Het middel tegen fietsdiefstal

Ieder jaar worden een miljoen fietsen gestolen. Gemiddeld vijf fietsen in een mensenleven. De overheid doet er niets aan. Waarom geen kenteken voor fietsen?

"Van een geregistreerde fiets hoor je nog eens iets'. Met dit rijmpje begon de overheid in 1987 de Nationale Fietsregistratie, een campagne gesubsideerd door de ministeries van verkeer en waterstaat en justitie. Het was bedoeld om een einde te maken aan volksmisdaad nummer één: fietsdiefstal.

Bij fietshandelaren kon men voor geringe vergoeding - en bij de politie zelfs gratis - zijn postcode in de fiets laten graveren. Het frame werd voorzien van een gele plastic manchet waarvan een preventieve werking zou uitgaan. Het nummer en eventueel het framenummer of het slotnummer werden ingevoerd in een nationaal computerbestand in Hoogeveen. Voor 10 gulden kon men zijn fiets voor vijf jaar geregistreerd krijgen. Als iedereen zijn fiets zou laten registreren, zou fietsdiefstal tot het verleden behoren. Nou ja, het zou in ieder geval een stuk minder worden.

Maar in de praktijk ging het anders. Vorig jaar werd officieel de Nationale Fietsregistratie ten grave gedragen. Twee en half jaar waren voldoende om duidelijk te maken dat het op deze manier niets werd. Er waren met behulp van het geavanceerde computersysteem enkele honderden fietsen terugbezorgd bij de eigenaar. Op de ruim twee miljoen fietsen die in die periode gestolen waren, was dat niet de moeite. Een enkele gemeente ging nog door met graveren, maar de beide ministeries stopten hun subsidies. "Van de Nationale Fietsregistratie zullen we niets meer horen', was de kop in het blad Samenleving en Criminaliteitspreventie van het ministerie van justitie.

Het ministerie van verkeer en waterstaat liet het bureau Regioplan de oorzaken van de mislukking onderzoeken. Volgens Regioplan was de hoofdoorzaak de geringe belangstelling voor registratie. Na twee jaar bedroeg het aantal geregistreerde fietsen ongeveer anderhalf miljoen. Dat lijkt heel wat, maar het is tien procent van het totale aantal fietsen in Nederland. Veruit het merendeel daarvan was afkomstig van verzekerde fietsen, fietsen die door de verzekeringsmaatschappijen verplicht opgenomen werden in het bestand. Slechts enkele tienduizenden Nederlanders hadden vrijwillig hun fiets laten registreren. In die twee jaar waren meer dan twee miljoen nieuwe fietsen verkocht, het aantal ongeregistreerde fietsen was alleen maar gestegen.

Een tweede tegenslag was dat vele gemeenten met een eigen registratie begonnen waren. De lokale acties doorkruisten, hoe goed bedoeld ook, het nationale plan. Daarnaast bleek dat de politie het bestand nauwelijks raadpleegde. Het nationale plan en de lokale initiatieven werkten vrolijk langs elkaar heen met als enig resultaat weinig opgespoorde fietsen en frustratie bij de politie. Aldus de analyse van Regioplan.

bp Je kunt je ook afvragen of het graveren van postcodes en het vrijwillig registreren eigenlijk wel zo'n goed idee was. Vooral de vrijwilligheid wekt enige bevreemding in een tijd dat binnen enkele jaren achter- en zijreflectie voor de fiets verplicht waren gesteld. Verplichte registratie maakt dat nieuwe eigenaren bij een dubieuze transactie zichzelf aanmelden als heler. Maar dat was ook helemaal niet de bedoeling, een registratie met postcodes is op zichzelf al strijdig met een nieuwe eigenaar.

xp Evidente andere nadelen sprongen onmiddellijk in het oog bij het graveren van de fietsen bij een studentenflat: dat leverde een paar honderd fietsen per jaar op met hetzelfde nummer. Om nog maar te zwijgen van andere kleine nadelen, zoals het feit dat aan de fiets het adres van de eigenaar te achterhalen valt. (Het meisje dat haar huissleutel en fietssleutel aan dezelfde bos had zitten, kon na aangifte van fietsdiefstal voor een tweede keer naar het bureau omdat haar huis ook leeggehaald was.) Weg is weg

Om hoeveel gestolen fietsen gaat het in Nederland? RAIen Bovag hebben het enkele jaren geleden laten onderzoeken. Officieel worden bij de politie jaarlijks 140.000 aangiften gedaan, maar dit getal zegt weinig over het echte aantal fietsdiefstallen. Het publiek ziet er de zin al lang niet meer van in. Weg is weg, de politie brengt zelden de fiets terug, aangifte loont niet echt de moeite. De aangiften die wel gedaan worden, houden meestal verband met een verzekering - zonder aangifte geen uitbetaling.

De uitkomst van het onderzoek was dat er jaarlijks 800.000 à 900.000 fietsen gestolen worden. RAIdeskundigen houden het liever op een kleine miljoen, omdat in de enquête geen rekening gehouden werd met de mogelijkheid dat bij een huishouden in het onderzoeksjaar meer dan één fiets gestolen was. Want die mogelijkheid is zeker niet denkbeeldig - alleen in Amsterdam werden afgelopen jaar 250.000 fietsen gestolen, meldde het Amsterdamse Bureau voor onderzoek en statistiek vorige week. Dat is gemiddeld bij 40 procent van de Amsterdammers. Eenderde van de Amsterdammers en inwoners van de randgemeenten zegt wel een fiets te hebben, maar deze niet meer te gebruiken. Redenen: het onveilige verkeer en fietsdiefstal.

De waarde van de 900.000 fietsen werd in 1990 door het WODC(Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van justitie) op 140 miljoen gulden geschat. Hoe realistisch dat bedrag is, is niet helemaal duidelijk. Het komt neer op een gemiddelde waarde van iets meer dan 150 gulden. De gemiddelde nieuwprijs van een fiets is tegenwoordig ƒ 800,-, meer dan het vijfvoudige.

Zou nieuwprijs het uitgangspunt zijn, dan vertegenwoordigt fietsdiefstal een groter bedrag dan autodiefstal. De tienduizend auto's die jaarlijks gestolen worden, kosten bij elkaar zo'n 500 miljoen gulden bij een gemiddelde nieuwprijs van ƒ 50.000. De nieuwprijs van 900.000 nieuwe fietsen zou 720 miljoen gulden bedragen.

Maar geld zegt niet alles. Nog ervan afgezien dat een auto gemakkelijk tegen diefstal te verzekeren valt en een fiets niet (daarover straks) - een pas gestolen fiets trekt een zware wissel op de gemoedsgesteldheid van de eigenaar. Hofland heeft hierover in deze krant voldoende geschreven. Het volstaat om vast te stellen dat de onmogelijkheid om in Nederland een fiets te bezitten sommigen tot razernij brengt. Het zogenaamde "terugstelen' vergroot het probleem maar.

In 1990 stelde het bureau Regioplan vast dat fietsdiefstal en heling steeds openlijker begonnen te worden. Het bureau waarschuwde voor verdere "erodering' van de publieke moraal. In hetzelfde jaar bracht een internationaal vergelijkend onderzoek de media in beroering toen bleek dat Nederland al lang niet meer het goedaardige landje was waarvoor wij het zelf hielden. Nederland was juist het crimineelste land in Europa. Volgens dr. J.J.M. van Dijk van het Ministerie van Justitie, onder wiens leiding het onderzoek stond, was vooral fietsdiefstal bijzonder hoog, driemaal het gemiddelde van de zeventien onderzochte Europese landen.

Maar er was één geruststelling: met weglating van fietsdiefstal - alsof het zoiets betrof als nat worden in de regen - voerde Nederland niet langer de lijst aan, Nederland was dan tweede achter Spanje. Met de fietsdiefstal was daarmee ook de politieke belangstelling voor de criminaliteit in Nederland verdwenen.

Actie Spaak

Iets nieuws tegen fietsdiefstal werd er na de Nationale Fietsregistratie niet meer bedacht. In Amsterdam is dit jaar de actie Spaak gaande, waarbij undercover agenten dieven en helers betrappen. Maar actie Spaak blijft beperkt tot het Binnengasthuisterrein, waar dagelijks enkele honderden gestolen fietsen van eigenaar wisselen. De nationale overheid doet over fietsdiefstal het zwijgen toe. Het Masterplan Fiets dat het ministerie van verkeer en waterstaat in 1991 uitbracht, bewijst alleen lippendienst aan fietsdiefstal: "In het jaar 2000 zal het aantal fietsdiefstallen verminderd zijn ten opzichte van 1990'. Er zullen enkele miljoenen guldens besteed worden aan betere fietspaden, stallingen, bewegwijzering, bewustmaking van werkgevers, verplichte vervoersplannen, maar een nationaal plan tegen fietsdiefstal wordt niet meer gemaakt.

De fietser zal dus alles zelf moeten doen. Geduldig draagt hij iedere dag zijn fiets de trap op. Hij koopt een superslot van enkele honderden guldens en hij kan zijn fiets proberen te verzekeren. Dat laatste kan alleen met splinternieuwe fietsen en uitsluitend gedurende de eerste jaren. Verzekeren is bovendien een prijzige aangelegenheid geworden.

Volgens de Consumenten Geldgids van deze maand variëren de premies van ƒ 136,- tot ƒ 394,- voor een standaardfiets van ƒ 1200,-. De premie is afhankelijk van de regio, in de grote steden is de premie het hoogst. Daar kan men nergens onder de ƒ 203,- terecht. De looptijd van de verzekering is meestal gering, van twee jaar tot vijf jaar. De premie moet meestal in zijn geheel vooraf voldaan worden.

Het loont volgens de Consumenten Geldgids de moeite om een goedkope verzekeraar uit te zoeken, er bestaan grote premieverschillen, niet alleen tussen de verzekeraars, maar ook wordt onderscheid gemaakt tussen goedkope en dure fietsen of tussen de verschillende regio's. Sommige premies worden hierdoor lachwekkend hoog. Bij de verzekeringsmaatschappij Interpolis bijvoorbeeld betaalt een Amsterdammer voor een fiets van ƒ 1800,- een premie van ƒ 1048,60 - vooraf te voldoen. Omdat de fiets door gebruik in waarde vermindert, wordt bij diefstal niet eens de nieuwwaarde uitgekeerd.

Sloten en stallingen

Iedereen klaagt over het weer, maar niemand doet er wat aan, luidt een ietwat herfstig grapje. Hetzelfde geldt in Nederland voor fietsdiefstal. Valt er dan niets tegen te doen? Volgens de fietsdeskundigen van TNO, Verkeer en Waterstaat en Justitie zal het heil toch vooral moeten komen van betere sloten en stallingen. Een verplichte registratie om de heling aan banden te leggen wordt niet overwogen. Te duur en politiek niet haalbaar.

Ton Welleman, coördinator van het Masterplan Fiets: "Middelen en doel moeten met elkaar in verhouding staan. Een verplichte kentekenregistratie voor fietsen zou betekenen dat er zo'n vijftien miljoen fietsen geregistreerd moeten worden. En ieder jaar komen er 1,3 miljoen bij. Wat kost dat wel niet? En wat brengt zo'n registratie voor een bureaucratie met zich mee? Het lijkt ons dat de burger er meer last dan gemak van heeft.'

Maar is dat wel zo? Vorig jaar is onder groot protest van de boeren bij vijf miljoen koeien een systeem met oormerken ingevoerd. Iedere koe een eigen nummer, op de gele "flappen' is ook nog ruimte voor een streepjescode. De nummers staan geregistreerd in een centraal computerbestand. Hier kan het dus wel! Protest van de boeren en sterfte bij kalveren door oorontsteking worden terzijde geschoven. De oormerken dienen niet zozeer om diefstal te beperken, maar voor kwaliteitsbewaking van het vlees. Voor de kosten en de moeite maakt dit natuurlijk niets uit.

En het ministerie van landbouw gaat nog een stapje verder. Binnenkort zullen de 14 miljoen varkens geregistreerd worden, waarschijnlijk met behulp van "smart chips' die onder de huid gemplanteerd worden. Varkens worden in Nederland niet oud, een fokzeug een paar jaar, een vleesbig negen maanden. Gemiddeld wordt een varken dus geen jaar. Ieder jaar zullen er dus zo'n 15 miljoen varkens geregistreerd worden, evenveel als er fietsen in Nederland zijn. En reken maar dat het registratiesysteem voor varkens kostendekkend is.

Wat is er dus tegen een verplichte registratie voor fietsen? Er zijn talloze uitvoeringen denkbaar, maar laten we ons beperken tot een enkel systeem. Hierbij krijgt iedere fiets een metalen ring om het frame die zeer moeilijk te verwijderen is. Voor het "ringen' van 15 miljoen fietsen loont het de moeite om speciale apparatuur te ontwikkelen. Op de ring staat een nummer en een corresponderende streepjescode. De eigenaar van de fiets krijgt een kentekenbewijs met daarop het nummer van de fiets, het merk, framenummer, kleur en overige bijzonderheden. Hij moet het kentekenbewijs thuis goed bewaren. Daarnaast worden de fiets en de eigenaar geregistreerd in een nationale registratie.

Bij verkoop van de fiets zorgt de nieuwe eigenaar ervoor dat dit wordt doorgegeven aan de registratie, een handeling vergelijkbaar met het kentekenbewijs van auto's. Bij diefstal geeft de eigenaar dat ook door. Verlies van het kentekenbewijs, terwijl de fiets er zelf nog is, wordt ook gemeld. De eigenaar kan dan een nieuw krijgen. Ook een beschadigde ring kan worden vernieuwd. Een en ander blijft natuurlijk wel in het geheugen van de centrale computer bewaard.

Naast registratie is ook opsporing noodzakelijk. Opsporingsambtenaren lopen steeksproefsgewijs met een lichtpen langs de streepjescodes van fietsen in grote fietsenstallingen bij spoorwegstation, universiteitsgebouwen, studentenflats, tweedehandsrijwielhandelaren, kortom overal waar de pakkans groot is. Met een onopvallend stickertje aan de gestolen fiets kan de ambtenaar de dieven en helers aan de uitgang van de fietsenstalling opwachten: hoe bent u in het bezit van deze fiets gekomen?

Ongetwijfeld zal van dit systeem een sterke preventieve werking uitgaan. De 900.000 gestolen fietsen worden voor een deel gestolen door mensen die de fiets zelf gaan gebruiken. Maar voor een groot deel komen ze nu terecht bij brave burgers die zichzelf wijsmaken dat zij een eerlijke tweedehands fiets gekocht hebben. Dat wordt anders met een centrale registratie: wie dan een fiets zonder kentekenbewijs koopt, weet maar al te goed dat hij een heler is. En met een kans om tegen de lamp te lopen.

Werkelijk terugbezorgd

Wat zijn de voordelen van dit systeem? In de eerste plaats is de kans dan groot dat een gestolen fiets ook werkelijk terugbezorgd wordt. Dat is nu vrijwel ondenkbaar. Daarnaast zal het aantal fietsdiefstallen ongetwijfeld sterk verminderen. Hoeveel zal vooral afhangen van de pakkans en de wijze waarop het openbaar ministerie fietsdiefstal afhandelt. Als het gaat zoals bij zwartrijden heeft het opzetten van een registratiesysteem niet veel zin.

Als na enkele jaren mocht blijken dat het aantal fietsdiefstallen echt aanmerkelijk is afgenomen, hoeven de rijwielbezitters niet langer een ijzerwinkel aan dure sloten met zich mee te zeulen, de fietsverzekeringen kunnen weer omlaag en menige burger die nu in arren moede met de auto naar zijn werk gaat, overweegt weer om eens de fiets te pakken.

Het kan, want de technische middelen zijn er nu: de computers, de streepjescodes en de lichtpennen.

Waterdicht is het registratiesysteem natuurlijk niet. Export van gestolen fietsen bijvoorbeeld valt niet te voorkomen met de open grenzen binnen Europa. Maar het is een klein siepelstroompje vergeleken met de rivier van binnenlandse heling. Bovendien zullen de weggezaagde ringen toch voor een blijvende herkenbaarheid zorgen. Als in Bremen voortdurend Hollandse fietsen met beschadiging opduiken, moet daar toch wat aan te doen zijn.

Voorgelegd aan fietsdeskundigen van TNOen Verkeer & Waterstaat stuit het idee van een verplichte registratie op schokschouderende onverschilligheid. G.K. Tanis van TNOafdeling Voertuigdynamica gelooft dat er technisch niet veel tegenin te brengen valt. De materialen voor de ring zijn vast wel te ontwikkelen, evenals een computersysteem voor vijftien miljoen fietsen. "Maar alles hangt af van politieke wil', zegt hij, "als mensen die administratie teveel soesa vinden, moet je er niet aan beginnen. Een fiets kost een paar honderd gulden. Misschien zullen velen dat te weinig vinden om een papiertje te bewaren en in te vullen.'

Welleman van Verkeer en Waterstaat hoort het registratieplan moedeloos aan - zulke voorstellen heeft hij al zo vaak gehoord. "Weet u wel', zegt hij, "wat zo'n registratieplan kost? Een extern bureau heeft ons eens verteld hoe duur een centraal computersysteem is. Dat kwam op 9 miljoen gulden. En daar komen dan de jaarlijkse kosten van beheer nog bij.' Hij erkent dat niet is uitgezocht wat de jaarlijkse kosten voor een fietsbezitter zullen zijn. Zou een eenmalige leges van 25 gulden voldoende zijn? Niemand weet het.

Welleman ziet ook problemen bij het handhavingsbeleid: "Bij een goed werkend registratiesysteem zullen vele nieuwe misdrijven ter kennis van de officier van justitie worden gebracht. Het is dan maar de vraag wat het parket doet. Als ze overbelast raken, gebeurt er niks. Het zal niet de eerste keer zijn dat het parket een groot deel van de aangiften seponeert'.

En daarmee wordt fietsdiefstal teruggebracht tot een beheerssysteem dat niet tot een oplossing te brengen valt, omdat het een interdepartementale kwestie betreft. "Eén ding is zeker', zegt Welleman, "als zo'n registratiesysteem er moet komen, dan zou dat politiek gedragen moeten worden. Dit is heel wat meer dan een verplichte reflector.'