Eens was ik iemand; Roman van Martin Schouten over naoorlogs Amsterdam

Martin Schouten: Huize Nieuwstad. Uitg. De Bezige Bij, 179 blz. Prijs ƒ 29,-.

Hedendaagse geschiedenis schrijven, een chroniqueur zijn van je eigen tijd, de tijdgeest vastleggen: het is de ambitie van menig verslaggever en romanschrijver. De vraag is of het kan, of een hedendaags auteur genoeg afstand heeft om grote lijnen te kunnen zien, tendensen waar te nemen, gewichtige gebeurtenissen van relatief onbelangrijke incidenten te onderscheiden. Martin Schouten, zowel journalist als romancier, heeft een geslaagde poging gedaan met zijn jongste roman Huize Nieuwstad die het sluitstuk vormt van een drieluik over de naoorlogse geschiedenis. Het boek speelt in het Amsterdam van de jaren tachtig en grijpt via flashbacks terug op de jaren zestig en zeventig.

In sommige opzichten doet Schoutens roman denken aan De slag om de blauwbrug, de proloog van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus "De tandeloze tijd'. Daarin wordt de afstand die nodig is voor geschiedschrijving - in dit geval over de Amsterdamse "kroningsrellen' in 1980 - gecreëerd door het verhaal te vertellen vanuit het perspectief van een herone-junk, een buitenstaander die een betrokken toeschouwer wordt. Martin Schouten laat zijn roman ook in 1980 beginnen, op 13 oktober om precies te zijn, als Amsterdam in rep en roer is wegens rellen bij de opening van de metro. Ook hij bedient zich van een truc om in zijn verhaal objectiviteit in te bouwen. Zijn hoofdpersoon wordt voor het Centraal Station het slachtoffer van de rellen, krijgt een steen tegen zijn hoofd en is als hij bij bewustzijn komt zijn geheugen kwijt en daarmee zijn identiteit. Als een vreemdeling staat hij in een hem volstrekt onbekende stad, het enige dat hij bezit is een koffer waaraan een label zit met een adres in Amsterdam-Oost. De koffer blijkt eigendom te zijn van een actrice die het huis heeft verlaten dat ze deelde met de eveneens verdwenen ex-leraar Tom Nieuwstad en diens dochter.

De identiteitloze ik betrekt het huis en neemt de identiteit van Nieuwstad aan. Hij snuffelt in de achtergelaten spullen en probeert er aan de hand van brieven en dagboeken achter te komen wie de verdwenen bewoners zijn. Dit "pak van Sjaalman' vormt de ruggegraat van de roman. De figuren die uit de brieven en documenten naar voren komen, beschikken ondanks het feit dat ze een naam, een paspoort, een adres en familie hebben, uiteindelijk evenmin over een identiteit als de radeloos naar zichzelf zoekende verteller.

De man zonder geschiedenis is een metafoor voor de stad waarin hij ronddwaalt en voor de personages die hij zoekt. Het blijkt dat deze mensen "ooit', in de jaren zestig en zeventig, "iemand' waren: ze hadden idealen, probeerden - al was het maar in hun eigen kleine kringetje - een betere, vrijere wereld tot stand te brengen, maar tijdens de sloop van de oude buurt die nodig was voor de aanleg van de metro zijn met de huizen ook de idealen tegen de grond gegaan en de dragers ervan hebben zich evenmin staande gehouden.

De ik-figuur diept uit de nagelaten paperassen een beeld op van pijnlijk identiteitsverlies. Tom is gescheiden en er niet in geslaagd een relatie met zijn dochter op te bouwen; de school waar hij ooit projectonderwijs introduceerde is allang weer een lesfabriek en heeft die malle langharige "softie' eruit gegooid, zijn ex-vrouw die in een woongroep ging wonen vertelt dat haar "commune' in een troosteloze buitenwijk alleen nog maar uit haarzelf bestaat, zijn vriendin heeft de slopende fractiestrijd in het vormingstoneel psychisch nauwelijks overleefd en de dochter moest haar kraakpand verlaten omdat ze de trap niet schoonhield en de huur niet betaalde.

Als een vreemde loopt de ik door een stad zonder samenhang, zonder identiteit en zonder solidariteit. Om contact te maken, om iemand aan te kunnen raken gaat hij het liefst in volle trams staan. Maar is hij slechter af dan Tom Nieuwstad in wiens dagboek hij leest dat zijn vriendin hem tijdens het liefdesspel niet bij zijn naam wilde noemen omdat ze dat "te intiem' vond?

Martin Schouten is er in deze roman in geslaagd geschiedenis te schrijven, omdat hij ondanks het gebrek aan afstand overtuigend een grote lijn aanbrengt, misschien het beste te omschrijven als desintegratie en verlies. De manier waarop hij deze voor veel veertigers en vijftigers pijnlijk herkenbare geschiedenis vormgeeft is - hoe kan het ook anders - fragmentarisch. De hoofdstukken zijn onderverdeeld in stukjes die de titels hebben van dansen of dansmuziek. Levens en levenservaringen worden voorgesteld als flarden muziek, als losse delen van verschillende balletten die je al zappend over het televisiescherm voorbij ziet flitsen en die als geheel een danse macabre vormen.