Gesprek met acteur Pierre Bokma; Toneel is op een moeilijke en bijzondere manier normaal doen

Pierre Bokma kreeg vorige week na afloop van de première van Othello de Albert van Peter Oosthoek de van Dalsumring. Hij speelt in Othello de rol van Jago, waarvoor hij veel lof kreeg. Een gesprek met de 37-jarige acteur over reizen, televisie, de vrije wil en het nut van toneelspelen. “Wat mensen van mij vinden kan me niet zoveel schelen. De meeste last heb ik van mijzelf. Ik ben altijd bang dat ik mezelf teleurstel.”

De ring heeft hij niet bij zich nee, maar hij kan 'm wel even gaan halen. Pierre Bokma, die zojuist een plaats heeft uitgezocht aan de lange glazen tafel in een van de vergaderruimtes van de Amsterdamse Stadsschouwburg, loopt het vertrek uit en komt even later terug met een zwart doosje. Dit doosje, zegt hij, wordt in de schouwburg in een kluis bewaard. Daar is het veiliger dan als hij het zelf meeneemt. Bij Peter Oosthoek is de ring thuis ooit gestolen. Het nagemaakte exemplaar dat Bokma tevoorschijn haalt is opzichtig zoals een toneelring hoort te zijn: pompeus, met veel goud en in het midden een ovale lichtblauwe steen die, als het licht erop valt, oranje kleurt. Topaas beweren sommigen, maansteen zeggen anderen.

Een malafide autohandelaar vindt Pierre Bokma zichzelf als hij met keurende blik de ring aan zijn vinger bekijkt. Zo een die met gebarende hand zegt: “Mevrouw, ik heb nog een mooi wagentje staan. Echt een leuk dingetje. Reken ik voor u een heel leuk prijsje voor.” Dat neemt niet weg dat hij er trots op is. Bokma: “Het was een verrassing toen ik hem plotseling kreeg, ik wist er niets van. Ik vind het een eer dat ik hem heb. Aan de andere kant: het betekent ook een beetje de consolidatie van je positie en dat is gevaarlijk omdat het zo geruststellend is. De eerste dragers ken ik alleen van horen zeggen. Ko van Dijk heb ik misschien één keer zien spelen. Ja, Peter Oosthoek ken ik natuurlijk. We hebben samen in een aantal produkties gestaan en ik heb veel respect voor hem, als acteur en als regisseur.”

Bokma is evenals Oosthoek vast verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Vóór de oprichting van het gezelschap in 1987 werkte hij bij verschillende andere groepen. Liever had hij, nadat hij in 1982 aan de Maastrichtse toneelschool was afgestudeerd, zelf een groep opgezet, maar toen hij een voorstel daartoe indiende werd dat door Provinciale Staten van tafel geveegd. Bokma: “Achteraf denk ik dat we een groepje megalomane gekken waren. Toch vraag ik me nog wel eens af wat het geworden zou zijn als we wel een kans hadden gekregen.”

Gerardjan Rijnders, die Bokma in die tijd in een Werkteaterproduktie had gezien, bood hem de mogelijkheid bij Globe te beginnen. Later speelde hij onder andere bij Fact, Baal en het Publiekstheater. Toen Rijnders de inboedel van het Publiekstheater overnam verhuisde hij mee en kwam hij bij Toneelgroep Amsterdam terecht waar hij al gauw de jeune premier werd. De rollen die hij in de loop der jaren speelde werden bijna altijd luid geprezen. Ook nu hij vaandrig Jago is in Othello, een door Johan Simons geregisseerde co-produktie van Toneelgroep Amsterdam en Hollandia, klinkt er veel lof. Bokma haalt er zijn schouders over op.

“Ach, het is natuurlijk leuk, maar er zijn ook mensen die deze Jago niks vinden. Daar kan ik me iets bij voorstellen want hij is nog niet af. Maar ik weet dat ik op de goede weg ben, elke voorstelling voegt iets toe. Wat mensen van mij vinden kan me niet zoveel schelen. De meeste last heb ik van mijzelf. Ik ben altijd bang dat ik mezelf teleurstel. Over mijn rol in De vrouw van de zee dit seizoen was ik absoluut niet tevreden. In het verleden is het ook wel eens voorgekomen. Toen ik Hamlet speelde ben ik op de première de mist in gegaan door mijn onzekerheid, maar omdat ik toen al een sterk vermoeden had hoe de rol moest worden kon ik er nog iets aan doen.”

Gevoelsarm

“Mijn manier van acteren is in de afgelopen jaren veranderd. In het begin was ik vooral een technisch begaafd acteur, maar gevoelsarm. Ik suggereerde de gevoelens van de personages en dat had het publiek door. Het is belangrijk dat je dingen in jezelf kunt aanspreken. Een rol moet persoonlijk zijn. Op de toneelschool leer je technische vaardigheden. Die vergroeien en verharden met de jaren. Ik probeer buigzaam en ontvankelijk te blijven. Een personage moet vooral transparant zijn en dat is niet hetzelfde als helder. Transparant is geheimzinniger, dat bereik je door de motieven van iemand niet helemaal uit de doeken te doen.

“In mijn werk ben ik rationeel. Veel mensen denken juist dat ik een romanticus ben. Ze zien mij als een flamboyante bourgondische man van zuidelijke afkomst. Een beetje een charlatan. En als ik dan eens iets speel dat daar niet mee strookt zijn de reacties verbaasd, dat past niet in het beeld dat van mij bestaat. Wat je op het toneel doet heeft met denken te maken. Ik heb eens een felle discussie gehad met iemand die zei dat een acteur niet slim hoeft te zijn. Een acteur moet weten wat hij doet en met grote precisie te werk gaan bij een rol. Toneel is op een moeilijke en bijzondere manier proberen normaal te doen.”

Pierre Bokma schuift al pratend onrustig op zijn stoel. Zouden er heus mensen zijn die willen weten hoe hij over acteren denkt, vraagt hij zich af. Zijn opvattingen daarover zijn niet goed te omschrijven, vindt hij. Hij vergelijkt het met iemand die de portee van een gedicht wil verklaren en merkt dat er dan niets van over blijft. Na een korte stilte zegt hij: “Je moet als acteur niet te veel grote rollen doen achter elkaar, dan gaan ze op elkaar lijken. Zo nu en dan moet het hok uitgeveegd worden, wil je niet in een k.i.-stier veranderen.

“Er zijn periodes dat ik het niet zo druk heb en omdat ik ongedurig ben wil ik in die tijd veel reizen, zo ver mogelijk weg. Ik ga naar verre streken om een cultuurshock te krijgen. Bij Amerika of Indonesië kan ik me iets voorstellen, maar niet bij Indianen die op vierduizend meter hoogte op een drijvend dorp wonen. En ik kan me ook niet voorstellen hoe een mens in Mongolië naar de lucht staart, dus dan wil ik daar naar toe. Op zo'n reis rust ik uit en laad ik energie op om weer aan een stuk te gaan werken.”

Geraffineerd

Als hij aan een nieuwe rol begint heeft hij meestal een vaag intutief idee over zijn personage. Van Jago had hij meteen een vrij duidelijke voorstelling: “Hij wordt vaak neergezet als een man wiens drijfveren verklaarbaar zijn. Volgens mij is hij een figuur die kwaad is uit zichzelf. Vrijwel alle redenen die hij geeft voor zijn gedrag zijn niet terzake doende. Hij heeft lak aan de moraal. Alles wat buiten hem omgaat wekt zijn afgunst, daarom richt hij zich ook niet alleen tegen Othello, maar in principe tegen iedereen. Wat hij doet is niet gebaseerd op logisch denken maar op make believe en daarin is hij zo geraffineerd dat hij mensen voor elk denkbaar karretje kan spannen.”

Pierre Bokma zegt begrip te hebben voor Jago: “Natuurlijk, anders zou ik hem niet kunnen spelen. Een gek is hij niet. Een rol moet altijd verdedigbaar zijn. Dat was ook zo toen ik de jonge Hitler speelde in Mein Kampf. Jago is een eenzame man. Hij is geen briljante geest maar wel een perfecte improvisator en uitvoerder, tot op zekere hoogte tenminste. Uiteindelijk blijkt dat hij de zaak niet in de hand heeft. Zijn plan mislukt omdat het niet volmaakt is. Daarmee geeft Shakespeare aan hoe totaal zinloos alles is geweest wat hij doet.

“Shakespeare schreef dit stuk in een tijd dat het openbare leven een bolwerk van moralisme was. De kerk en de monarchie volgden het dagelijks leven met argusogen omdat ze gebaat waren bij een gehoorzame maatschappij. Is het dan niet ongelooflijk dat Shakespeare een man neerzet die overal tegenin gaat en die toch niet als een clown wordt voorgesteld? Je moet maar durven om Jago in de slotscène te laten zeggen:

Vraag me naar niets, want wat u weet, dat weet u

Van nu af aan zal ik geen woord meer zeggen.

Dat is een regelrechte boodschap aan het publiek om het maar verder zelf uit te zoeken.''

In de loop der jaren heeft Bokma voor Shakespeare een grote liefde opgevat. Negen stukken heeft hij inmiddels van hem gespeeld, waaronder King Lear, Richard II, Henry IV, en Henry V. Volgend seizoen is hij Richard III. Bokma: “Shakespeare is de ware liefde, al wil ik ook wel eens Tsjechov doen, dat is er nog nooit van gekomen. Van Shakespeare heb ik eigenlijk ook nog niet veel gedaan. De Storm vind ik een van zijn mooiste stukken, maar je moet er oud voor zijn. Gelukkig kon ik figureren in Prospero's Books van Peter Greenaway. Dat was fantastisch.”

Een andere ambitie dan toneelspelen heeft hij naar zijn zeggen niet. Wel werkt hij af en toe mee aan televisieseries en films, zoals Leedvermaak, De Avonden en vorig jaar De drie beste dingen in het leven. Zijn bijdragen aan televisie beperken zich de komende tijd tot een rol in Wim T. Schippers' serie We zijn weer thuis en Oude Tongen, een door Toneelgroep Amsterdam gespeelde driedelige serie, gebaseerd op de ontuchtaffaire in Oude Pekela.

Hoewel hij die produkties graag wil opnemen vindt Bokma tv over het algemeen niet leuk om te doen: “Je kunt aan de programma's zien dat er te weinig geld voor uitgetrokken wordt. Neem Goede tijden slechte tijden. Er wordt gezegd dat het wel goed moet zijn, anders zouden er niet zo veel mensen naar kijken. Haal je de koekoek godverdomme! Er is gewoon niks anders, het is altijd heel veel kleuren met steeds dezelfde smaak. Tv maken hangt van zulke drogredeneringen aan elkaar.

“Bij de film is het niet veel beter trouwens. Altijd dat gezeik over geld. Het komt meestal hierop neer: of ze hebben een megalomaan idee dat niet aan de realiteit is gerelateerd, maar dat ze tegen elke prijs doordrukken, of er is een prachtig idee dat struikelt omdat er juist geen geld is. Eigenlijk zou heel Nederland verboden moeten worden de komende tien jaar films te maken. Alle scenarioschrijvers zouden al die tijd scripts moeten schrijven en dan zou er één regisseur - en dus niet een producent - moeten zijn die het beste gebruikt en daarvoor zoveel geld krijgt als hij nodig heeft. Ja, dat is streng. Ze mogen in hun handen knijpen dat ik het niet voor het zeggen heb.”

Stille motor

Als het gesprek ten einde loopt, zegt Pierre Bokma plotseling: “Wat is het nut van toneel? Niemand die mij die vraag ooit stelt.” Met driftige stappen loopt hij door de kamer. Soms staat hij stil voor een raam en staart naar buiten. Zijn stem klinkt geagiteerd: “Waar komt dat toch vandaan, doen alsof? Ik heb er geen antwoord op omdat ik er nu niet op ingesteld ben. Misschien weet ik het gewoon niet. Toch denk ik: als toneel, of kunst, of cultuur niet een stille veranderaar is, een stille motor die draait, dan is het heel raar dat ik er elke maand zoveel geld voor krijg. Stel dat er nu iemand over de daken kwam aanrennen of in de mast van Americain zou klimmen en riep: Hé Bokma, 't gaat nergens over wat jij doet, 't is gelul, dan sta ik daar wel van te kijken.

“Maar al kan ik dan niet zeggen wat het betekent, ik weet wel dat je moet dwingen van toneel iets noodzakelijks te maken. Ik speel omdat toneel niet verloren mag gaan. Nu is het bijna dood, het wordt amechtig in stand gehouden, maar ik ga ervan uit dat het een golfbeweging is. Misschien zou er een kentering komen als in ieder reclameblok spotjes van voorstellingen werden getoond, zoals nu af en toe met films gebeurt. Misschien wordt het dan niet langer raar gevonden om naar het theater te gaan. Kinderen conformeren zich aan de groep en de groep gaat niet naar toneel - die heeft genoeg aan tv en computers. Ze hebben gewoon niet de mogelijkheid om te kiezen.

“De zogenaamde vrije wil speelt geen enkele rol hierbij. De vrije wil is een theologische stelling. Een mens kan niet kiezen, hij kan er alleen over nadenken. Vrije wil zou zijn dat je iets anders doet dan wat je wil. Bij voorbeeld: ik zie ijs en ik zie poep. Dan wil ik ijs, want daar vraagt mijn lichaam om en het enige dat ik kan doen is mezelf verbieden ijs te nemen.

“Dat ik naar de toneelschool ben gegaan is ook niet een kwestie van kiezen geweest. Op de middelbare school was ik te lui om iets te doen, maar ik was wel de leukste van de klas. Ik merkte dat ik goed was in grappen maken. In die tijd zat ik een keer op de voorste rij om Bob de Lange te zien, die gold toen als een groot acteur. Hij hield een monoloog en intussen keek hij mij aan op een manier waaruit bleek dat zijn woorden en daden geen familie van elkaar waren, om met Shakespeare te spreken. Ik dacht: dat zou ik anders doen. Daarna heb ik me in Maastricht aangemeld. Dat had niets te maken met vrije wil. Het was al lang duidelijk dat er zich voor mij niets anders voordeed.”