Eindelijk een maagdelijke muze; Lorenzo da Ponte, librettist van Mozart

Toen Lorenzo da Ponte als librettist aan het Keizerlijk hof te Wenen begon had hij nog nooit een libretto geschreven, vertelt hij in zijn onlangs vertaalde memoires. Zijn eerste werkstuk, op muziek gezet door Salieri, werd een flop. Ook wat hij voor Mozart schreef sloeg niet meteen aan: Cos fan tutte, Don Giovanni. “We zullen de tijd erop laten kauwen,” zei de componist.

Lorenzo da Ponte: Mémoires van Da Ponte. Vert. Jenny Tuin. Uitg.Nederlandse Opera Stichting. Prijs ƒ 30,-

Cassette met "Mémoires van Da Ponte' en tekstboekjes "Le Nozze di Figaro', "Don Giovanni' en "Cos fan Tutte'. Uitg. Nederlandse Opera Stichting. Prijs ƒ 75,-

"Da Ponte Tentoonstelling' van 7 mei t/m 29 mei, foyer van het Muziektheater in Amsterdam.

“Ik moet nu eerlijkheidshalve wel zeggen dat ik nooit gelukkig ben geweest. Ongelukkig ben ik echter ook nooit geweest”, schrijft Lorenzo da Ponte, drugstore-houder in 1807 in New York. Deze overweging vormt de eerste aanzet voor Da Ponte's (1749-1838) "Mémoires'. Pas in 1823 zou de definitieve versie van het egodocument van de drugstorehouder, die bovendien auteur geweest was van 52 operalibretto's waaronder Mozart's "Le Nozze di Figaro', "Don Giovanni' en "Cos fan Tutte', gepubliceerd worden. Voor die tijd herschrijft Lorenzo da Ponte zijn "Mémoires' nog talloze malen. Het uiteindelijk resultaat is een verslag van zes decennia literair en muzikaal leven in Europa. Daarnaast geven de "Mémoires' - waarvan bij de "Opera Stichting' een door Jenny Tuin bewerkte Nederlandse editie is uitgekomen - een beeld van Da Ponte's onwaarschijnlijke levensloop. Een soort "komische-opera-in-twintig-akten' die zich gedurende bijna negentig jaar voltrekt in Venetië, Dresden, Wenen, Triëst, Londen en tenslotte New York.

Als Emmanuele Conegliano werd Lorenzo da Ponte, zoon van een joods-orthodoxe leerhandelaar, in 1749 in het joodse getto van Venetië geboren. Op 16-jarige leeftijd werd hij katholiek gedoopt en ondergebracht op het seminarium om opgeleid te worden tot priester. Hier nam hij de naam aan van zijn beschermer, de bisschop Da Ponte van Ceneda. In 1773 werd hij tot priester gewijd. Tussen de missen door schreef de jonge "Abbate' satirische pamfletten tegen de gevestigde orde in Venetië. Vrouwenroof, echtbreuk, godslastering en openlijk concubinaat werden Padre Lorenzo da Ponte ten laste gelegd toen hij door de "Inquisitie' voor vijftien jaar uit de Republiek Venetië werd verbannen.

Na vele omzwervingen in Noord-Italië en Duitsland, waarbij hij zich in leven hield met kaart- en dominospel, kwam Da Ponte via Dresden in Wenen terecht. Door de dood van Pietro Metastasio was daar juist de positie van hofdichter vrijgekomen. Da Ponte, nooit bovenmate geteisterd door valse bescheidenheid, besloot ten paleize te solliciteren naar deze aanstelling. “Geen enkele, Sire”, antwoordde Da Ponte op de vraag van Keizer Leopold II hoeveel libretto's hij eigenlijk geschreven had. “Mooi”, zei de keizer, “eindelijk een máágdelijke muze.” Tot zijn verbazing werd Lorenzo da Ponte benoemd tot hofdichter van het Keizerlijk Theater. Zijn eerste opdracht was een libretto voor Antonio Salieri's opera "Il Ricco d'un Giorno' ("Rijk voor een Dag') (1784). De opera werd een kolossale flop en Salieri zwoer liever zijn vingers te laten afhakken dan ooit nog een libretto van Da Ponte op muziek te zetten. Da Ponte's redding bestond in de aankomst van twee jonge componisten in Wenen; de Spaanse Vincente Martin y Soler en Wolfgang Amadeus Mozart.

Deugdzaamheid

“Het opmerkelijke was dat veel toeschouwers, en onder hen de keizer, al bij mijn recitatieven begonnen te klappen”, schrijft Da Ponte over het succes van "Il Burbero di Buon Cuore' ("De Goedhartige Brombeer') (1785) van Martin y Soler. Een jaar later schreef hij voor dezelfde Martin y Soler het libretto "Una cosa rara' ("Een zeldzaam geval'). Het enorme succes van deze tophit, met als onderwerp de onvolprezen deugdzaamheid van de Weners, wordt door Da Ponte in de "Mémoires' pagina's lang breed uitgemeten.

Hetzelfde jaar schreef hij in zes weken het libretto voor "Le Nozze di Figaro' (1786) met muziek van de jonge Wolfgang Amadeus Mozart. “Met "Figaro' was de revolutie eigenlijk al aan de gang”, zou Napoleon Bonaparte later zeggen over "Le Nozze di Figaro'. Opvoering van het gelijknamige blijspel van Caron de Beaumarchais was dan ook door keizer Leopold in Wenen verboden. Toch wist Da Ponte de keizer ervan te overtuigen het drama door Mozart op muziek te laten zetten. Nogal letterlijk volgde Da Ponte in zijn librettobewerking Beaumarchais' verhaallijn. De al te provocerende passages schrapte hij. Desondanks was het gegeven van "Le Nozze'; de aristocraat die door zijn personeel te pakken wordt genomen, in 1786 nog te gewaagd voor Wenen. Het leverde Mozart en Da Ponte slechts een bescheiden succes op. In 1787 schrijft hij voor Mozart het libretto voor "Don Giovanni' en in 1789 dat voor "Cos fan Tutte'. Vooral "Don Giovanni' viel slecht in Wenen: “Te harde kost misschien voor Weners?” opperde Da Ponte. Mozart haalde zijn schouders op: “We zullen de tijd erop laten kauwen.”

Tussentijds was Da Ponte in alle mogelijke hofintriges verwikkeld geraakt. In 1791 viel hij definitief in ongenade.

Hoewel Da Ponte's operacarrière feitelijk in Wenen eindigde zou het "Opera Buffa'-patroon in zijn levensloop zich nog minstens vijftig jaar blijven herhalen. Telkens opnieuw wordt zijn bestaan weer gekenmerkt door een opeenvolging van vrolijke opmaat, wulps gelach, geslepen intrige, catastrofe, tranen, en aan het einde onveranderlijk: De Vlucht. Vanuit Wenen kwam Da Ponte in Triëst aan waar hij trouwde, vervolgens vestigde hij zich in Londen. Op de hielen gezeten door schuldeisers en deurwaarders scheepte Da Ponte zich in 1805 met zijn familie in naar New York. Aanvankelijk deed hij nering als drugstore-houder in Brooklyn. Al snel echter werkte Da Ponte zich ook in Amerika het muziekleven binnen. Als eerste introduceerde hij in de Nieuwe Wereld de Italiaanse opera. Later was hij betrokken bij de oprichting van het eerste Newyorkse muziektheater. In 1823 verschijnen de "Mémoires' waarin hij een gedetailleerd, hoewel wat geromantiseerd beeld schetst van zijn verbleekte roem als muze van onder meer Mozart, Salieri, Gluck, Paisiello, Martin y Soler en Cimarosa. Het naamplaatje onder de marmeren buste van Da Ponte in de hal van Columbia University in New York, meldt de onverwachte wending die hij op 75-jarige leeftijd nog aan zijn carrière gaf: "Lorenzo da Ponte; libretto-schrijver van Wolfgang Amadeus Mozart en eerste hoogleraar Italiaanse Taal- en Letterkunde aan Columbia University, New York'.