Het leven op een krokodilleneiland; Grote-stadsroman van Rubem Fonseca

Rubem Fonseca: Grote kunst. Vert. Hermien Gaikhorst. Uitg. Wereldbibliotheek, 378 blz. Prijs ƒ 39,90

Méér dan De pad & de geleerde, Rubem Fonseca's eerste in Nederland vertaalde roman, is zijn eerder geschreven maar onlangs verschenen Grote kunst een synthese van het huidige Brazilië en, in algemenere zin, een portret van de moderne grotestadssamenleving. In de tien jaar die sinds de publikatie van het boek zijn verlopen is dat portret alleen maar gelijkender geworden, omdat die samenleving er meer op is gaan lijken. En als Grote kunst in sterkere mate zo'n synthese is dan de vorige roman van Fonseca, komt dat doordat het verhaal meervoudiger vertakt is (het boek is ook dikker) en zich uitstrekt tot een groter scala van maatschappelijke sectoren.

In het begin is er een videocassette met, vermoedelijk, een compromitterende scène. Wie de gecompromitteerde is wordt pas laat duidelijk, maar al snel vallen de eerste doden. Het zoeken naar de videocassette, door advocaat Mandrake, de politie, en een aantal andere belanghebbenden, is de leidraad van het verhaal, dat zich opsplitst in een labyrint van nevenintriges. In feite lijkt het "onderwerp' te worden bedolven onder episoden die evenzovele met elkaar verweven korte verhalen, novellen of intermezzi zijn. Wanneer aan het eind alle losse draden bijeen komen, blijken ze alle te hebben bijgedragen tot wat het werkelijke onderwerp van de schrijver is: een panorama opbouwen van deze tijd, en dit bevolken met mensen van deze tijd - die niet de mulata's in tanga van de ansichtkaarten zijn.

Maar dan hebben we al kennis gemaakt met de meer verdorven lagen van deze samenleving: corruptie, afpersing, geweld dat het doden met een mes tot "grote kunst' verheft, erotiek die aan het pornografische grenst, drugsgebruik, de maffieuze betrekkingen tussen de jet-set en de Boliviaanse cocane-handel, de internationaal georganiseerde misdaad - een wereld waarin geen winnaars zijn en alleen slachtoffers. Slachtoffers die vakkundig en met welhaast olympische wreedheid om het leven worden gebracht door moordenaars die op hun beurt slachtoffer zullen zijn. Of, zoals een personage zegt, met woorden die een volgende generatie zou kunnen lezen als waren ze die van een cynische geschiedschrijver: "Zo was het leven, of het nu was op een krokodilleneiland of in de stad Rio de Janeiro'.

Paringsdaad

Dit alles, al is het veel, is desondanks niet genoeg om dit boek tot een groot boek te maken. Er is ook nog de schrijver, met zijn stijl; en er is de advocaat Mandrake, met zijn vrouwen. Evenals Gustavo Flávio, in De pad & de geleerde, is ook deze Mandrake een volgens de heersende maatstaven door en door amorele hoofdpersoon: "Ik hield van Ada. Maar dat verhinderde niet dat ik me voor andere vrouwen interesseerde.' Dat "interesseren' is hier eufemistisch voor "neuken', en behalve met Ada doet hij dat met Lilibeth, Bebel, Mercedes, in een recent verleden ook nog met Berta, Eva - en het kan zijn dat ik er een paar vergeten heb. En evenals in de vorige roman wordt deze bezetenheid ("erger dan een ziekte') vergeleken met het gedrag van een dier: was het eerst de pad, die zijn poot laat verbranden tijdens de paringsdaad, nu is het de xarroco, "een vis die in de duisternis van de diepzee leeft; het mannetje bijt het vrouwtje, zuigt zich aan haar lichaam vast en verandert voor de rest van zijn leven in een parasiet, al zijn organen degenereren, behalve die voor de voortplanting'.

Even amoreel als Mandrake is Fonseca als schrijver, in die zin dat hij van alles doet wat volgens de literatuurwetenschap "niet mag'. Is het verhaal aanvankelijk in de eerste persoon verteld, door het personage Mandrake, dan opeens, op bladzij 129, verandert het gezichtspunt en is de verteller een alwetend verteller: hij is op de hoogte van de gedachten van de door hem achtervolgde Camilo Fuentes en van de schunnigheden die deze in de beslotenheid van zijn treincoupé uithaalt met een in de restauratie opgepikte deerne. Deze wisseling van perspectief zal nog verschillende malen op verrassende wijze terugkeren. Gevolg van één en ander is dat de schrijver en zijn personage heel dicht bij elkaar komen, en daarmee het boek dicht bij de lezer. Het heeft de directheid en snelheid van een gangsterfilm, een stripverhaal (alleen al de naam Mandrake!), een misdaadverslag in de sensatiepers.

Een boek dat op de eerste bladzij al spannend is - dat maken we niet elke dag mee. Maar wat we lezen is wel degelijk een werk van grote kunst, een perfect gestructureerde roman, vol scherpzinnige observaties van het menselijk gedrag en intrigerende, onnavolgbaar geestige verwijzingen naar de meest wonderlijke takken van wetenschap, vol lapidaire, provocerende, soms zelfs irriterende uitspraken. Heel verleidelijk wordt de identificatie Fonseca/Mandrake op de plaats waar een personage de laatste zijn theorieën-manie verwijt: theorieën "over van alles. Schaken, film, literatuur, jij bent de grootste algemene-waarhedenschijter die ik ken'. Wat een aardige vertaling is van cagador de regras, een uitdrukking die normaal gesproken niet meer dan zoiets als "pedante kwast' zou betekenen.

Vertaalster Hermien Gaikhorst blijkt een goed zintuig te bezitten voor de grimmige humor en het kernachtig idioom van Fonseca. Vondsten als bovengenoemde maken de vertaling een genot om te lezen. Een paar onbelangrijke missers lijken te wijzen op een heel klein beetje onbekendheid met Braziliaans 'slang' en plaatselijke toestanden. Zo is "collectief' wat té neutraal waar met coletiva hier "groepsseks', "triootje' wordt bedoeld; zo is een pé frio (letterlijk "koude voet') niet iemand die dubbel spel speelt maar iemand die ongeluk brengt (Roman Polanski is een pé frio, omdat het al zijn vrouwen slecht vergaat); "dobbeljoe' lijkt me een wat wonderlijke weergave van dabliu, de Braziliaanse naam voor de letter W (van "double-u'); en posto cinco, in plaats van "paal vijf' te zijn, verwijst naar de vijfde van de strandwachtposten (en bijbehorende woonblokken) die om de halve kilometer aan het strand van Copacabana staan. Maar over dit soort details (afgezien van een enkele taalfout als "pleegde' voor "placht') valt alleen degene op die het origineel kent, en daarvoor zijn vertalingen niet gemaakt.

Het zegt, hoop ik, genoeg over de stilistische kwaliteit en de trouw getroffen toon van deze vertaling wanneer ik verklaar dat ik die met even grote vervoering heb gelezen als negen jaar geleden het origineel.