Ik ben niet zo onder de indruk van Plato; Donald Judd over simpele vormen

“Minimal Art is niet dood: ik leef immers nog?” De Amerikaan Donald Judd maakt sinds de jaren zestig kubussen en rechthoeken van hout, aluminium en gemoffeld en gekleurd staal; daarnaast ontwerpt hij de laatste vijftien jaar meubels en gebouwen. De komende maanden zijn Judds geometrische kasten en stoelen te zien in Rotterdam. “Ik denk dat eenvoudige voorwerpen de mensen tot nadenken stemmen over de aard van de wereld waarin wij leven.”

Donald Judd, meubelen; t/m 20 juni in museum Boymans-van Beuningen Rotterdam. Catalogus: ƒ 59,50 gld.

Warhol en Duchamp noemt hij "de meest overschatte kunstenaars van deze eeuw', zijn vroegere groepsgenoot Frank Stella beschuldigt hij van het maken van "gruwelijke kitsch'. Donald Judd is een kunstenaar die controversiële uitspraken niet schuwt. Zijn eigen werk is beroemd maar niet onomstreden. De jury van de Sikkensprijs, die dit najaar aan hem wordt uitgereikt, roemt zijn "precisie van vorm en zuiverheid van kleur', maar de doosachtige sculpturen die hij vanaf het begin van de jaren zestig maakt, wekken ook irritatie en zelfs woede. Deze Minimal Art wordt niet zelden afgedaan als fantasieloos, dogmatisch en inhumaan.

Tot op de dag van vandaag maakt de Amerikaan Donald Judd (Missouri, 1928) zijn kubussen en rechthoeken van hout, aluminium en gemoffeld en gekleurd staal; daarnaast ontwerpt hij de laatste vijftien jaar meubels en gebouwen, eveneens strikt geometrisch en symmetrisch gestructureerd. Judd studeerde filosofie en kunstgeschiedenis en schreef in de jaren zestig kunstkritieken voor Amerikaanse tijdschriften. De meubels die hij tot 21 juni exposeert in het Van Beuningen-de Vriese paviljoen van museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam, ogen streng. Toch blijken de stoelen met de rechte hoek tussen zitting en rugleuning comfortabeler dan verwacht, terwijl de zakelijke kasten en tafels van metaal in primaire kleuren de expositie vrolijke accenten geven.

Donald Judd is een man die met zachte stem harde dingen kan zeggen. Tussen werkbezoeken in diverse Europese landen en de opening van een expositie in Japan in legt hij, samen met één van zijn persoonlijke assistenten, een bliksembezoek af aan het Boymans om de opstelling van zijn meubels te controleren.

U heeft eens geschreven: wat voor wereld is dit waarin je niet eens een stoel kunt kopen?

“Zo is het allemaal begonnen, het ontwerpen van stoelen en tafels en bedden: gewoon voor mijn eigen huis. Probeer maar eens een stoel te kopen in een winkel. Het zijn of reprises van oude stijlen maar dan veel slechter, of je komt terecht bij het ten hemel schreiende design van Italiaanse makelij. Een meubel is geen kunst en iedereen die probeert dat ervan te maken, haalt twee dingen door elkaar die absoluut gescheiden moeten blijven. Meubels zijn elementair en kunnen niet heel creatief zijn omdat ze functioneel moeten zijn. Hun vorm moet redelijk zijn, niet bizar of extravagant en de proporties moeten harmonieus zijn.”

Wat is de reden dat u nu al dertig jaar dezelfde ruimtelijke vormen maakt?

“Ik houd van simpele vormen. De vormen die ik gebruik, vind ik zelf heel verschillend. Ik heb één grote filosofie die al mijn werk insluit. Mijn werk heeft niets met puurheid, zuivere vormen of perfectie te maken, wat vaak is beweerd. De meeste artikelen die over mij zijn geschreven, kunnen zo de prullenmand in. De critici denken dat ik geloof hecht aan Plato's ideale vorm van een voorwerp, de Idee van een stoel bijvoorbeeld. Ik ben niet zo onder de indruk van Plato; het is een waandenkbeeld dat er dingen zijn die niet in het hier en nu bestaan. Er is geen andere wereld dan deze. Plato's leer is gebaseerd op lachwekkende religieuze nonsens: alsof er ergens in de lucht vormen zweven.”

Wat is dan de bedoeling van uw "simpele' vormen? Gewoon om er te zijn?

“Illusie vermijd ik, de dingen verwijzen naar zichzelf. Maar alle vormen zijn spiritueel. Het vervelende is, dat "spiritualiteit' een besmet woord is. Ik zie het als een ervaring die uitgaat van de werkelijkheid - een soort zijnsbeleving. De dingen en wij bevinden zich in dezelfde wereld, op een feitelijke manier zijn we dus één geheel. Kunst moet daarom algemeen zijn, maar op hetzelfde moment bijzonder, anders dan andere dingen.”

U haat decoratie in de kunst, fulmineert tegen het postmodernisme wanneer u maar kunt. Mag er na Minimal Art niets anders meer komen?

“Minimal Art is niet dood: ik leef immers nog? Maar ik houd ook van andere kunst, diversiteit is een normaal gegeven, ook in de kunst. In Marfa, Texas, heb ik de Chinati Foundation gesticht, waar ik in een voormalig militair fort behalve mijn eigen sculpturen en meubelen permanent werk van kunstenaars tentoonstel die ik waardeer. Ik houd van Claes Oldenburg, van de metalen wandobjecten van John Chamberlain, van de sobere schilderijen van Agnes Martin. Stromingen zijn onzinnige categorieën, Oldenburg wordt gerekend tot de pop art maar zijn kunst is volkomen anders dan die van Warhol. Zo is mijn werk wel op één lijn gesteld met dat van Andre en Flavin en Stella terwijl we nooit als groep hebben gefunctioneerd; met name Stella is nimmer een eerste klas-kunstenaar geweest en zijn recente wandsculpturen zijn gruwelijke kitsch. Wat Warhol en Duchamp betreft, ze zijn nice minor artists, meer niet. Ik ben nog veel te mild over ze geweest toen ik mijn brood verdiende als kunstcriticus.”

Volgens u vertroebelen decoratieve vormen en citaten uit de kunstgeschiedenis het zicht op de vormen zelf?

“Op een vergelijkbare manier waarop een radiozender gestoord kan worden, ja. Decoratie verduistert de vorm in zichzelf, de ornamenten zijn immers over de vorm heen geplakt. Ik denk dat mijn eenvoudige voorwerpen de mensen eerder tot nadenken stemmen over de aard van de wereld waarin wij leven. Maar ik moet erbij zeggen dat ik nog nooit door kunst ook maar iets in de maatschappij heb zien veranderen. Het punt is, het gros van de mensen is te weinig geschoold. Het zijn altijd weer kleine groepen, minderheden, die vooruitgang voorstaan.”

Uit uw teksten spreekt een vast geloof in die vooruitgang.

“Vooruitgang moet je altijd proberen te bewerkstelligen. Er zijn uiteraard twee soorten: de vooruitgang in kennis en de vooruitgang in materieel opzicht; de eerste is belangrijker dan de laatste. In de twintigste eeuw hebben we vooruitgang geboekt op wetenschappelijk gebied maar op humanitair terrein is het een puinhoop geworden met die twee wereldoorlogen. Een experiment als de Russische Revolutie getuigde van een grote domheid en is dan ook nergens op uitgedraaid. Ik heb me in het verleden tegen diverse Amerikaanse militaire interventies uitgesproken en mensen daartegen gemobiliseerd. Maar met het tweepartijensysteem van ons heb je als burger niets in te brengen, laat staan dat je een betere samenleving kunt creëren. De moeilijkheid van politieke idealen is de gelijkschakeling die ze meestal impliceren; stel je eens drie of vier miljard middle-class wereldburgers voor: dat is toch een nachtmerrie?”

Draagt uw woon-, kunst- en werkcomplex in Texas bij aan een betere wereld?

“In zekere zin wel. Galeries en musea zijn natuurlijk gecorrumpeerde instellingen, ze worden bepaald door status en commercie. In Marfa zijn de sobere, functionele architectuur, de kunst en de meubels één onlosmakelijk geheel, een soort Gesamtkunstwerk. In de eerste plaats wilde ik daar mijn eigen werk voor de eeuwigheid installeren; zoals mijn collega Ad Reinhardt al zei: "Alles is al in beweging; kunst moet roerloos zijn.' De Rus Ilja Kabakov is na Chamerberlain de volgende kunstenaar die er een permanente installatie gaat maken in een eigen gebouw. Ik heb ook wel tijdelijke tentoonstellingen in de Chinati Foundation georganiseerd, het meeste werk was via Rudi Fuchs geleend uit het Haags Gemeentemuseum: tekeningen van Mondriaan en werk van Jan Schoonhoven maar ook oudere kunst, onder anderen van Goltzius en Piranesi. Ik zou graag een Dürer-tentoonstelling maken, van Dürer heb ik zelf een grote grafiek-collectie, en ik verzamel drukken van Schongauer, Rembrandt en Goya.

“Verder worden in Marfa mijn ontworpen meubels in serie geproduceerd. Het is een kleinschalige, eerlijke nering die recht doet aan Schumachers idee "small is beautiful'. De prijzen probeer ik zo laag mogelijk te houden maar omdat alles handwerk is, kost een stoel toch nog 1500 dollar per stuk.

Voor de nieuwe directiekamer van Rudi Fuchs in het Amsterdamse Stedelijk Museum heb ik speciaal meubels ontworpen die nu in produktie zijn. Ik ben dus gedeeltelijk een zakenman met alle besognes van een bescheiden onderneming. Rijk ben ik niet, zoals wel is beweerd. Ik ben wat ze in Texas noemen "landpoor', dat wil zeggen ik heb land maar geen geld, en in dezelfde zin ben ik "artpoor'.''