Te trots om te leuren; Kunstenaars zeven jaar na de kunstacademie

Welke studenten na hun opleiding aan een kunstacademie in staat zullen zijn van hun kunst te leven valt moeilijk te voorspellen. Wel dat het er niet heel veel zullen zijn. Een rondgang langs voormalige leerlingen van de Rotterdamse Kunstacademie die afstudeerden in 1986 laat zien hoe zij schipperen tussen de eisen van opdrachtgevers en hun artistieke integriteit.

Zelf denkt hij tot de tien best verkopende beeldend kunstenaars van Nederland te behoren. Toch is Jaap van den Ende (48) voor een deel van zijn inkomen afhankelijk van zijn baan als docent op de Rotterdamse kunstacademie. Aan de talloze jongeren die zich ieder jaar op zijn school aanmelden voor het toelatingsexamen laat hij steevast weten: “Geld verdienen zit er niet in. Je kiest voor een soort hobby.”

Een rondgang langs leerlingen uit een willekeurige eindexamenklas, die van 1986, van de Rotterdamse academie met de afstudeerrichting autonome kunsten (schilderen, tekenen en ontwerpen) leert dat de meesten van hen na zeven jaar nog altijd afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering, of zich genoodzaakt zien extra inkomsten te verwerven in de toegepaste kunstsector of via het werken in opdracht. Sommigen zijn zelfs helemaal afgehaakt. Docent Van den Ende kent het verschijnsel: “Van de dertigers zijn er nog heel wat in de beeldende kunst actief. Maar van mijn generatie - de veertigers - is een groot deel als professioneel kunstenaar gestopt.”

Wie het later zal "maken', valt op de academie moeilijk te voorspellen. Van den Ende heeft studenten onder zijn hoede gehad die tijdens hun studie al exposeerden in Boymans-Van Beuningen, maar van wie hij later nooit meer iets hoorde. “Daar worstel ik permanent mee. Ik steek soms mijn energie in het begeleiden van kunstenaars die zich uiteindelijk niet in het vak blijken te kunnen handhaven.”

De voorkeur van kunststudenten voor een bepaalde richting verloopt in een golfbeweging, zegt Burgert Konijnendijk, coördinator autonome kunsten aan de Rotterdamse kunstacademie. In de jaren zestig waren schilderen, tekenen en beeldhouwen veruit het populairst. Inmiddels is dat beeld volledig veranderd. De overgrote meerderheid - 460 van de 660 studenten - kiest nu voor een opleiding in toegepaste kunsten. Vooral de secties grafische vormgeving en interieur/architectuur/design zijn in trek. Volgens Konijnendijk speelt de economische recessie een duidelijke rol bij deze verschuiving.

Hoe kunstenaars hun werk aan de man moeten brengen, leren ze op de academie niet. “We trachten onze studenten bij te brengen hoe ze hun werk moeten verwoorden”, zegt Konijnendijk. “Maar het op een doeltreffende wijze behartigen van de public relations kunnen we ze niet leren. Dat zit erin of dat zit er niet in.”

Marianne Bakelaar (32) viel na de voltooiing van haar opleiding in het door docenten herhaaldelijk gememoreerde zwarte gat. “De academie is vrij elitair,” meent ze. “Je leest veel kunstboeken, je ziet topkunst, het beste van het beste. Je voelt je heel wat. Maar zodra je van de academie af komt, merk je dat je helemaal onder aan de ladder staat.”

Hanneke Breuker (38) maakte een bliksemstart. Haar eindexamenwerk belandde bij Boymans-Van Beuningen en een van haar destijds geëxposeerde schilderijen ging voor drieduizend gulden van de hand. Maar daarna kocht geen museum of galerie haar werk meer aan. Nu verkoopt ze gemiddeld een à twee keer per jaar een van haar werken, altijd aan particulieren. Persoonlijk contact met genteresseerden vindt ze belangrijk. Onlangs bestelde iemand bij haar "graag iets groots, om een stuk lelijke muur mee te bedekken'. Breuker: “Met die man heb ik ruzie staan maken. Zo iemand mág mijn werk gewoon niet kopen.” Hoewel ze exposeren essentieel acht - "kunst is communicatie' - hanteert ze geen actief pr-beleid. “Ik ben te trots om met mijn werk te gaan leuren.” Een aantal van haar schilderijen zal ze nooit verkopen. “Die heb ik nodig om te weten waar het allemaal over gaat. Misschien klinkt het erg romantisch maar ik denk dat die doeken over honderd jaar nog hun kracht zullen hebben.”

Chaos

Breuker behoort met zeventien andere beeldend kunstenaars tot het kunstenaarsinitiatief Duende. Sinds haar afstuderen werkt ze in een atelier dat is gevestigd in een gekraakte Rotterdamse school. Voor het gebouw staan containers, afval dwarrelt rond. De centrale verwarming functioneert niet meer. Ondanks de chaos in en buiten het verwaarloosde gebouw maakt haar atelier een georganiseerde en opgeruimde indruk.

Breuker maakt schilderijen met, zoals ze het zelf omschrijft, "Mondriaan-achtige vlakken'. Net als veel andere afgestudeerden van de kunstacademie staat ze ingeschreven bij het Rotterdamse Bureau Zelfstandigen. Daar ontvangen kunstenaars in principe voor vijf jaar een uitkering, waarbij hun verdiensten worden ingehouden. Ieder jaar dient de balans te worden opgemaakt; de ingeschreven kunstenaars krijgen drie jaar de tijd om winst te maken.

In samenwerking met een architect ontwerpt de Rotterdamse kunstenares balies, meubilair en bewegwijzering. “Ik probeer dat zo autonoom mogelijk te doen en beschouw die ontwerpen als een verdieping van mijn werk. Ik ga nog liever brood verkopen dan dat ik iets maak waar ik niet achter sta.” Ze wijst in dat verband op de advertenties in het vakblad "BK-informatie': “Wij willen een beeld van drie bij vier, vandaalbestendig, oranje van kleur en gemaakt van baksteen, waarin de identiteit van onze instelling duidelijk tot uiting komt.” Op dergelijke opdrachten schrijft ze principieel niet in. “Zeker, er zijn kunstenaars die zich nadrukkelijk op de markt richten. Misschien is hun werk technisch perfect maar ik beschouw het toch als decoratie en niet als kunst.”

Voor Breukers ex-studiegenote Marianne Bakelaar is toegepaste kunst in de loop der tijd steeds belangrijker geworden. Samen met een collega maakt ze muurschilderingen in opdracht. Zo decoreerde ze onlangs de pui van een Schiedamse groentenwinkel. “Zo'n klus tussendoor is interessant. Je staat te werken tussen elektriciens en bouwvakkers. Die zien jou als een vakvrouw. En het verdient goed.” De muren van een dansschool beschilderde ze "met van die landschapjes in weke pasteltinten'. Zonder schroom signeert de Schiedamse kunstenares deze in opdracht vervaardigde schilderingen. “Ik beschouw ze als een volwaardig onderdeel van mijn werk. Tenminste, als ik in mijn ontwerp vrijgelaten word. Iemand vroeg me eens een surfer op zijn slaapkamermuur te schilderen. Dat heb ik niet gedaan.”

Ze stelt dat iedere jaargang op de academie een eigen stijl ontwikkelt en er tijdens de opleiding van onderlinge benvloeding sprake is. In haar jaargang speelde kleur een belangrijke rol, bij de groep van een jaar later waren "smoezelige, met tape vastgeplakte tekeningetjes' populair. Bakelaar maakt vrij realistische etsen en foto's, met als thema's bloemen, planten en landschappen. Ze is als kunstenaar "tamelijk precies'. Op de academie leerde ze "brutaler en losser' te werken. Het heeft haar enkele jaren gekost om een volwassen vorm in haar werk te bereiken. “Nu weet ik wat ik wil. Wat ik maak, moet kloppen en een samenhang vertonen. Kunst die voortkomt uit effectbejag is leeg en stelt inhoudelijk niets voor.”

Tot nu toe heeft ze een enkele keer geëxposeerd op groepstentoonstellingen. “Maar in die tijd was ik nog zoekende, bezig datgene los te laten wat me tijdens mijn studie was opgedrongen.” Ze vindt dat ze nu in principe aan een grotere expositie toe is. Daartoe werkt ze aan een serie etsen en foto's. Maar de toenemende hoeveelheid opdrachten voor muurschilderingen leidt tot een structurele onderbreking van haar autonome werk. “Het gevaar bestaat nu dat ik het oorspronkelijke gevoel kwijt raak en mijn werk geen constante lijn meer gaat vertonen.” Dat ze geen galeries benadert, heeft ook nog een andere reden. “Wat dacht je van de afwijzing? Toch sta ik ik nu stevig genoeg in mijn schoenen. Ik moet er gewoon op af.”

Het aantal kunstkopers en collectioneurs in Nederland is gering. Daar staat tegenover dat het Nederlandse subsidiebeleid nog altijd ruimhartiger is dan elders. Beeldend kunstenaars die voor subsidie of voor werken met behoud van uitkering in aanmerking wensen te komen, moeten aantonen dat ze genoeg doen om hun werk te exposeren en te verkopen. Ook moet er sprake zijn van progressie. Veel kunstenaars menen dat bij de haast per definitie willekeurige beoordeling door subsidiecommissies of sociale diensten persoonlijke voorkeuren de boventoon voeren. Hanneke Breuker: “Als er dan toch gehakt moet worden in het kunstbudget, dan graag ook in die commissies.”

Rop de Graaf meent dat het kunstenaars jaren kost om hun werk te ontwikkelen. “Iemand die net van de academie komt is geen gerijpt kunstenaar. Vlak na mijn afstuderen zag ik mensen om me heen die wanhopig probeerden hun werk te slijten. Wat ze maakten vond ik niet goed maar ik durfde ze daar niet op aan te spreken. Vaak kwam dat werk een half jaar later in de prullenbak terecht. Waren ze er zelf ook achter gekomen dat ze te vroeg waren geweest.”

Alex Meidam (38) en Enno de Kroon (30) hebben jarenlang gewacht al te nadrukkelijk met hun werk naar buiten te treden. Ze stellen dat veel van hun voormalige studiegenoten "hun geld steken in de bekende zwarte presentatiemapjes'. “We zagen zelf dat mooie dia's van slecht werk meer subsidie opleverden dan minder mooie dia's van prachtige schilderijen.”

Regelmatig vormen afgestudeerden van de academies kunstenaarsinitiatieven, waardoor ze zich kunnen presenteren als groep en profileren ten opzichte van anderen. Meidam en De Kroon, mede-oprichters van kunstenaarsinitiatief Dionysus, probeerden zo veel mogelijk kunstenaars van buiten hun circuit binnen te halen en die “met mensen die voor hen van belang waren” in contact te brengen. “De kloof tussen galeriehouders en kunstenaars is groot”, ontdekte het duo. Docent Van den Ende meent dat Nederlandse museumdirecteuren en galeriehouders “de neiging hebben op het eenmaal ingeslagen pad door te draven”. Volgens hem komt het maar zelden voor dat een Nederlandse museumdirecteur zelf een ontdekking doet.

Tijdens een expositie waar werk van hen beiden te bezichtigen viel, kwamen Meidam en De Kroon op het idee te gaan samenwerken. “We begonnen stillevens te schilderen waarbij we het flinterdunne concept hanteerden dat alles in principe eetbaar moest zijn. Uiteindelijk stelde dat thema niet zo veel voor, dus het liep voor geen meter.”. De serie stillevens eindigde met de verbeelding van het Laatste Avondmaal, waarbij het gezelschap eters aan een casinotafel is gezeten. Momenteel maakt het duo kleurrijke, expressionistische schilderijen van aan tafels gezeten personages.

De samenwerking van de twee is zo intensief dat ze zichzelf naar buiten toe niet meer als eenlingen willen presenteren. Ze schilderen en spreken als Meidam De Kroon. Tijdens het schilderen duwen ze elkaar soms opzij en na afloop weten ze niet meer wie welke streek heeft gezet. “Er is dan ook nooit sprake van een laatste streek. Opeens is het af.”

Minimumsalaris

In 1991 kwamen Meidam De Kroon via een collega in contact met galerie Delta in Rotterdam die hun werk is gaan verkopen. Exposities in Keulen, Frankfurt, Gent, Antwerpen en Bazel volgden. In maart was hun werk voor het eerst ook te zien in de Amsterdamse galerie Delaive. Meidam De Kroon menen dat naarmate hun werk evolueert, ze zich met steeds minder galeriehouders moeten inlaten. “Op het moment zijn slechts twee galeries in Nederland belangrijk voor ons en dat resulteert misschien in tien galeries wereldwijd.” Beeldend kunstenaars die echt succesvol willen worden, moeten vooral niet schilderen, menen ze. “Schilderen is tegenwoordig verboden. Iedereen maakt toch installaties?”

Ondanks het begin van hun doorbraak staat het duo nog steeds ingeschreven bij het Bureau Zelfstandigen. Om ieder een minimumsalaris over te houden, moeten ze per jaar meer dan 120.000 gulden omzetten. Het lijkt erop alsof ze dat bedrag dit jaar voor het eerst gaan halen. Als dat toch niet mocht lukken, zullen Meidam en De Kroon hoogstwaarschijnlijk tot de 1200 à 1500 personen behoren die in aanmerking komen voor het "stipendium' in het kader van de door WVC voorgestelde nieuwe regeling voor kunstenaars die in 1994 zijn beslag moet krijgen.

Voor een kunstenares als Marianne Bakelaar betekent het WVC-plan dat ze straks niet meer op dezelfde wijze kan proberen toegepaste kunst te integreren in haar autonome werk. Ofwel ze behoort tot de gelukkigen die een stipendium krijgen en dan dient ze binnen een vastgestelde periode van haar autonome werk te kunnen leven of ze valt in de bestaande bijstandsregeling, inclusief sollicitatieplicht.

Multi-disciplinair kunstenaar Rop de Graaf (33) staat sceptisch tegenover de WVC-plannen. “Niemand is bekwaam om te beoordelen wat kunst is en wat niet. Tegenwoordig is alles kunst, er zijn geen duidelijke grenzen meer,” stelt hij. “Het gaat erom dat je de materie gebruikt met een doel, dat je weet waarom je iets doet. Al is natuurlijk niet iedere kabouterpunniker kunstenaar. Maar het regelmatig exposeren of verkopen van werk zegt in principe niets over de kwaliteit ervan.”

In zijn autonome werk is De Graaf heel consequent. Hij maakt onder meer installaties en meubels en weigert daarbij concessies te doen aan het oorspronkelijke ontwerp. Een door hem ontworpen omvangrijke cd-houder is verkocht, maar de eigenaar heeft er vooralsnog geen plaats voor, zodat het apparaat pontificaal in De Graafs atelier staat opgesteld. Dergelijke "doe-meubels' produceert hij namens de firma Smegma, “genoemd naar die vetachtige substantie op slecht gewassen genitaliën die onder de microscoop zulke prachtige structuren vertoont”. Zijn schilderijen zijn niet gespeend van humor en kenmerken zich door het gebruik van filosofische begrippen en woordspelletjes.

Na zijn afstuderen verkocht hij voor 350 gulden zijn eerste tekening. Maar hij kreeg spijt en besloot zijn eigen werk terug te kopen. Het zou niet bij één keer blijven. Soms betaalde hij zelfs een hoger bedrag dan waarvoor hij zijn tekeningen had verkocht. “Ik kon er gewoon geen afstand van doen.” Inmiddels gaat hem dat beter af. Voor zijn tekeningen bestaat een vaste groep liefhebbers - vrijmetselaars uit diverse landen - die het werk regelmatig aankoopt en hem in de gelegenheid stelt te exposeren.

Zijn schilderijen en installaties vormen de essentie van zijn werk maar die verkoopt hij met veel minder regelmaat. Om het hoofd boven water te houden richtte De Graaf met enkele collega's het muurschilderings-bedrijfje "Ornamentum est' op. In opdracht van Centerparks vervaardigde hij onlangs "Azteekse illustraties' en vorige maand beschilderde hij voor hetzelfde bedrijf een plafond "in vlekkerig zonnig geel in sponstechniek'. De Graaf: “Belastingtechnisch gezien noemen we het kunst, maar zelf hebben we het niet als zodanig ervaren.”

Een belangrijke bron van inkomsten voor De Graaf vormen de cartoons die hij voor diverse opdrachtgevers maakt. “Het is dus waar dat ik extra toegankelijk, extra verkoopbaar werk ben gaan maken.” Vroeger meende hij dat zijn persoonlijke interpretatie van zijn werk uniek was en dat hij dus "de dictator' van zijn eigen kunst was. Nu zegt hij meer afstand te kunnen nemen, zodat de blik van een willekeurige kijker evenveel waard is als de zijne. In zijn autonome werk past hij zich nog altijd niet aan, maar in zijn cartoons en tekeningen is hij bereid concessies te doen. “Ik ben milder geworden. Vroeger wilde ik voor nog geen drieduizend gulden ook maar iets veranderen. En tegenwoordig denk ik: ach, dat ene lijntje kan best weg.”