden de anderen, zodat het hol in de spelonk galmde. Ze begonnen de stof van zijn jas te betasten en ook bevingerde men zijn oren en klopte er iemand op zijn schedel. „Moonflut", stelde de eerste voor. „Hupfludder moonzerk. Hopklop!" „Niet Hopklop!" riep heer Ollie, haast schreiend. „Mijn naam is Bommel!" Maar niemand luisterde naar hem.