Een rozijn zo groot als een duim; De sprookjesachtige en de romanachtige Angela Carter

Angela Carter: American Ghosts and Old World Wonders. Uitg. Chatto & Windus, 146 blz. Prijs ƒ 46,35

Het hoogtepunt in het werk van Angela Carter, vorig jaar op haar eenenvijftigste aan kanker overleden, is de roman Nights at the Circus (1984). Die vertelt hoe de trapeze-artieste Fevvers het publiek van 1900 epateert met de twee krachtige vleugels op haar rug waarvan niet vaststaat of zij natuurlijk of namaak zijn. Zij trekt volle tenten eerst in Londen en vervolgens in Petersburg, waar zij de lust opwekt van een aartshertog die haar een Fabergé-ei aanbiedt met een miniatuurtreintje erin; na hem bevredigd te hebben stapt zij in het treintje en reist met het circus naar Siberië waar haar verschrikkelijke avonturen wachten.

De kortere verhalen van Angela Carter zijn evenmin uit het leven gegrepen, behalve in zoverre als zij beantwoorden aan de fantasie van de lezer. Soms lijken het sprookjes, maar daar zijn zij toch te persoonlijk en te satirisch voor; soms horen zij tot de romanliteratuur, maar niet in de zin dat de lezer zich betrokken gaat voelen bij de personen en zich bekommert om de rampen die hen treffen. Carter riep geen denkbeeldige werkelijkheid op; zij vertelde wat zich afspeelde in haar verbeelding, waar de alledaagse natuurwetten in de wind geslagen konden worden iedere keer dat haar gedachtensprongen het verlangden.

Zo ging het in Black Venus, de meest herleesbare van haar verhalenbundels, en zo gaat het ook in de nakomende bundel die nu verschenen is. “The Ghosts Ships” vertelt hoe er in de tijd toen Nieuw Engeland zich aan de strikte Puriteinse leefregels van Cotton Mather hield drie schepen Boston Bay kwamen binnenvaren voor Kerstmis. Het eerste had een romp van bemoste houten stammen, bijeengehouden door klimop en volgeladen met vruchten en rozen; de mast was een kerseboom. Toen het niet mocht landen spatte het in stilte uit elkaar, en de vruchten en bloemen vlogen alle kanten op. Het tweede schip had de vorm van een pasteischaal en was dan ook onder zijn dek van pasteikorst gevuld met rundvlees en wild en jus, waarvan de geur naar de kust woei; ook dat werd teruggewezen en het zonk, behalve dat er in de baai een kerstpudding bleef drijven waar de zee geen raad mee wist. Het derde schip was versierd met serpentines en ballonnen en bemand met toneelspelers en zangers die een uitbundig kerststuk opvoerden waar de kustbewoners van gruwden; ook dat schip zonk. Het enige wat er van de mislukte invasie overbleef was dat alle kinderen op de kust de volgende morgen een rozijn zo groot als een duim in hun schoen vonden.

Dat is de sprookjesachtige Angela Carter. De romanachtige heeft “Gun for the Devil” geschreven, over de familie van de bandiet Mendoza in een Mexicaans plaatsje aan het eind van de wegen, en over de pianist Johnny die de dood van zijn ouders komt wreken en begint met het verleiden van het dochtertje Mendoza op de vloer van de vervallen kathedraal. Het verhaal besluit met een bloedbad; dat geeft niet, het hoort bij het spel. Het spel doet denken aan een poppenkast of marionettentheater, wat verklaarbaar is want Carters kunstzinnige ontwikkeling begon bij het variété waar haar vader haar als kind mee naar toenam; zij bleef haar herinneringen trouw, al bedacht zij later verhalen waar geen variété-artiest opgekomen zou zijn.

Tussen de sprookjes en de romans zijn er de fantastische vertellingen zoals “Alice in Prague or the Curious Room”. De Alice van de titel is de vanouds bekende uit het Wonderland van Lewis Carroll, die hier ter grootte van een pink uit een glazen bol springt in het rariteitenkabinet waar Dr. Dee en zijn assistent Ned Kelly werken, en met heldere stem onoplosbare raadsels opgeeft. Behalve aan Carroll doet het gezelschap in deze kamer denken aan andere kabinetten van Hoffmann tot Ayckbourne, maar het meeste van het verhaal kon alleen van Angela Carter komen, zoals het privaat van Dr. Dee op de zevende verdieping, een gat in de vloer in een kast boven zes soortgelijke gaten in kasten op de onderliggende verdiepingen; en zoals de krankzinnige ogen van de Praagse aartshertog: die ogen zijn de spiegels van zijn ziel.

Het plezier dat de lezer aan de verhalen beleeft wordt zelden gewekt door herinneringen of ontdekkingen van wat er in mensen omgaat en wat zij elkaar aandoen. Het komt in de eerste plaats door de aanstekelijkheid van Carters fantasie, die nergens voor terugschrikt en ondenkbare schepen laat binnenzeilen van de oceaan met dezelfde natuurlijkheid waarmee pinkhoge meisjes uit glazen bollen springen en waarmee, in het enige ware sprookje, Assepoester van haar dode moeder de opdracht krijgt in haar lijkkist te gaan liggen die dan verandert in een koets met paarden. “Go and seek your fortune, my child.”

De tweede bijzonderheid van de schrijfster is haar vermogen om haar spinsels met de uiterste zorgvuldigheid onder concrete woorden te brengen zonder ze te verzwaren. Ernst speelt geen rol. Wij verlustigen ons in de verhalen; er is veel wonderlijks en griezeligs en onbehoorlijks dat de lezer zich voor moet stellen, maar niets om gewichtig op te vatten. Angela Carter op haar best (wat zij niet aan een stuk door is) gaat er bij mij in als muziek. Het is verbluffend zoals zij kon schrijven; en er staat ons nog een bundel met nagelaten werk te wachten, en misschien meer.