Ik ben een vervalste boer; Dagboeken van Josep Pla

Josep Pla: Het grijze schrift, vertaling en nawoord Adri Boon. 592 blz. Uitg. De Arbeiderspers, Privé Domein. Prijs ƒ 85,-

Er zijn zeker drie goede redenen om de dagboeken van een schrijver te willen lezen. Ten eerste kunnen ze zijn werk zo belichten dat het achteraf nog mooier lijkt. Ten tweede wordt er vaak op authentieke wijze een periode of milieu in beschreven, met alle documentaire waarde van dien. En ten derde zijn ze soms domweg het mooiste wat een schrijver heeft gemaakt. Bij de Catalaan Josep Pla (1897-1981) geldt alle drie, het laatste voorop. Je denkt bij zijn naam niet aan fictie, maar aan kronieken, feiten, levende mensen.

Al jong verwierf hij faam met zogenaamde Homenots (kerels), literaire portretten annex zedenschetsen die hij losvast publiceerde. Aanvankelijk schreef hij onder invloed van de heersende mode te precieus en gewrongen naar zijn zin, maar toen hij zijn stijl eenmaal had gevonden, was hij niet meer te stuiten. Hij vulde onder meer dertigduizend dagboekbladen met schetsen, gelegenheidsfilosofieën en portretten. Het grijze schrift, zojuist in Nederlandse vertaling verschenen, is met zijn bijna zeshonderd bladzijden fors genoeg, maar vormt maar een klein deel van dat totale document. Toch beschouwt men het algemeen als het mooiste wat Pla schreef en tegelijk als een synopsis van al het andere.

De periode die Pla in Het grijze schrift bijhoudt, loopt van 8 maart 1918 tot en met 15 november 1919, waarop hij vertelt dat hij de volgende dag afreist naar Parijs. Maar omdat het geheugen niet aan jaren is gebonden, strekt de tijd in het geschrift zich voorbij 1918 uit naar het verleden en gaat via minutieuze reconstructies terug tot aan de eerste, tot Pla's ergernis niet voldoende oude herinneringen. Wat hij nog weet, vertelt hij uitputtend, hier en daar met een verschuiving of indikking, maar trouw. Na 15 november 1919 verlaten we hem node en als een goede bekende. We zouden wel willen weten hoe het hem verder verging.

In zijn nawoord komt vertaler Adri Boon aan dit verlangen tegemoet. Hij vertelt over Pla's leven voor, tijdens en na Parijs. Het blijkt, verrassend genoeg als je je alleen op Het grijze schrift baseert, een veelbewogen leven te zijn geweest met strijdbare positiebepalingen. Van juichen en treuren is nu juist in het boek geen sprake. Het liefst lijkt Pla daarin een zichzelf ondergeschikt makend observator van het leven in en om Girona en Barcelona, de stad waar hij studeert. Wel is hij steeds als "ik' aanwezig; niets van wat hij vertelt is uit de tweede of derde hand.

Proust moet Pla's grote voorbeeld zijn geweest. Daarvan getuigt hij wanneer hij op 1 oktober 1919 uitweidt over het mechanisme van het geheugen, met vermelding van Proust. Deze maakte romans van zijn herinneringen, maar de overeenkomst is duidelijk. Beiden zijn verzot op bijzonderheden en op reeksen adjectieven die een unieke mengeling van subjectiviteit en objectiviteit teweegbrengen. Een schrijver wiens stijl door een soortgelijke adjectievenkoorts wordt gekenmerkt, is Primo Levi.

Afgezien van hun stijlovereenkomsten zijn de verschillen tussen Pla en Proust groot. Dat komt vooral door het verschil in milieu dat zij beschrijven. Bij Pla geen hoge burgers, geen verfijndheid, geen chic of hang naar chic, maar de geur van boeren en werklieden. Een weemoedige typering van zichzelf als zou hij "een door de cultuur vervalste boer' zijn, geeft zijn maatschappelijke voorkeuren wel aan. Soms is hij nog explicieter in zijn zelftyperingen, bij voorbeeld wanneer hij zich het liefst voorstelt als "een Horatius, die dankzij een schamel boerenbedrijf is ontheven van lippendienst'. Zo'n opmerking impliceert kritiek op anderen.

Geluk

Voor Pla als weemoedig mens is goed voedsel misschien het hoogst haalbare geluk, maar het hoeft bij hem niet per se letterlijk door de maag te gaan. Een mooie herinnering, of het nu een Paaszondag in de kerk, het gedrag van een eigenzinnige dorpeling of iets heel anders is, wordt door hem ervaren met een precisie die niet anders dan genotvol te noemen is. De vele anekdotes die hij in Het grijze schrift opvoert, zijn even zovele smakelijke punten uit een tijd die gedoemd was voorbij te gaan.

Pla formuleert zijn gedachten over van alles, maar hij heeft beslist meer op met het fysieke en fysische dan met theorieën en levenslessen. De zin van het leven is hem te onduidelijk en hij ervaart het bestaan als te moeizaam om makkelijk in hogere stemmingen te geraken. Niet voor niets zijn ongemak, verlegenheid en verveling kernwoorden bij hem. De verveling die hij als student op onverwarmde kamers boven slechtgeschreven studieboeken ervaart, benadert de walging van Cioran. Pla is belijdend conservatief, maar gelukkig ook belijdend nieuwsgierig; naar wat was of is wel te verstaan, niet naar de toekomst. Het begrip dat het minst bij hem past is "geloof'. In het nawoord staat zijn grijze credo als volgt geciteerd:

“Ik geloof niet dat een schrijver een exclusieve, persoonlijke boodschap uitdraagt. Dat is de laatste vorm van romantische literatuur - de meest pretentieuze en kinderlijke die de romantische literatuur heeft voortgebracht. Wat ik daarentegen meen is dat een schrijver een zeer grote verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van het tijdperk waarin hij geboren is. De eerste plicht van een schrijver is observeren, verhalen, het tijdperk weergeven waarin hij leeft. Dat is oneindig veel belangrijker dan de onzinnige, steriele pogingen om tot teugelloze oorspronkelijkheid en originaliteit te komen.”