Het liegebeest

In de moerassen van Oegstgeest,

Waar geen mens ooit is geweest,

Daar woont het grote liegebeest;

Zijn snoet is grijsgestreept en harig.

Hij woont daar eenzaam in het bos,

Totaal van al het aardse los,

Maar wel op dins- en donderdagen jarig.

Tussen de vlinders die daar vliegen,

En alle bloemen die daar wiegen,

Zit hij dag in dag uit te liegen,

Hoewel het bijna alle dagen regent.

Hij zegt: wat is de hemel blauw,

Wat ben je mooi, ik hou van jou,

Zo is het beter, alles overwegend.

Bedenk: al is de waarheid snel,

De leugen achterhaalt haar wel;

De koeien geven chocomel,

En kijk maar: ieder steentje is een zuurtje -

Het liegen leert ons wijze lessen;

Ik lieg van negenen tot zessen,

En 's avonds in de regel nog een uurtje.

Zo spreekt het eenzaam liegebeest

In de moerassen van Oegstgeest,

Hij maakt het liegen tot een feest,

Al wordt het op den duur wel eens vermoeiend;

Zijn plan is: alles met elkaar verzoenen,

Het staat nog in de kinderschoenen,

Maar nu al maakt het alle dingen boeiend.