"Het is heel moeilijk om hier origineel te zijn'; Britse ambassadeur vertrekt

DEN HAAG, 30 APRIL. “De discussie over de toekomst van de Europese Gemeenschap stelt de betrekkingen tussen Nederland en Groot-Brittannië op de proef.” De Britse ambassadeur in Den Haag, Sir Michael Jenkins, waarschuwt voorzichtig maar duidelijk. Nederland zal volgens Sir Michael in EG-zaken veel flexibeler moeten worden en aanvaarden dat de integratie van Europa niet per se via Brusselse en Straatsburgse instellingen verloopt, maar even zo goed tot stand kan komen door een veelvormige samenwerking tussen regeringen.

Na vijf jaar Nederland neemt Michael Jenkins (57) volgende week afscheid als ambassadeur. De in Cambridge geboren en geschoolde diplomaat - King's College, studie geschiedenis, Frans en Russisch, specialist voor Europese integratie - werkte eerder onder andere in New York, Parijs, Brussel (bij de Commissie) en in Washington. Vijf jaar op dezelfde post is lang voor een Brits diplomaat. Jenkins liep in Nederland al na korte tijd zo gemakkelijk in en uit bij politici dat hij van groot belang was voor Londen, bijvoorbeeld in het onderhandelingsproces over "Maastricht'.

Jenkins: “Nederland zou een geweldige fout maken als het in de volgende ronde van overleg over de vorm van de EG zou teruggaan naar het Black-Monday-model waarin alleen goed is wat via instellingen als Europese Commissie en Europees Parlement loopt, en alles fout is wat daar buiten, dus intergouvernementeel, wordt geregeld. Nederland kan niet blijven zeggen: het doet er niet toe hoeveel nieuwe landen zich bij de EG aansluiten zolang het institutioneel kader van die gemeenschap maar wordt versterkt.

“We moeten in de Gemeenschap juist toe naar een veel subtielere regeling dan het zwart-witmodel dat Nederland aanvankelijk indiende voor het Verdrag van Maastricht. In een flexibeler model behouden de bestaande instellingen hun vooraanstaande plaats, worden ze zelfs nog iets verder versterkt, maar doen de betrokken landen tegelijkertijd op een andere manier zaken met elkaar in een veel gecompliceerdere structuur. Doe je dat niet, dan maak je de zaak onwerkbaar en blaas je in feite de Gemeenschap op.”

Als een ander nevenprodukt van "Maastricht' ziet hij een Nederlandse toenadering tot Duitsland. “Nederlanders vragen me wel eens of ik me daar niet ongerust over maak. Je kunt nog niet zeggen waar die ontwikkeling uitkomt en of ze wel doorzet, maar ik zie dat niet ten koste gaan van de Nederlandse relatie met Groot-Brittannië. Het doel van de EG-structuur is toch dat bilaterale relaties minder belangrijk worden.”

Een recente uitlating van minister van buitenlandse zaken Kooijmans in NRC Handelsblad dat het Black-Monday-model de einddoelstelling blijft, heeft Jenkins “nogal verbaasd”. “Ik had juist in de laatste dagen van minister Van den Broek een zekere mate van nieuw denken geconstateerd. Ik herinner me dat Van den Broek aan de Leidse Universiteit constateerde dat de zaak van een federaal Europa iets voor de volgende generatie was. Kooijmans zegt bijna het omgekeerde.”

Op de vraag hoe hij in zijn vijf jaren in Den Haag de Nederlandse politiek heeft ervaren zegt Jenkins dat Nederland zich er zeer sterk van bewust is een soort wereldmacht te zijn geweest. De belangstelling voor internationale kwesties komt onder meer tot uitdrukking in een buitenlandse dienst “die erg groot is in vergelijking tot de grootte van het land”. “Nederland heeft het gevoel internationaal een rol te mogen spelen, het levert serieuze spelers op het internationaal toneel die door hun betekenis invloed hebben verworven boven hun gewicht ("punch above their weight').”

Aan de andere kant vindt de Britse ambassadeur de Nederlandse politiek “op een bepaalde manier verbazingwekkend vervelend”. Heel "onderaards' ook, “met eindeloze discussies in kleine kamertjes; men is altijd in de weer het ergens over eens te worden en iedereen heeft een afkeer van conflicten in de plenaire zaal van het parlement. Niets in de Tweede Kamer lijkt ook maar in de verte op het Lagerhuis. Ik herinner me hoe onlangs fractieleider Brinkman na afloop van een bezoek aan het Lagerhuis een negatief commentaar gaf op de vijandige atmosfeer in Groot-Brittannië, niet alleen in het parlement, maar in alle onderdelen van het Britse leven.

“Die tref je in Nederland inderdaad niet aan. Mijn eerste impressie van Nederland was dan ook nogal grijs. Maar natuurlijk zitten er veel voordelen aan: jullie bewerkstelligen met elkaar een opmerkelijke graad van consensus. Daarachter zit echter iets van een agressief streven naar gelijkheid. Originele mensen die iets op een volledig andere, nieuw wijze willen doen, hebben het zwaar te verduren in dit land. Het is hier heel moeilijk buiten de paden te treden, opvallend genoeg in een land dat zo tolerant is.”

Een minder positief aspect van deze “eindeloze zoektocht naar overeenstemming en consensus” is een traag besluitvormingsproces. Een voorbeeld is de WAO, “waarin dertien procent van het werkend deel van Nederland officieel als invalide is geclassificeerd”, zegt hij met een klank van onbegrip. “Er werd al over gepraat toen ik hier aankwam en nu ik wegga, is er nog steeds geen werkelijke oplossing voor bedacht. De coalitie is niet in staat harde besluiten te nemen om het aantal WAO'ers te beperken. Je mag zelfs de vraag stellen of ze dat wel werkelijk wil.”

Michael Jenkins verlaat de Britse diplomatieke dienst. Op zijn 57ste begint hij aan een nieuwe carrière in de raad van bestuur van een van de oudste Londense bankhuizen, de Kleinwort Benson Group. Zijn speciale opdracht is de activiteiten van de bank uit te breiden op het Europese vasteland. “Dan krijg ik in elk geval gelegenheid naar Nederland terug te keren, want na mijn eigen land en Frankrijk is Nederland toch wel m'n derde thuis geworden.”