Gieren

Verder naar het westen heeft de Tarn zijn fameuze kloven in de rotsen geslepen. Er cirkelen vogels op duizelingwekkende hoogten. Al gauw staat vast dat het vale gieren zijn. Dit leidt tot het openen van de achterbak, het opstellen van de telescoop.

Vale gieren leefden hier in het kader van de natuur. Toen gingen ze ten onder. Toen werden ze weer ingevoerd. Nu leven ze in het kader van een geslaagd rentroductieprogramma. Zomer en winter worden deze gieren bijgevoerd. Ze geven het gevoel: zo was het dus toen hier nog gieren waren.

In de tussentijd is er één in de rotswand neergestreken. Voor driekwart van ons afgewend is hij op een uitstekend puntje gaan zitten. Je ziet hem om zich heen kijken. De monnikspij over zijn gekromde rug. Het wollige wit van zijn lange hals. En de enorme snavel natuurlijk, die net een overtollig veertje uit zijn linkervleugel pikt. Zowel op ware grootte als op kolossale afstand. De telescoop is een wonderlijk verschijnsel. Hij boort zich diep in de werkelijkheid. Hij laat je dingen zien zoals ze zijn als je ze niet zou zien. Brutaal en ingetogen tegelijk, dat is een telescoop.

Zo buigt zich nu die ene gier naar een scheur in het gesteente over. Daaruit komt opeens de kop van een tweede te voorschijn. Daar wordt iets uitgebroed. Niets menselijks is deze vogels vreemd.