Koudwatervrees

EEN DOOR DE Tweede Kamer aan te wijzen formateur. Dat moet het dan maar zijn. Het is het meest tastbare resultaat van de werkzaamheden van de commissie De Koning die heeft onderzocht hoe op landelijk niveau de relatie tussen kiezer en gekozene kan worden verbeterd. Dat de commmissie terugvalt op een mogelijkheid die reeds in 1971 is geschapen, is veelzeggend voor de stand zaken rond de staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing.

De commissie en daarmee een politieke meerderheid (de leden zijn zorgvuldig op partijlidmaatschap geselecteerd) wijst vooral veel zaken af. Verrassend is dat getuige de eerdere discussies niet, teleurstellend is de overheersende koudwatervrees wel.

Vooral de analyse waarop de meerderheid van de commissie zijn gereserveerde houding stoelt, is erg mager. Iets te gemakkelijk wordt gesteld dat het met de problematische verhouding tussen de kiezer en zijn vertegenwoordigers allemaal erg meevalt. Toegegeven, de opkomst bij de laatste landelijke verkiezingen was nog goed, het politiek extremisme heeft in Nederland in tegenstelling tot omringende landen geen verontrustende vormen aangenomen, de leegloop van politieke partijen betekent niet automatisch dat het functioneren van het parlementaire bestel in het geding komt, en een kloof is inherent aan een stelsel dat gebaseerd is op mandatarissen. Maar bij al die gegevenheden kan toch niet worden ontkend dat 'Den Haag' en "de rest van het land' de laatste jaren in verhevigde mate uit elkaar aan het groeien zijn. Dat uit zich niet in protesten, maar eerder nog in onverschilligheid.

OM EEN SIMPEL voorbeeld te noemen: de politiek heeft tegenwoordig de mond vol van 'handhavingsproblematiek'. Het woud van de regelgeving is daar debet aan, maar wat zeker ook meespeelt is dat regels uit Den Haag minder als vanzelfsprekend worden ervaren en de burger zijn gedrag daar ook op afstemt. Als dat wordt vastgesteld, is het woord legitimiteitscrisis misschien wat zwaar aangezet, maar van een legitimiteitsprobleem is dan wel degelijk sprake. Waar de betrokkenheid van de kiezer afneemt, (wat iets anders is dan de vierjaarlijkse gang naar de stembus) hebben de gekozenen de plicht zeer kritisch naar zichzelf te kijken. Dan kan de zelftwijfel niet groot genoeg zijn. Sussende analyses zijn dan eerder een bevestiging dan een oplossing van het probleem.

De commissie De Koning wijst, zoals was te verwachten, de direct gekozen minister-president af. Dat is jammer voor D66, maar voor het overige is ondanks de toegenomen aanhang van die partij een schok door het land uitgebleven. Het is dan ook de vraag of de oplossing uit 1966 nog wel de oplossing voor 1993 is. Theoretisch heeft Van Mierlo natuurlijk nog steeds gelijk, wanneer hij constateert dat het niet klopt dat de kiezer wel een stem heeft voor controle op de uitvoerende macht, maar geen stem voor de macht zelf. Maar praktisch heeft die constatering veel minder waarde nu de politieke werkelijkheid zo is geworden dat de kiezer wel degelijk zijn voorkeur voor de gewenste premier kan uitspreken nu deze ook figureert als lijsttrekker.

Het lost het probleem van Van Mierlo niet op (de kiezer houdt maar één stem), maar maakt het wel wat minder manifest. Dat zou hem toch te denken moeten geven, want voordat hij het weet gaat de gekozen premier voor hem fungeren als een molensteen.

DE UITSPRAKEN van de commissie De Koning over de door de Tweede Kamer aangewezen formateur zijn met het oog op de komende formatie niet zonder betekenis. Want in tegenstelling tot de afgelopen formaties belooft de samenstelling van de nieuwe coalitie weer een geheel open kwestie te worden. Zoals de zaken er nu voorstaan blijven vóór de verkiezingen uitgesproken voorkeuren uit. De 'handen-vrij-politiek' die vroeger de christen-democratische partijen werd verweten, dreigt nu een instrument van alle grote partijen te worden.

Maximale vrijheid voor de onderhandelaars prevaleert boven duidelijkheid vooraf aan de kiezer. Dat belooft dus een lange formatie te worden, waar met een subtiel spel van loven en bieden partijen in en buiten de boot kunnen worden gehouden. Een spel waar - het kan niet vaak genoeg worden benadrukt - geen kiezer meer aan te pas komt. Een wettelijk opgelegde verplichting waarbij de Tweede Kamer binnen een week nadat zij in nieuwe samenstelling bijeen is gekomen een voordracht doet voor de benoeming van een formateur, noopt de partijen in elk geval binnen afzienbare tijd een duidelijke keuze te etaleren. Een voorwaarde is wel dat het een wettelijke verplichting wordt, en dat de Kamer nadat de door haar aangewezen formateur eventueel is mislukt, opnieuw een formateur aanwijst. Vrijblijvendheid zou slechts leiden tot een herhaling van de deprimerende gang van zaken uit 1972, toen de Kamer het niet eens kon worden over een meerderheidskandidaat en noodgedwongen terugviel op de oude procedure.

DAT DE COMMISSIE De Koning afziet van een districtenstelsel in welke vorm dan ook, hoeft niet te worden betreurd in een land dat praktisch de omvang heeft van een district. Maar te voorzichtig is de commissie als het gaat om de betekenis van de voorkeurstem. Het voorstel om de huidige drempel van 50 procent van de kiesdeler te verlagen naar 25 procent stelt materieel nauwelijks iets voor. Een iets gedurfder stap, verwoord in een minderheidsstandpunt van een van de leden, waarbij kandidaten met 10 procent van de kiesdeler verzekerd zijn van een plaats in de Kamer, was beter geweest. In dat geval houden partijen voldoende zeggenschap over de samenstelling van de lijst, maar krijgt het voorkeursrecht van de kiezer tenminste enig reëel gewicht.

Het ter discussie stellen van de broze relatie tussen Eerste en Tweede Kamer bleek voor de commissie De Koning helaas ook een stap te ver. Het voorstel om de Eerste Kamer het terugzendingsrecht naar de Tweede Kamer te verlenen bij wetsvoorstellen waartegen onoverkomelijke bezwaren bestaan, behelst tevens de voorwaarde dat het eindoordeel aan de senatoren voorbehouden blijft. In feite verandert er dus niets.

Uit de eerste voorlopige reacties van de Tweede-Kamerfracties op het rapport van de commissie De Koning blijkt dat de diverse commissieleden hun eigen partij niet al te veel voor de voeten hebben gelopen. De (meerderheids)-standpunten van de commissie De Koning zijn zodoende tevens de politiek haalbare. Veel is het niet.