Maat en rijm zijn tovertrommen; Hendrik de Vries, Goya in Groningen

Hendrik de Vries schreef gedichten in het Nederlands en in het Spaans. H. Brandt Corstius: “Mij lijken die Spaanse gedichten inferieur aan al het andere werk van De Vries.” Nu zijn in één deel van tweeduizend bladzijden de tweeduizend gedichten die De Vries in ruim zeventig jaar schreef, bijeengebracht.

Muziek heeft het grote voordeel dat er geen betekenis in zit - je kan onbekommerd luisteren, wat je ouders ook spraken.

Taal heeft het grote voordeel dat er betekenis in zit - je kan zonder moeite horen wat je ouders zeggen.

Vaak is geprobeerd om Taal en Muziek met elkaar te kruisen. Soms wint Muziek - dan is het opera. Soms wint Taal - dan is het proza.

De dichter neemt vormprincipes uit de muziek (herhaling van klanken, ritmische patronen) en past die toe op zijn verbaasde moedertaal.

Elke dichter gelooft in zijn eigen heilig wapen: niet rijmen (Catullus), wel rijmen (Racine), geen vreemde woorden (Nijhoff), wel vreemde woorden (Achterberg), zinnen maken (Aafjes), geen zinnen (Lucebert), helder zijn (Schmidt), moeilijk zijn (Dèr Mouw). Dat maakt dichters of onvergelijkbaar of epigonen.

De dichter Hendrik de Vries schreef het zoetste kindergedichtje, het angstigste kindervers, het verwrongenste poëem en het domste rijmpje. Ze staan van onder naar boven hiernaast.

Hendrik de Vries kon niet niet rijmen. Zijn stadgenoot Marja vertelt over een vooroorlogse vergadering over hulp aan Duitse joden. Ene mijnheer Ali Cohen vindt dat Duitse joden geen hulp waard zijn. Hendrik de Vries staat op en zegt: als de spreker zijn zin krijgt:

komen alle Ali's

achter de tralies

en alle Cohens

over de grens

Na het algemeen gelacht roep de arme Ali: “Is dit een insinuatie?” De Vries: “Ja! Tot heil der natie!”

Toen Marja dit verteld had, dichtte De Vries:

...En dat scherp

Gezegde, toen een jood zijns broeders vilders

Kwam prijzen, uitte ik in een kring van schilders,

dus geen “vooroorlogse vergadering

Voor hulp aan Duitse joden''...

Marja's anecdote was dus in essentie waar.

Vestdijk klaagde eens dat De Vries zijn naam had gerijmd met pestlijk. De Vries antwoordde met dit Troostwoord:

Beschouw, o Vestdijk, 't grif erkende misbruik

Uws naams als gril van 't ongenadig noodlot:

Woord kleeft aan woord, als klispruik tegen klispruik.

't Kan kwetsen als de zijspat van een schrootschot.

Dus troost u: zo de vangst iets minder fris ruik',

Zo wijt het aan het rijm: des duivels visfuik.

Ik heb alle bundels van Hendrik de Vries en lees er vaak in. Mijn favoriet is Toovertuin uit 1946. Friedländer maakte er voor Stols een, hoewel op oorlogspapier, prachtig boek van. Nu zijn in één deel van tweeduizend bladzijden de tweeduizend gedichten die De Vries in ruim zeventig jaar schreef, bijeengebracht. In een boekwinkel hoorde ik Wouter van Oorschot roepen dat het een misdaad was om zoveel pagina's in één band te persen.

“Maar zo krijg je de hele De Vries voor honderd gulden”, zei ik. “Ja”, gaf hij toe, “bij mij was het duurder geworden.”

Zijn vader heeft in 1964 de bundel Iberia (“dat soms iets van Annie Schmidt heeft / ook wel klinkt naar Bilderdijk”) prachtig laten uitvoeren door Helmut Salden. Die schoonheid van stevige zwarte letters op ruim wit papier kon Kees Nieuwenhuijzen niet bereiken, maar met zijn roodgeel lint (de Spaanse vlag), de kale uitvoering (zelfs de jaartallen van de dichter worden niet gegeven) en de twee foto's van de dichter op zijn 17de en 87ste is het een verrukkelijk boek, ook al had ik de twee regels van pagina 572 nog op 571 gedrukt - twee pagina's winst!

De Verzamelde Gedichten heten deel I van het Verzameld Werk. Wat er in het volgende deel, of de volgende delen, komt, staat nergens. Zijn poëziekritieken? Die zijn al op rijm, en dus hier opgenomen. Al zijn in proza geschreven werk gaat over poëzie. Vooral de twee bundels Vers tegen vers, waarin De Vries steeds twee gedichten over hetzelfde onderwerp vergelijkt, verdienen een herdruk.

De vijfentwintig bundels die in 59 jaar verschenen, zijn hier verzameld. Daarnaast zijn er nog tweehonderd verspreide gedichten, die de samenstellers uit alle hoeken en bladen tevoorschijn hebben getoverd. Er is een register van titels en beginregels (waaronder de beginregel Mijne Heren opvalt, waarmee Schierbeek in 1952 een ingezonden brief tegen De Vries begon. Vergissing of grapje?)

Er is zelfs een niet-bestaande bundel Fragmenten uit een onvoltooide levensroman samengesteld uit gedichten die De Vries voor een autobiografie, in dichtvorm natuurlijk, schreef.

En dan is er een bundel die De Vries schreef in een andere taal.

Aan de uiterste rand van Europa, als een teennagel van het Romeinse Rijk, ligt een vierkant stukje desolate grond, aan een zij bespoeld door slappe golfjes van een aftreksel van de Atlantische Oceaan. Meestal waait een onbarmhartige wind. De bewoners van het godvergeten nergensland zijn nooit echt gekerstend. Ze zijn arm en hard en stug en stil. Ze hielden niet, zoals de Friezen en Basken, hun eigen taaltje vast - ze spreken de taal van hun bezetters, maar minder vloeiend. Vergis u echter niet in deze ruwe boeren: onder hun norse zwijgen brandt een fel vuur, dat zich binnenshuis uit in wilde dansen, hekelende verzen, hartstochtelijke daden. Meer dan het van buiten opgelegde kruis vereren zij het rund, in de vrouwelijke (Groningen) of mannelijke (Spanje) vorm.

Onze hispanisten zijn Groningers. De vader van Hendrik de Vries die dertig talen kende, wilde geen Spaans leren, vanwege Alva. Hendrik, die elke zomer in Spanje doorbracht, kwam daar na 1936 niet meer, vanwege Franco.

Als Hendrik de Vries niet iberomaan was geweest, zouden wij geen weet hebben van de Spaanse volkspoëzie, die hij in honderden copla's vertaalde.

In 1971 ging Hendrik de Vries als Enrique de Vries dichten in de Spaanse taal. Jammer dat Cantos Extraviados del espanol groninguense Enrique de Vries niet in Madrid maar in Zaandijk verscheen, want ik had er graag Spaanse poëzieliefhebbers over gehoord.

Mij lijken die Spaanse gedichten inferieur aan al het andere werk van De Vries. In deze uitgave kunnen we ze voor het eerst in een Nederlandse vertaling, van Hub. Hermans en Ard Posthuma lezen. Het lijkt me geen toeval dat de enkele gedichten van welke we de door De Vries geschreven Nederlandse versie bezitten, de beste zijn. Zou een hispanist eens kunnen bewijzen dat die gedichten eerst in het Nederlands geschreven waren?

Extraviados uit de titel wordt vertaald als: verdwaalde, maar mij lijkt op het verkeerde pad geraakte, zoekgeraakte, verwilderde, buitensporige gedichten een betere kenschets.

Het is goed dat De Vries de Nederlandse vertaling van zijn buitenweegse verzen niet heeft hoeven zien.

Rijmt Groningen op kom zingen? Nee. Betekent Verduga. Mi padro el reo: “Wurgster. Mijn vader is niets ontgaan”? Nee. “Beulin. Mijn vader de veroordeelde”, zou ik zeggen.

Er is een kwatrijn dat gebaseerd is op de twee betekenissen van het Spaanse woord estro (van het Griekse oistros, dat zowel horzel, steek als impuls, inspiratie betekent). De vertalers laten het woord staan en rijmen:

Vervoering omvat twee dingen;

"El estro' betekent de mijt:

Die het vee in de flanken bijt,

Maar ook het bevleugelde zingen.

Heeft een mijt vleugels? Ik zou voor een vertaling de gelijkklinkende woorden mijt/meid kiezen:

Je hebt twee soorten meit

Ten eerste de mijt

Die de koeien bijt

en dan: de muze die mij bevrijt.

Elders maakt De Vries ook gebruik van het paar vlij/vlei. De redacteuren zien het als een spelfout, maar ik geloof dat niet.

(Als u het ook wil proberen. Het kwatrijn is: Los dos géneros del estro: / Primero: la garrapata / Que a los ganados maltrata. / Segundo: el duende del maestro.)

Natuurlijk voelen muzikale dichters als Bilderdijk, De Vries en Lucebert zich ingeperkt door de taal die ze van hun ouders erfden. Maar elke andere taal bezit evenveel inperkingen, en vooral: behalve de taal erfden Willem, Hendrik en Lubertus ook de Hollandse kinderrijmpjes, kinderangsten, kinderkoloniën. Ze hebben nu eenmaal niet de beschikking over een andere taal, zoals Shakespeare geen filmcamera en Erasmus geen computer had.

Misschien zijn er twee totaal gescheiden poëzieën in Nederland. De poëzie van Vondel en Nijhoff en Gorter, die intrinsiek-Nederlands is, zoals de schilderkunst van Vermeer, De Hoogh en Mondriaan dat is, en de poëzie van Bilderdijk, De Vries en Lucebert, die even toevallig Nederlander zijn als de schilders Rubens, Van Gogh en Appel.

Bij schilders doet de geboorteplaats er weinig toe. Bij dichters bepaalt de geboorteplaats hun instrument. Het wonderlijke is nu dat de echt-Nederlandse dichters als Vondel en Gorter heel goed vertaald kunnen worden, terwijl dat met de on-Nederlandse poëzie van De Vries en Lucebert bijna onmogelijk is.

Over de dichttechniek heeft De Vries veel geschreven, in zijn kritieken op andere dichters. Over zijn eigen poëtica komen we weinig te weten. Ook in de beschouwingen van anderen worden juist de niet-de Vries-e elementen in zijn werk benadrukt. Zoals het Spaanse. Zoals de heks van een moeder. Zoals de taal van het gedicht Daar is dat oppakkershuis, o wee, waarvan nu juist vast staat dat De Vries hier goed naar de woorden van een meisje had geluisterd, waardoor het afwijkt van zijn andere werk.

Soms kan een brutale criticus een licht werpen.

Je leest de honderden zwaarrijmende regels van Goyescos, die je in een lichte dut wiegen. Dan is het handig als Gerrit Komrij, in een overigens waarderende recensie in 1971, opmerkt dat hij de twee regels

Eeuwig licht! verwin gestaag

Ook omlaag, en ook vandaag!

smakeloos vindt. De Vries reageert op deze aantijging. Hij is het geheel met Komrij eens! Die regels tonen: “de zwakheid van de onttroonde grootinquistiteur die zich bedwelmt aan de louter traditionele roomse rhetoriek”. Mooi zo. Maar dat betekent dat we ook de rest van de tirade vanaf Licht! Breek toch des twijfels plaag tot een dozijn regels verder Bij 't gewieg der wierookschalen / Uwer trotse kathedralen als roomse rommel mogen beschouwen - iets dat ik zonder Komrij en De Vries niet gedurfd had.

Twee taalprincipes heeft De Vries benadrukt die ik van geen andere dichter ken.

Het eerste is een verbod op naburige woorden met eenzelfde grensklank. De laatste medeklinker van een eerste woord mag niet gelijk zijn aan de eerste van het tweede woord. Anders hoor je geen duidelijke grens tussen de woorden meer.

Een vreemd principe, want de Nederlandse dichter houdt juist van glissando's en plakt graag de woordjes 'k, 't, 'm en 'n aan een buurwoord vast.

Het tweede principe is meer een klacht. Treurig vindt De Vries 't dat 't Nederlands zoveel gebruik maakt van de stomme e, de laatste klinker - als je 'm al klinker wil noemen, in woorden als stomme, klinker, Spanje, Nederlandse, Groningen. In het Spaans komt dat onding niet voor, denkt de Vries. Wie probeert zonder stomme e's te schrijven vervalt, klaagt De Vries, in A-spraak, O-sprook en E-legende, maar dat laatste is een vergissing want in E-vertelsels trèft mèn è's, spéélt éé méé, maar kun je ook verrukkelijke stumme e's vinden. De Vries schreef een gedicht zonder stomme e (die achter huisje verdrinkt in in). Waarom loopt Cora niet langs de grasweg en de hooilaan? Omdat ze langs die weg en die laan moet:

Waarom loopt Cora heel vroeg

Die grasweg langs, en die hooilaan

Steil bergop? Zij roept, zij roept

Haar bos-kobold: - Roodbaard, Roodbaard.'

Hoog schuilt hier 't huisje in pril groen.

Uit zijn poort, met braam en doornhaag

Haast onvindbaar - diep omgroeid,

Antwoordt hij luid: - Cora, Cora.'

Voor een Hollands oor zijn de twee principes juist elkaars hulp. Immers: die stomme e staat nogal eens achteraan een woord, en maakt dan juist dat elk volgend woord mogelijk wordt (want een woord begint zelden stom).

Een Engelse zin als Lame men nick coke strijdt bij elke woordgrens met het eerste De Vriese principe. Maar de Nederlandse versie Lamme mannen nemen neutjes ontsnapt juist vanwege die stomme e's. Voor een Gronings oor is dat niet zo, want in Groningen smoren ze de stomme e in meervouden door de n krachtig te laatn hoorn.

De Groninger De Vries zou derhalve Beiden Noren nemen neutje niet in zijn poëzie toestaan. Moet het dan niet beide zijn? Nee, de samenstellers wijzen erop dat eigenzinnige beiden schreef. Terecht lieten zij dat eigenzinnige beiden staan, evenals het even eigenzinnig bepaalde hen en hun. Waarom dan niet vlei en vlij?

Je zou verwachten dat voor de Spaanse poëzie (waar aan woordeinden eerder klinkers voorkomen) De Vries als principe zou hanteren: eindig geen woord met een klinker waarmee het volgende woord begint. Maar in de extravagante verzen vinden we: impetuosa aventura en espacio oscuro.

Zijn Spaanse gedichten ontstonden, vertelt hij, toen hij de twee woorden enebros en tenebrosos in elkaar zag zitten. Hij zet ze achter elkaar in het gedicht Simulacros milagrosos, terwijl hij in een Nederlands vers zo'n gemakkelijk spel nooit zou spelen. Men kan zich een Spaans dichter voorstellen die tegen zijn vadertaal fulmineert omdat al die woorden op o en a zo flauw rijmen.

Over Hendrik de Vries is weinig geschreven. Ik ken alleen de studies van Jan van der Vegt en Willem Wilmink. Die twee zorgden samen met Wim Koops en Dick Leutscher voor deze Verzamelde Gedichten. Over Nij- en Slauerhoff, over Achter- en Herzberg is honderd maal zoveel geschreven.

Zo hoort het. Ook in dit stuk lukt het mij niet iets over de kern van De Vries zijn poëzie te zeggen.

Het is als met Brahms. Je kunt Brahms vergelijken met componisten vóór hem (invloeden, afkeren, overeenkomsten) en met componisten na hem (afkeren, invloeden, verschillen) maar daarmee zeg je niets over de muziek van Brahms. Je hoort Brahms en je denkt: Brahms. Je denkt: Brahms, en je hoort Brahms. Brahms is Brahms.

Wie over Amsterdam wil schrijven, kan er Aalsmeer en Tokio bij halen, maar als Tokio en Aalsmeer door een aardbeving verdwijnen, blijft Amsterdam Amsterdam.

Met De Vries is het als met Brahms en Amsterdam. Als Hendrik de Vries was geboren in Portugal of Japan, dan was hij net zo'n dichter geworden - dat is wat ik wou zeggen met niet-intrinsiek-Nederlands.

Natuurlijk bewondert De Vries Bilderdijk en verafschuwt hij Lucebert. Ik denk dat Hendrik de Vries hier werd bedrogen door de chronologie.

Bilderdijk was dood toen De Vries begon. De Bilderdijkse taal hoort, net als de kinderrijmpjes en schoorsteenhoeden, bij de cultuur van zijn jeugd. Er zijn overeenkomsten tussen het werk van Bilderdijk en dat van De Vries, maar voor mij is Bilderdijk toch meestal een braller, die komisch wordt als hij zijn eigen gebral in de gaten heeft. De Vries bralt nooit. De Vries is ook zelden humoristisch.

Een gedicht waarin de woorden allemaal met een G beginnen, dat moet wel goed geestig gaan. Maar lees hoe De Vries zijn G-string eindigt.

Groene Gojem

Giechelende gekken grijnzen

Geniepige goochelaars gniffelen

Gnuivende gauwdieven glunderen

Gaggelende ganzen geeuwen

Grübelende grapjassen grollen.

Galsterige gildmeesters gijn

Groezelige grondververs grijpen:

Geest en gamma's, groot

Om te ginnegappen.

Een glimworm in de goot

Er goed op trappen.

Hendrik de Vries heeft zich van het begin af aan fel verzet tegen de poëzie van de experimentelen. Het is duidelijk dat hij de Vijftigers moest aanvallen, omdat zij de sluisdeuren openden waardoor de beheersing overliep naar de bedwelming. Alsof Bilderdijk niet zijn hele leven zich bedwelmde! Maar hij deed het op rijm. Het rijm waarvan De Vries in zijn Credo uit 1956 de noodzaak had benadrukt (Maat en rijm zijn tovertrommen... Klankbeperking - Klankversterking).

Wanneer, door een speling van het lot, Lucebert in de vorige eeuw had geschreven, dan zou Hendrik de Vries hem verafgood hebben. Als Bilderdijk een Vijftiger was geweest, dan zou De Vries hem bestreden hebben. Lucebert doet wel of hij zich laat meeslepen door de woorden, maar mij treft juist zijn roeibeheersing in de wilde waterval. Veertig jaar geleden vond bijna iedereen Lucebert een barbaar, nu is hij haast te tam.

Zoals ik in de brallerigheid een groot onderscheid zie tussen De Vries en Bilderdijk, zo zie ik in de beheerste woede een grote overeenkomst tussen De Vries en Lucebert.

Beiden maken muziek van de Nederlandse taal. Beiden houden van Spanje. Beiden tekenen fantastisch. Beiden zijn productief en leven voor niets anders dan dichten en tekenen. Beiden maken geen school.

In de verre toekomst, als geen student meer weet waar Nederland precies lag en niemand de jaartallen van Vries en Lucebert kent, zal een literatuurwetenschapper ze in één stroming onderbrengen.

Rijm en gelijkenis zijn krachtige aansporingen voor dichters en schilders. Maar het worden oorkleppen en oogkleppen als andere dichters het zonder rijm gaan doen en andere schilders niet naturalistisch willen schilderen. De Vries heeft geen begrip, laat staan waardering, kunnen opbrengen voor Lucebert en Picasso, in wie het Iberisch vuur toch heftig brandt.

Toen J.B. Charles eens schreef over “de burgerlijke woede tegen moderne kunst bij de fascisten” trok De Vries zich dat aan. Charles had gezegd dat die fascisten Pyke Koch mooi vonden, voor Prange klapten (Prange was een Picasso-hater in het Parool) en Werkman verafschuwden. De Vries merkte op dat Ter Braak & Du Perron Koch waardeerden, dat Prange de moed had om de dictator Picasso te bestrijden, en dat Werkman van Dostojewski hield. Alles niet erg ter zake. Wel juist, historisch juist, was De Vries, toen hij zei dat de zin van Charles die ik net citeerde, ontleed moet worden als: De burgerlijke woede tegen (moderne kunst bij de fascisten), want de futuristische furie van Italiaanse fascisten als Marinetti was immers van een moderniteit geweest, die de burgers woedend maakte.

Rijm is prachtig - tot het verhindert de kracht van poëzie die niet rijmt, te horen. Gelijkenis is prachtig - tot hij verhindert de kracht van abstracte kunst te zien.

Houdt u van rijm? Dan moet u bij De Vries zijn!

Houdt u niet van rijm? Dan moet u ook zijn bij 'm!

1

Snoezepoes en poezesnoes,

Katteschat en schattekat,

Kattesnoes en schattepoes,

Poezeschat en snoezekat,

Schattesnoes en kattepoes,

Snoezeschat en poezekat,

Maken groot geroezemoes.

Wat een aardig troepje is dat.

2

Het kleine meisje had groot verdriet:

Ze zocht haar moeder en vond haar niet.

De wereld wit en de hemel grauw;

Toen zag ze rook uit een verre schouw.

Ze kwam aan een huis waar doden zaten

Rondom een tafel, alsof ze aten.

Onder de schoorsteen klonk luid gesis.

Daar hing een pot vol kokende vis.

Ze nam de vis en verborg de graten.

De wind huilde door de venstergaten.

3

Geseltangen, die ten hemel zwiepten,

Overbrugden plots de diepste diepten.

Steigers, rulle bollen, schakels hijsend,

Wederzijds, elkanders echo's, krijsend.

Dorentorens. Bessentrossen. Kaarsen

in een krans van zeisen, bloedkorstpaarsen,

Waar de druppels ogenbliklijk rinnen:

Kandelaars van opgerichte vinnen.

4

Liever Jan Gommert

Elburgs verfomfaaid

Woordspel - Rodenko

Bij wiens flamenco

Lorca zich omdraait,

Of Remco Campert,

Hoe schraal die schampert -

Liever zo'n driespan

Met loos gebries, dan

Luizeberts kleren,

Wratten en zweren.

Hendrik de Vries kan

Dergelijke heren

Slecht inspecteren:

Is er te vies van.'

Dit was dan 't vrij uitvoerig afscheid

Aan Lucebert, de durf der lafheid.