Hoe mooier de jurk, hoe liever ik me op de grond smijt; Charlotte Margiono over opera, ervaring en gravin d'Almaviva

In een concert kun je je niet verstoppen, in een opera wel, vindt sopraan Charlotte Margiono die binnenkort de rol van gravin d'Almaviva zingt in "Le Nozze di Figaro'. Ze is dol op theater, al is een operazangeres erg afhankelijk van de opvattingen van de dirigent en de regisseur. Ze probeert zo diplomatiek mogelijk ook haar eigen zin te doen. “Het sterkste wapen dat je als zanger bezit is: met overtuiging doen wat je voelt.”

Alle voorstellingen van Le Nozze di Figaro zijn uitverkocht.

“Kan ik dit nog zingen en kan ik dat al zingen?” vraagt de Nederlandse sopraan Charlotte Margiono zich af. “Bij het maken van plannen kruisen die twee vragen elkaar voortdurend. Als ik nu voor 1998 een Missa Solemnis zou aannemen, weet ik niet zeker of mijn stem in de hoogte nog wel etherisch en verfijnd genoeg klinkt. Misschien heb ik dan al wel ergens Wagner gezongen.”

Toch wordt Charlotte Margiono gedwongen om lang van tevoren plannen te maken. Haar agenda is voor de komende jaren zo goed als vol. Ze is uitgegroeid tot een veel gevraagde operaster. Grote dirigenten als John Eliot Gardiner en Nikolaus Harnoncourt strijden om haar gunst voor een rol in een opname van Fidelio, die beiden willen maken. Margiono: “Het is uiteindelijk Harnoncourt geworden en daar ben ik achteraf blij om. Gardiner moet oppassen dat hij met zijn precisie niet te gelikt gaat klinken. Harnoncourt kan soms zeggen: "Nou alle theorie aan de ladder, we gaan het gewoon doen!' En dan, baf, gaat het ook ineens goed.”

Alain Lombard heeft Margiono uitgenodigd om in Bordeaux alle grote Puccini-rollen te komen doen. (“Prettig om ze in een klein operahuis te kunnen uitproberen”) Met Gardiner gaat ze in 1994 op tournee als Donna Elvira in Don Giovanni (“Hij is me ondanks die Fidelio-affaire gelukkig trouw gebleven”) een rol die ze ook zal zingen bij de opening van het nieuwe operahuis in Madrid, en Claudio Abbado heeft haar uitgenodigd voor een Mozart-opera in Japan (“Ik hoefde niet eens te auditeren, hij schijnt me een keer op een repetitie gehoord te hebben”).

Voorlopig echter is Margiono in Nederland. Bij De Nederlandse Opera repeteert ze Le Nozze di Figaro, die op 7 mei in première gaat. Harnoncourt dirigeert het Concertgebouworkest, net als in de reprise van Cos fan tutte eerder dit seizoen. Ook nu is Jürgen Flimm weer de regisseur en zijn de decors en kostuums van Rolf en Marianne Glittenberg.

Het libretto van Le Nozze di Figaro werd geschreven door Lorenzo da Ponte, die zich baseerde op een omstreden toneelstuk van Beaumarchais. Margiono zingt de rol van de gravin d'Almaviva, die ontdekt dat haar man haar vele keren heeft bedrogen, dat hij dat opnieuw van plan is met haar kamermeisje Susanna. De opera verhaalt van listige verkleedpartijen die bedoeld zijn om het bedrog van de graaf aan de kaak te stellen. Een poging om Cherubino, de page van de graaf, voor Susanna door te laten gaan mislukt. Maar uiteindelijk valt de graaf door de mand als de gravin zelf zich voordoet als Susanna.

Wat voor een type is de gravin?

“Daar kun je kort over zijn: ze is Rosina, een meisje uit het volk, onbemiddeld, en door een wonder gehuwd met de graaf. Ze is bovendien intelligent, waarschijnlijk vermoedde de graaf dat ze ondanks haar nederige afkomst goed als gravin voor de dag zou kunnen komen, maar ze is ook heel temperamentvol. Na twee jaar maakt ze de rekening op van haar keuze. Ze komt tot de conclusie dat er niks meer over is.

“In de opera is de gravin de enige die een verandering ondergaat, zeker in de regie van Jürgen Flimm. In het begin denkt ze: laat ik alle slaappoeders maar in één glas gooien en we zien wel. Uiteindelijk heeft ze niet alleen de kracht om de situatie aan te kunnen, maar ook nog om in de aanval te gaan.

“Aan het eind lijkt de graaf ook veranderd. Hij vraagt om vergiffenis voor zijn gedrag. Hij zegt dan wel perdono, maar voor hoe lang? Voor een uur, een dag, een maand?”

In hoeverre wijkt het karakter van de gravin af van Fiordiligi, Pamina en Vitellia, andere Mozart-rollen die u hebt gezongen?

“De gravin is rijper. Ze is een vrouw die eigenlijk op geen enkele manier op mij lijkt. Ik zou natuurlijk nooit een kerel als de graaf accepteren, dan was ik er al lang vandoor gegaan. Toch vind ik haar een van de leukste personages om te doen.

“De rol is overigens niet gemakkelijk. De opbouw is beperkt en lastig, in de eerste acte ben ik helemaal niet aanwezig. In de tweede acte kom ik ineens nadrukkelijk in beeld. Ook de ligging van de stem is niet eenvoudig. In de ensembles zing ik soms de middenstem en dan ineens klim ik er bovenuit. De aria's zijn lyrisch. Er is eigenlijk geen moment waarop je even lekker gas kunt geven. De gravin mist de uitersten van de wat jongere Fiordiligi uit Cos fan tutte. Zelf hou ik juist van extremen. Ik ben een dramatische Mozart-zangeres. Gelukkig zal Harnoncourt ongetwijfeld de nodige accenten aanbrengen en uitersten opzoeken.”

Is het niet moeilijk om een rol te zingen waarvan het karakter zozeer verschilt van dat van uzelf?

“Dat hangt af van de regie. Ik heb een keer een dodelijk saaie gravin moeten spelen, zo'n kwijlerige, vervelende draaitante die niets anders doet dan zuchten. Ik dacht steeds: ja, jou zou ik ook links laten liggen. Toen slaagde ik er dus ook niet goed in om te overtuigen. In kritieken krijgt de zanger dan de schuld van een fout van de regisseur. Daarin onderscheidt de gravin zich overigens van bij voorbeeld Fiordiligi. Ze kan niet tegen een matige regie. Fiordiligi overwint zelfs in een slechte regie. De aria's zijn zo mooi, daarin kun je alles laten horen.”

Gaat u met een regisseur in discussie?

“Operazangers zijn een speelbal van allerlei lusten van dirigent, regisseur, kostuumontwerper en operahuis. Wie dat niet wil accepteren, moet geen zanger worden. Met discussie bereik je meestal niet veel. Tenzij je zo beroemd bent dat je gewoon kunt zegt: goedemiddag, ik ga naar huis.

“Diplomatiek opereren kan soms succes hebben. De strijd met Harnoncourt over de aria Dove Sono moet bij voorbeeld nog beginnen. Deze keer ben ik degene die langzamer wil: dat past bij mijn type, bij mijn stem en mijn bredere aanpak. Het sterkste wapen dat je als zanger bezit is: met overtuiging doen wat je voelt. Als ik aan Harnoncourt laat merken: joh, ik wil die aria helemaal niet sentimenteel zingen, maar hij komt gewoon zo mijn strot uit, dan heb je kans dat hij zich automatisch aanpast. Maar dat gebeurt dan alleen omdat we elkaar goed kennen. Dit soort dingen kunnen gemakkelijk misgaan.”

Zou u in zo'n geval tijdens de voorstelling niet alsnog uw eigen interpretatie kunnen geven?

“Nee, dat moet je nooit doen. Want dan wordt Mozart de dupe. Meningsverschillen moet je voor de première hebben uitgevochten, anders wordt het vak een hel. Overigens heb ik zelden grote problemen. Ik neem veel energie en overtuigingskracht mee tijdens de repetities. En ik heb geleerd mijn mond te houden en te wachten op het goede moment. Jongere zangers hebben de neiging meteen als een bok op de haverkist te springen. Ik kleur een aria de tweede keer een beetje in mijn richting, stuur heel geleidelijk en kijk hoever ik kom.”

Wordt het beeld van een personage voor u bepaald door de muziek of door het verhaal?

“Je moet de muziek in je hart hebben, en het verhaal kennen. De regisseur is dan degene die de plaatjes inkleurt. Hij fluistert je bepaalde dingen in. Je hebt verschillende soorten regisseurs. Harry Kupfer heeft bij voorbeeld alles vooraf uitgestippeld. Die komt binnen en zegt: "Jetzt machst du das, jetzt das und jetzt das, basta finito.' Een toneelregisseur als Jürgen Flimm laat je eerst wat aanmodderen en begint dan geleidelijk te kneden.

“Als je een scène anders aanpakt dan hij zich voorstelt, komt hij naar je toe en zegt: "Denk je eens in dat al die lieftallige boerenmeisjes die je bloemen komen brengen, met je man naar bed zijn geweest. Daarna krijgen ze zo'n mooi jackje aan. Hoe kijk je dan?'

“Dan spat de zeepbel uit elkaar en ontstaat een andere toon, waarin het cynisme overheerst. Ik word ineens heel hard, en zing tegen die meisjes: Oh brave: vi ringrazio. Met een toon van: hartelijk dank en donder nou maar gauw op.

“Ook tegen Cherubino ben ik heel gemeen. Verkleed als een boerenmeid doet hij mee aan de bloemenhulde. Quasi onschuldig haal ik hem er tussen uit en kus hem. Dat is de oprechte woede van een vrouw die weet dat haar man haar met al die meiden heeft bedrogen. In deze produktie wordt Cherubino gezongen door Iris Vermillion. Dat is geen jongetje meer, maar een jongeling. Iemand die serieus wenst te worden genomen. Meestal wordt Cherubino gezongen door zo'n schattig frutseltje. Zo ontstaat geleidelijk een heel ander verhaal, met een aantal harde scènes. Soms zie ik mezelf tijdens de repetitie als gravin dingen doen, waarvan ik als Charlotte schrik.”

Gebeurt er daardoor ook iets met het zingen?

“Aan het begin van de tweede acte, als ik voor het eerst op het podium verschijn, zing ik Porgi, amor. Dat beschouw ik niet als een echte aria. Het is een gemoedsstemming om een achterstand in te halen. In de eerste acte ben ik niet aanwezig. Dus moet het publiek even weten hoe ik me voel. Ik zit als een dweil op de grond, heb de hele nacht liefdesbrieven gelezen. Het ziet er fraai uit, met kaarsjes erbij. Ik sta op het punt om de slaappoeders in te nemen. Dan zing ik dus die aria waarop iedereen zit te wachten en waarvan ik hoop dat die niet te aria-achtig zal klinken, niet te langzaam, niet te ingetogen.

“In de andere grote aria, Dove Sono, vraag ik me af waar de momenten van vreugde en geluk gebleven zijn. Hoe ik die moet zingen, weet ik nog niet zeker. Ik heb op dat moment een prachtige jurk aan, waarin ik als een pauw rondloop. Meestal krijg ik dan last van een soort anti-gedrag. Hoe mooier de jurk, hoe liever ik me op de grond smijt.

“De aria's zijn bij Mozart voor het acteren niet zo belangrijk, ze vormen een moment van stilstand. De recitatieven en ensembles zijn er om mee te spelen. Dan geeft een bepaalde regie soms aanleiding voor veranderingen in de muzikale interpretatie. Samen met Susanna verkleed ik bij voorbeeld Cherubino als vrouw. In de meeste voorstellingen wordt er tijdens die scène gegiecheld en geplukt aan dat jongetje. Als ik dan na afloop zing "Quante buffonerie!', wat een komedie, klinkt dat nogal hups. Maar Flimm geeft de scène een erotische lading. Waardoor die woorden vanzelf een dramatische ondertoon krijgen.

“Ook door de tempi van Harnoncourt hebben de recitatieven vaak een heel ander karakter dan je gewend bent. Wat normaal krachtpatserig klinkt wordt jankeriger, als katten die om elkaar heen draaien. En Flimm is muzikaal een onschuldig blaadje. Dus hij is nooit verbaasd over een tempo, maar reageert op wat hij van Harnoncourt hoort. De samenwerking tussen die twee is voortreffelijk. Harnoncourt is dramaturgisch met de noten bezig, en gaat zonodig met Flimm in debat, maar altijd op een vriendelijke manier.”

Hoe bereidt u zich voor op een grote rol?

“Ik verzamel zoveel mogelijk achtergrondinformatie, om zonodig een eigen invulling aan een rol te kunnen geven. Het komt namelijk nog wel eens voor dat je geen enkel houvast krijgt tijdens de repetities, noch van de regisseur, noch van de dirigent. De tekst laat ik zo letterlijk mogelijk vertalen en bij het instuderen zing ik de recitatieven vaak eerst in het Nederlands, precies zoals ze vertaald zijn. Dat klinkt heel idioot: "Ik niet wil, dat jij nu komen gaat, uit de deur...' Maar het is een goede manier om te weten wat je zingt, en een steun bij het onthouden. Verder is het vooral stampen. Muziek en tekst erin rammen, uren achter elkaar.”

Beschouwt u zichzelf als een Mozart-zangeres?

“Nee, helemaal niet. Ik ben nog steeds verbaasd dat het daar allemaal mee begonnen is. Ik wilde gewoon werken en heb dus gepakt wat ik pakken kon. Maar al gauw dreigt dan het gevaar dat je in het Mozart-vakje gedrukt wordt. Het zal niet eenvoudig zijn daar uit te komen. Ik word wel voorzichtiger met het aannemen van nieuwe Mozart-rollen. Er zijn andere rollen die ik waarschijnlijk net zo goed, zo niet beter zou kunnen zingen.”

Hoe komt het dan dat anderen u als Mozart-zangeres beschouwen?

“Mijn stem heeft een dramatisch, warm en rond geluid en klinkt een beetje mezzo-achtig, wat bij Mozart voorkomt dat de muziek schreeuwerig wordt. In kritieken word ik wel eens vergeleken met Schwarzkopf, maar dat is onzin. Het enige wat ik met haar gemeen heb, is de mogelijkheid om heel mooi piano te zingen. Er zit zo'n typisch puntdakje op de stem, zonder dat dakje kun je eigenlijk geen Mozart zingen. Maar veel zangeressen die zo'n dakje hebben, missen de laagte of hebben onvoldoende dynamiek.

“Ik ben nu achtendertig, dus er kan nog van alles gebeuren. Ik zou graag wat meer Verdi willen zingen en Puccini. Het zal uiteindelijk wel Richard Strauss worden, al ben ik er nog niet uit of ik dat wel wil. Zo'n rol als de Marchallin uit Der Rosenkavalier. Ik weet niet zeker of de muziek van Strauss past bij mijn karakter.”

Is opera-zingen heel anders dan zingen in concerten of recitals?

“Door mijn opvoeding en mijn wezen ben ik een echt theatermens. Op de bühne heb je eigenlijk niet direct met het publiek te maken, dat zit daar ergens in het donker, en jij bent met collega's en een dirigent aan het werk. Als je goed bij stem bent kun je heel veel plezier hebben en krijg je veel terug van een opera. Bij concerten voel ik me een medium tussen de kunst en de hemel. Je staat daar als Charlotte en niet als weet ik wie. Je bent kwetsbaar, maar kunt daardoor muzikaal en interpretatief wel hoger sferen bereiken. Als je je in een concert niet openstelt, bak je er niets van en val je onherroepelijk door de mand. Dat is moeilijker, spannender, maar ook leuker. Op het toneel bereik je dat slechts af en toe, zoals in die verstilde, langzame aria "Per pietà' uit Cos, dat is bijna concertant, daar kun je je niet meer verstoppen.”

Had u vanaf het begin het gevoel dat u een bijzonder talent bezat?

“Ach, wel nee. Ik ben nog steeds verbaasd. Af en toe, als ik mezelf hoor begrijp ik er iets van. Nee, laat ik het anders zeggen: ik hoor soms anderen die wereldberoemd zijn en dan denk ik oprecht: dat kan ik beter. Maar net zo vaak denk ik: zo ver zal ik het nooit schoppen.”