Het klimmen der jaren als genoegen en als schrikbeeld

Tentoonstelling: Tijd van Leven. Ouder worden in Nederland vroeger en nu. Tot 29/8 in Amsterdam Historisch Museum. Geopend: ma-vr 10-17 uur, za en zo 11-17 uur. Publikatie ƒ 12,50.

Het leukste van de tentoonstelling Tijd van Leven is de tijdmachine, die met behulp van een computervideoprogramma iedere bezoeker een beeld geeft van zijn of haar gezicht over 25 jaar. Veel hilariteit natuurlijk en een lange rij wachtenden toen ik op een regenachtige zondagmiddag ging kijken.

Er zijn meer grapjes op deze tentoonstelling die door het Amsterdams Historisch Museum is ingericht ter gelegenheid van het Europese Jaar van de Ouderen en de Solidariteit tussen de Generaties. De banaliteit van dit volksdemocratisch aandoende motto wordt gelukkig al meteen opgeheven door de bandjes met boosaardige opinies van jong over oud en oud over jong, vorig jaar een mooi zomerthema in Vrij Nederland. De bijbehorende tekeningen van Jaap Vegter (zegt het ene jongetje tegen het andere, wijzend op een straatvoetballende oude man 'Hoort die gek bij jou?') vormen een mooi tegenwicht voor het zeldzaam onbenullige vignet van het Europese Ouderenjaar. Een opoe met een knotje lacht tegen een onnozel mannetje met een bolhoedje. Solidariteit tussen de generaties en dan niks beters weten te verzinnen dan Pa Pinkelman en Tante Pollewop.

De tentoonstelling is allerminst oubollig en in plaats van moralistisch gezeur over solidariteit hebben de makers de ambivalente houding tegenover de ouderdom als uitgangspunt genomen. Iedereen wil oud worden, maar niemand wil oud zijn. Dat was vroeger niet anders dan nu en de tentoonstelling is doortrokken van de spanning tussen de hoop op een lang leven en de angst voor een bestaan als zieke, lelijke of lastige bejaarde. Op de in de zeventiende eeuw zeer populair geworden "levenstrappen' zien we al de opgang tot het vijftigste jaar - de welgedane, welvarende en gezeten burger - en dan de neergang tot de dood op het honderdste jaar. Mooi symmetrisch weergegeven, met vanaf het zeventigste jaar duidelijk zichtbaar een toenemende gebrekkigheid en ziekelijkheid. Vroeger werden relatief weinig mensen zo oud, nu zijn er enkele duizenden honderdjarigen en in veel opzichten is de levenstrap dan ook van een fantasie tot een werkelijkheid voor velen geworden.

In de kunst zijn de winter en de rune de symbolen van de ouderdom. De oude man wil nog wel eens het symbool van de wijsheid zijn (de oude filosoof), maar oude vrouwen zijn vrijwel altijd toonbeelden van wat slecht, kwaad en schijnheilig is. Pas in de negentiende eeuw wordt de oude vrouw als moeder en oma geromantiseerd.

Na de ambivalentie is continuteit het tweede thema van de tentoonstelling. Ook vroeger werden oude mensen niet alleen maar als wijs en respectabel gezien, maar ook als boosaardig en vervelend. Ook vroeger vond men dat oude mensen zich eigenlijk niet meer met liefde en seksualiteit dienden in te laten. Ook vroeger leefden de meeste oude mensen niet met hun kinderen samen - in Holland was al in de 17de eeuw het driegeneratiegezin eerder uitzondering dan regel - en ook vroeger wilden oude mensen graag vrij zijn om hun eigen leven te kunnen leiden.

Wat er veranderd is, is eerst en vooral toch de economische positie van ouderen. Vroeger waren de meeste ouderen, zeker de meeste oude vrouwen, arm of ze werden dat omdat ze de kost niet meer konden verdienen. Allerlei vormen van bedeling, armenzorg en zorgplicht konden pas verdwijnen toen zo'n 35 jaar geleden de AOW werd ingevoerd en het met pensioen gaan niet langer een privilege van een vrij kleine groep was, maar een recht en zelfs een wettelijke plicht werd. Het gevecht om het "staatspensioen' heeft de hele eerste helft van deze eeuw geduurd en de lof van Vadertje Drees werd door de eerste generatie AOW-ers luid gezongen: "nu behoeven de oudjes niets meer aan hun kinderen te vragen'. Op de tentoonstelling is wat van die aandoenlijke fanmail te zien.

De verschrikkingen van het leven als bejaarde vroeger worden op de tentoonstelling even goed in beeld gebracht als de verschrikkingen van het blijven leven nu. Het verpleeghuis is voor veel mensen nu net zo'n schrikbeeld als vroeger het oudemannen- en vrouwenhuis met zijn strenge regels en enorme slaapzalen. En hoewel veel comfortabeler dan de koperen hoorn of het ivoren kunstgebit uit de negentiende eeuw, zijn gehoorapparaten en kunstgebitten nog altijd de typische en ongewenste attributen van de oude dag.

Een belangrijk verschil tussen vroeger en nu - een verschil dat zich overigens nog volop aan het ontwikkelen is - is de weigering van steeds meer ouderen om zich in de traditionele zin van het woord "bejaard' te gaan gedragen. Steeds meer mensen blijven tot op hoge leeftijd actief, doen aan sport, maken grote reizen, rijden auto of volgen in kleding en interieur tot op zekere hoogte de mode. Dat verandert meestal pas als men echt fysiek niet meer kan of dement wordt. Tot dat moment bereikt wordt, zal ook het leven van ouderen steeds meer bepaald worden door de voorkeuren van hun generatie en door het algemene culturele patroon van de samenleving, dat sinds de Eerste Wereldoorlog gekenmerkt wordt door een historisch unieke nadruk op jeugdigheid. Kalenderleeftijd heeft daar niet veel meer mee te maken.

Sociaalhistorische en educatieve tentoonstellingen zijn op zich niet zo moeilijk te maken, maar het is wel erg moeilijk het goed te doen. In deze relatief kleine en wel wat overvolle tentoonstelling is het gelukt de verschillende aspecten van het ouder worden historisch, sociaal en cultureel goed in beeld te brengen. De catalogus is een heel aardig essay, dat wat de feiten betreft goed gedocumenteerd is, aansprekende voorbeelden bevat en in zijn strekking voor veel mensen verrassend zal zijn. Het was vroeger toch vooral een groot ongenoegen om oud te zijn, het is tegenwoordig zeker tot 75 jaar een niet onverdeeld, maar toch met velen gedeeld genoegen.