Intutieve, ongrijpbare klank Sciarrino komt fluisterend tot leven

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Lucy Shelton, sopraan. Werken van Escher, Sciarrino en Dallapiccola. Gehoord: 29/4 Concertgebouw, Amsterdam.

Stockhausen trachtte het geheim van Feldmans ongrijpbare kunst te doorgronden. Feldman: “Ik duw mijn klanken niet vooruit, dat is alles.” Stockhausen: “Niet een klein beetje, not a teeny peeny?” Feldman: “No.” Stockhausen wilde de tijd meten, maar Feldman voelen. Ook Salvatore Sciarrino heeft een bijzondere relatie met de tijd en evenals Feldman werkt hij niet met panklare recepten (volgens Feldman verdwijnen al die door de techniek geobsedeerde componisten met hun wonderschone schepen en vliegtuigen vroeg of laat in de Bermuda-driehoek van de muziek).

Sciarrino is even uniek als Feldman en even ongrijpbaar, geheel op zijn intutie vertrouwend en het is een grote luxe dat zijn orkestmuziek - die je vrijwel nooit hoort uitvoeren - zo'n centrale rol speelt in de serie C van het Concertgebouworkest. Donderdagavond op het laatste concert kwam Sciarrino's Introduzione all'oscuro tot klinken - tot fluisteren is een betere omschrijving.

Zoals Feldmans muziek de indruk wekt van een epiloog: een trage en uitgedunde muziek als een slotbeschouwing van een ongekende tragedie, zo wekt Sciarrino's muziek de indruk van een nasidderen en uitklinken van een eveneens afwezige "echte' klank.

De Introduzione all'oscuro voor vijf strijkers en zeven blazers brengt weer het van de componist bekende doorblazende geruis van instrumenten als trompet, trombone en hoorn in combinatie met zwevende snel wisselende flageoletten in de strijkers. Maar meer dan in zijn andere composities is hier de trillende beweging, met name in de fagot, prominent aanwezig. Ten slotte voeren zwaar ademende geluiden geheel de boventoon, als in een Franse musique concrète, met klanken als van een onrustbarend onregelmatige hartslag. Binnen elf minuten heeft Sciarrino zijn wonderlijk verhaal verteld, waarnaar je ademloos luistert zonder er een logische structuur in te kunnen herkennen. Waarom boeit het dan toch? Feldman zou zeggen: laat het bij een vraag, antwoorden zijn vaak zo militant, als oorlog...

De uitvoering van Eschers Sinfonia voor tien instrumenten voldeed mij minder: een te kleine bezetting voor de Grote Zaal (en een te grote voor de Kleine), waardoor de neiging ontstaat tot overcompenseren. Fraaie solotrekjes ten slotte troffen in Dallapiccola's Liriche greche, maar daarin vond ik de sopraan Lucy Shelton wel mooi en met begrip voor het typische twaalftoons-belcanto, maar niet altijd voldoende krachtig afstekend tegen het kamerensemble, niet pregnant genoeg.