Robert Triffin, een bevlogen monetair genie

Tot aan zijn dood heeft Robert Triffin zich doen gelden als een bevlogen econoom. Gewaardeerd om zijn creativiteit, bekritiseerd omdat zijn betrokkenheid bij armoede en ongelijkheid niet bij "de ware monetarist' pasten.

Hoe kijkt iemand aan het eind van z'n loopbaan terug op zaken waarvoor hij of zij zich vele jaren heeft ingezet? Vaak met een berustende glimlach. Zoniet Robert Triffin, de vermaarde Belgisch-Amerikaanse monetaire econoom die onlangs op 81-jarige leeftijd overleed. Misschien bleef die berusting uit doordat hij zichzelf bleef zien zoals de Financial Times hem bij zijn dood typeerde: Triffin, a far-sighted economist.

Waarom is Robert Triffin, die faam verwierf als onvermoeibaar pleitbezorger van hervorming van het wereldgeldstelsel, bestempeld als een visionaire econoom? Welke invloed had hij op monetaire beleidsmakers? Waarom werd hij, ondanks de redelijkheid van zijn voorstellen, toch een soort roepende in de woestijn? Wat blijft er nu of in de toekomst nog overeind van zijn ideeën?

“Triffin was een hyperintelligente man die zeer snel en creatief kon denken en die een uitstekende pen had”, zegt jhr.mr. E. van Lennep, voormalig thesaurier-generaal (1951-69) en hoofd van de OESO (1969-84), die nu als Minister van Staat kantoor houdt op het ministerie van financiën in Den Haag. Hij ontmoette Triffin voor het eerst in 1958, toen Van Lennep net voorzitter was geworden van het dat jaar opgerichte Europese Monetair Comité. Hij herinnert zich Triffin uit die periode al als een man die beleidsmakers met allerlei voorstellen bestookte en als adviseur grote invloed had op Europese politici van formaat, zoals Jean Monnet.

Triffin had toen al naam gemaakt als "vader' van de in 1950 ingestelde Europese Betalings Unie (EBU), die een eind maakte aan het moeizame naoorlogse bilaterale betalingsverkeer en de weg opende naar de door Triffin vurig bepleite Europese monetaire integratie. Ook begon Triffin in die tijd sterk de aandacht te trekken met zijn baanbrekende analyse van de onhoudbaarheid van de naoorlogse goud-dollarstandaard en zijn plan voor fundamentele hervorming van het internationale geldstelsel.

Intensief contact met Triffin kreeg Van Lennep een paar jaar later, toen mede onder invloed van Triffins analyse een internationale discussie was ontstaan over de problemen van handhaving van de Amerikaanse dollar als spil van het wereldgeldstelsel.

De waarde van de dollar werd in die tijd nog door de Verenigde Staten aan het buitenland gegarandeerd door de omwisselbaarheid in goud. Maar aan deze "goudwisselstandaard' zou volgens Triffin onvermijdelijk een eind komen, omdat er op den duur zoveel dollars in buitenlandse handen zouden komen dat de goudvoorraden van de VS onvoldoende waren.

Een vertrouwenscrisis van de dollar kon volgens Triffin echter eenvoudig worden afgewend als de wereld zijn reserves niet langer in dollars, maar in internationale reservedeposito's bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF) zou beleggen. Dat had bovendien als voordeel, aldus Triffin, dat het IMF de internationale geldgroei in de hand kon houden, dat het speculeren met verschillende valuta's werd tegengegaan en dat de bij het IMF gedeponeerde reserves via instellingen als de Wereldbank konden worden aangewend voor de financiering van ontwikkeling in de armere delen van de wereld.

Bij Van Lennep en andere Europese en Amerikaanse beleidsmakers rees begin jaren zestig grote zorg over het doemscenario van Triffin - een ernstige crisis van de dollar en daarmee van het wereldgeldstelsel - maar ook over de remedie die Triffin bepleitte. In gesprekken die Van Lennep had met de Amerikaanse onderminister van financiën Roosa en de Duitse centrale bankpresident Emminger kwam daarom het idee naar boven om met een groep academici met wie Triffin zich had omringd gezamenlijke bijeenkomsten te beleggen.

Pag.14: Onvermoeibaar pleitbezorger voor een ordelijk geldstelsel

Triffin, die na zijn studie in België een beurs had gekregen om in Amerika te promoveren, was in die tijd een invloedrijke figuur. Voordat hij in 1951 aan de universiteit van Yale hoogleraar werd, was hij hoofd van de afdeling Latijns Amerika van de centrale bank van de VS (1942-46), directeur wisselkoerscontrole bij het IMF (1946-48), vertegenwoordiger van het IMF in Europa (1948-49) en Amerikaans bestuurslid van de Europese Betalings Unie (1950-51). Vanaf 1951 werd hij voor tal van landen, internationale instellingen en ook voor de Amerikaanse presidenten Truman, Eisenhower en Kennedy een belangrijke adviseur. Ook Triffin vond het een aantrekkelijk idee regelmatige bijeenkomsten te hebben met vooraanstaande beleidsmakers.

Zo ontstond in 1963 de zogenoemde Bellagio-groep, die gedurende de jaren zestig geregeld bijeenkwam. Hierin maakte Van Lennep de enorme creativiteit en bevlogenheid van Triffin van nabij mee. “Triffin was een man die meer dan alle anderen in de Bellagio-groep een vruchtbare pen had. Zelfs gedurende zo'n vergadering kwam hij nog met nieuwe papers. Hij bruiste van de ideeën. Ze waren niet allemaal even bruikbaar, maar altijd interessant. Daardoor had hij gezag. Want terwijl anderen zich een beetje behoedzaam opstelden, kwam hij met z'n ideeën naar voren. Hij had absoluut een grote invloed op de discussie”, aldus Van Lennep.

Ondanks het respect dat Triffin afdwong, had hij ook een eigenschap die afbreuk deed aan zijn gezag in monetaire kring, vertelt Van Lennep. Hij was soms te emotioneel betrokken bij armoede en ongelijkheid in de wereld. “Het was absoluut een asset van hem dat hij een idealist was. Daardoor had hij de gave van de overtuiging. Maar zijn emoties waren niet de emoties die een monetaire deskundige op de voorgrond mag laten komen. Als je een monetaire man bent, mag je niet je verdriet over de armoede of over recessies laten prevaleren. Dat soort nevendoelstellingen kun je niet nastreven met je monetaire instrumenten. Prijsstabiliteit - dat is het wezen van de monetaire politiek. En in het gevecht van de monetaire mensen tegen alle welwillende goeddoeners in de wereld, trof je Triffin soms opeens aan de andere kant van de tafel. Dat heeft zijn gezag in de ogen van de echte monetaire mensen geen goed gedaan.”

Toch sprak de analyse van Triffin zozeer aan dat de toenmalige president Kennedy hem vroeg toe te treden tot de raad van economen die de Amerikaanse president adviseert, de Council of Economic Advisers. Amerika's monetaire beleidsmakers waren eerst tegen de ideeën van Triffin, maar halverwege de jaren zestig werden ook zij aanhanger van zijn voorstel tot vorming van een internationale reserve-eenheid. Hoewel ook veel Europese beleidsmakers overtuigd waren van het gelijk van Triffin, vreesden ze tegelijkertijd dat de Verenigde Staten (en Groot-Brittannië) misbruik zouden kunnen gaan maken van een door het IMF te creëren nieuwe reserve-eenheid. In de discussies die gedurende de jaren zestig binnen de G-10 - de groep van tien rijkste landen waartoe ook Nederland behoort - over het reserveprobleem werden gevoerd stelden zij zich daarom terughoudend op. Van Lennep: “De conditie die wij Europeanen stelden was: we willen dat nieuwe geld pas creëren als we eerst zeker zijn dat het niet wordt gebruikt tot voortzetting van Amerikaanse en Engelse betalingsbalanstekorten.”

Ook was men in Europa bang, dat de ontwikkelingslanden zo'n internationale reserve-eenheid als gemakkelijk verkrijgbaar geld zouden zien. “Wij hebben getracht te voorkomen dat die hele discussie in de macht van de ontwikkelingslanden zou geraken. Daarom waren wij aanvankelijk ook tegen het IMF als forum, omdat daarmee sterkere druk zou ontstaan op de rijke landen om geldcreatie ten gunste van arme landen te laten plaatshebben”, aldus Van Lennep.

De onderhandelingen over een nieuwe reserve-eenheid binnen de G-10 leidden in 1970 wel tot een eerste stap op weg naar uitvoering van Triffins voorstellen - uitgifte door het IMF van de zogenoemde SDR, Special Drawing Right - maar het stelsel bleef gebaseerd op de Amerikaanse dollar. Pas eind 1971 leek het er even op dat het Triffin-plan alsnog werkelijkheid zou worden. Toen was de ernstige dollarcrisis uitgebroken die Triffin al in 1957 had voorspeld. De Amerikaanse regering loste deze op door een eind te maken aan de omwisselbaarheid van de dollar in goud. Ook de tweede pijler van het na de oorlog overeengekomen wereldgeldstelsel werd onderuit gehaald. Vaste wisselkoersen bleken, met de opkomst van sterke valuta als de Duitse mark en de Japanse yen, niet langer houdbaar. Op de jaarvergadering van het IMF in 1971 vroegen de lidstaten daarom zo snel mogelijk een rapport op te stellen om "de gevaren van instabiliteit en wanorde' het hoofd te kunnen bieden.

Het rapport waarmee het IMF in 1972 kwam stelde een hervorming van het internationale geldstelsel à la Triffin voor. Verdere onderhandelingen tussen industrie- en ontwikkelingslanden resulteerden in 1974 tot de aanname van een Outline of Reform. Maar inmiddels was de wereld, door enorme betalingsbalanstekorten van Amerika en het gebruik van de dollar als betaalmiddel voor de in 1973 sterk in prijs gestegen internationale oliehandel, meer dan ooit overspoeld met Amerikaanse dollars. Daarmee bleef de dollar de spil van het systeem en kwam van het hervormingsvoorstel niets terecht. Triffins droom werd geen werkelijkheid.

Toch bleef hij onvermoeibaar zijn plan bepleiten. De in Amerika wonende gepensioneerde Nederlandse monetaire beleidsman dr. T. de Vries, die belangrijke functies bij De Nederlandsche Bank, de EEG en het IMF bekleedde, herinnert zich dat nog levendig. “Als je een functie had die iets met zijn plannen te maken had, kwam hij altijd op je af of nodigde hij je uit. Zo heb ik in Yale wel eens bij hem gelogeerd. Hij had een huis met van die mooie Franse openslaande deuren. Daar heeft hij me heel plezierig ontvangen en natuurlijk geprobeerd te indoctrineren. Zijn plan werd weer eens helemaal uitgelegd, de laatste statistieken erbij gehaald - waaruit bleek hoe ongecontroleerd de geldcreatie in de wereld gebeurde - en die kreeg je dan weer mee.”

Een andere Nederlander die met Triffins enthousiasme te maken kreeg, is professor J. Tinbergen. Toen Tinbergen, als hoofd van het internationale RIO-project, in 1976 het gelijknamige rapport Reshaping the International Order uitbracht, was Triffin de deskundige die hij had aangezocht om de belangrijke eerste paragraaf over de noodzakelijk geachte hervorming van het wereldgeldstelsel te schrijven. Tinbergen herinnert zich Triffin als “een heel kundige man, die een duidelijk doel voor ogen had en goed wist uit te leggen hoe dat bereikt kon worden”.

Ook dr. H.J. Witteveen, voorheen minister van financiën en managing director van het IMF, spreekt met veel waardering over Triffin. “Hij was een briljante denker op monetair terrein”, zegt hij. Witteveen is het van harte eens met Triffins pleidooi voor een ordelijker en gelijkwaardiger internationaal geldstelsel. Maar hij vindt wel dat Triffin zich de laatste jaren misschien wat te veel vastbeet op zijn eigen hervormingsvoorstellen en te weinig oog had voor andere ideeën.

Veel internationale monetaire deskundigen blijven een van Triffin voornaamste bezwaren tegen het huidige wereldgeldstelsel delen: de mogelijkheid die het de Verenigde Staten en andere reserve-valutalanden biedt om meer uit te geven dan ze beparen. Daardoor zit er een ingebouwde tendens tot inflatie in het systeem. Het gebrek aan betalingsbalansdiscipline voor reserve-valutalanden is volgens jhr.mr. Van Lennep nog steeds een wezenlijk probleem.

Van Lennep: “Besparingen en investeringen behoren in evenwicht te worden gebracht, dat is iets wezenlijks. Helaas hebben we het probleem in de jaren zeventig opgelost door het niet op te lossen, want de Amerikanen zijn gewoon doorgegaan met hun betalingsbalanstekorten.

“Triffins ideeën over het creëren van geld via het IMF hebben door de feitelijke ontwikkelingen minder relevantie gekregen. Maar als Amerika erin zou slagen z'n betalingsbalanstekort weg te werken, dan komt het Triffin-probleem weer naar boven. Waarom? Omdat het dan dubieus is dat Amerika in de internationale geldvoorziening kan blijven voorzien. Ik zie op termijn toch altijd een Triffin-probleem blijven bestaan: hoe kan men internationale inflatie of deflatie voorkomen.”

Triffin zelf vond het, vooral de laatste jaren, moeilijk om in neutrale, monetaire termen over dit probleem te spreken. Het internationale monetaire systeem betitelde hij bij voorbeeld als "het internationale monetaire schandaal'. In een van zijn laatste optredens, eind 1991 op een internationale conferentie in Washington, schuwde hij er zelfs niet voor zijn paper de titel te geven The International Crime of Central and Commercial Banks. Triffin wees in deze conferentie, waarvan een verslag verscheen in het IMF-periodiek IMF Survey, nogmaals op de in het huidige stelsel verankerde inflatiespiraal als "het meest rampzalige defect van het systeem'. “Reserves (dollars, enz.) worden opnieuw belegd in de landen waar ze vandaan komen en stimuleren regeringen om door te gaan met hun door het buitenland gefinancierde tekorten, en commerciële banken om hun zaken uit te breiden door klanten te stimuleren om nu huizen, auto's, vakanties in Florida enz. te kopen... en later te betalen.” Triffin becijferde, dat in de periode 1987-90 viervijfde van het 500 miljard dollar belopende tekort op de Amerikaanse betalingsbalans door het buitenland was gefinancierd.

Ook herhaalde hij nog eens hoe schandalig het reservestelsel uitwerkt voor ontwikkelingslanden. Hij rekende uit dat zij - met de noodzaak om reserves in dollars en andere reservevaluta aan te houden - meer dan 300 miljard dollar hebben gestopt in de financiering van betalingsbalanstekorten van de rijke industrielanden. “Dit is natuurlijk in strijd met het gezonde verstand en met de vrome wens die van tijd tot tijd door de Verenigde Naties wordt uitgesproken dat de rijke, meer gendustrialiseerde landen zullen helpen bij de financiering van ontwikkeling in de arme, minder gendustrialiseerde landen”, aldus Triffin.

In een van de gesprekken die ik met Robert Triffin had, vroeg ik hem eens of collega's hem nog wel serieus namen als hij steeds dezelfde waarheid bleef verkondigen. Zijn antwoord was: “Sommigen vinden dat ik mezelf alleen maar herhaal. Maar als het belangrijkste probleem steeds hetzelfde blijft, kan ik toch niet iets anders gaan zeggen!”

Vanavond zendt de Belgische zender BRTN2 om 20.40 uur onder de titel "Het Triffin-dilemma' de eerste aflevering uit van de serie "Erger dan Liefde' over de monetaire geschiedenis sinds Bretton Woods.