Een beetje feest

Men ziet het aan de handen. Grote handen? Dan kan het niet. Een baron met kolenschoppen, dat is voor de man zelf ook pijnlijk. De Hoge Raad van Adel komt al bijna twee eeuwen tot een wijs oordeel. Wie meende aanspraak te maken op een oude titel mocht even langskomen, en dan zagen ze het vlug genoeg. Zonder te zeggen dat het dát was.

Die tijd is zo goed als voorbij. Nieuwe adel komt er al lang niet meer, inlijving van buitenlandse adel wordt aan banden gelegd en erkenning van historisch aantoonbare adeldom is ook een aflopende zaak. Zoveel werd wel duidelijk uit de brief die de minister van binnenlandse zaken woensdag naar de Tweede Kamer stuurde.

Het was de laatste ronde in de schriftelijke voorbereiding van de wet die de adeldom moet regelen. Dat is altijd een wat wetteloze zaak geweest, gebaseerd op een naakt Grondwetsartikeltje, veel traditie en een Souverein Besluit van 1814. Gevrijwaard van enig publicitair geweld kruipt deze boeiende kwestie naar een ontknoping toe.

Wat minister Dales wil is kort samen te vatten: zij wil niks. Maar kennelijk redeneert zij: je hebt nu eenmaal van die lui, laat ze maar, ze zijn ongevaarlijk en in gevangenschap broeden ze toch niet voorspoedig.

Nederland doet het liever gewoontjes. En erfelijk bijzonder-zijn, dat kan niet deugen. We zijn wars van onderscheid en dus preuts met onderscheidingen. Ook het decoratiestelsel, het wonder dat de jaarlijkse lintjesregen opwekt, is naar de stomerij geweest. Er zitten nu minder verschillende rangen en standen in, minder automatische onderscheidingen voor "veertig jaar bij de zaak'. Hoewel, een gepensioneerde opperrechter, is die per definitie zo veel rangen beter dan iemand die jaren zijn beste krachten heeft gegeven als voorman bij de luxe voordeuren-makerij van Bruynzeel? Helemaal egalitaristisch is het stelsel nog niet.

Sinds Koninginnedag is Nederland weer honderden ridders en officieren rijker. Vijf verse commandeuren in de Orde van Oranje-Nassau en vele dragers van glimmende penningen lopen vandaag wat onwennig rond. Het is hun eerste zaterdag met een lintje. Durven zij de fiets nog wel te nemen? Zou iemand het aan hen zien? Gewoon proberen. Het heeft in ieder geval een vrolijke dag met vrienden en familie opgeleverd: nooit aan gehecht, toch wel leuk gevonden toen het gebeurde. Zeker met dat mooie weer.

De lijst van 2356 onderscheidingen was vier personen korter dan vorig jaar. Dat betekent voortzetting van een bescheiden maar onmiskenbare neerwaartse trend. We willen die franje niet meer. Dat is de leer althans. Commissie op gestudeerd, eindeloze discussie, patstelling. En dan gaan we toch maar zo'n beetje door, alleen "een tandje minder'.

Minister Dales moet die zelfde lauwe adem van de nieuwe tijd in de nek hebben gevoeld bij de voorbereiding van de Wet op de Adeldom. Voor de goede orde: adel heeft niets te maken met lintjes. Ik breng het alleen met elkaar in verband omdat adellijke titels zo'n feestelijke aanvulling op het bestaande arsenaal onderscheidingen zouden kunnen zijn. Een verrijking van het volksleven, tegen een geringe meerprijs.

De minister dus. Die schrijft wetsontwerpen natuurlijk niet zelf. Maar zij is wel degene die haar handtekening eronder zet. Zij geeft in grote lijnen aan wat zij voor haar rekening wenst te nemen. En bij het lezen van de geprangde zinnen in haar correspondentie met de Kamer over het wetsontwerp op de adeldom, bekruipt me het gevoel dat Dales dacht: hoe kom ik hier van af zonder een lobby van edellieden uit te lokken, en vooral zonder de verdenking op me te laden dat ik wat voel voor die onzin. Laten liefhebbers hun corsages maar in de feestartikelenwinkel kopen.

Zo kreeg de Tweede Kamer in 1990 een wetsontwerp zonder kraak of smaak toegestuurd. Aanleiding voor de CDA-fractie te vragen of het niet aardig was te komen tot “democratisering van de adel op gelijke wijze als in België en Engeland”. De minister antwoordde daar een jaartje of twee later op dat de vergelijking met Engeland niet opging omdat daar men daar vooral mensen in de adelstand verheft die geschikt zijn voor het Hogerhuis.

De vergelijking met België ging volgens haar wel op. Daar heeft koning Boudewijn er vrolijk op losgeadeld. De aap kwam toen uit Dales' mouw: het verlenen van adeldom is geen gepaste wijze meer om personen te onderscheiden, schreef zij. “Een beslissing daar alsnog toe over te gaan zou neerkomen op een uitbreiding van het stelsel van onderscheidingen, terwijl het beleid er nu juist op gericht is een minder gedifferentieerd stelsel van onderscheidingen tot stand te brengen.”

Iedereen een basis-lintje, dat is de koers. Sindsdien heeft de Kamer zich aanzienlijke moeite getroost nog wat levendigheid in de machinekamer van binnenlandse zaken te krijgen. Al was het maar om een paar smakelijke adelsrechtelijke probleempjes op te lossen. Bijvoorbeeld dat van de dochter van de baron, een jonkvrouw dus, die wil dat haar "onwettig' kind haar titel erft. Of de Indische raden die hier in de Nederlandse adel opgenomen wil worden. En het geadopteerde kind van de jonkheer, waarom moet dat herinnerd worden aan het feit dat het "maar' aangenomen is?

In haar reactie van deze week geeft Dales nog minder sjoege dan in maart '92. Alles houdt zij af uit “respect voor het verleden”. Het verleden als fossiel. Zij zit er kennelijk mee. Terwijl het zo aardig zou kunnen zijn. De tijdgeest mag wat ordinaire trekjes hebben, met iets te veel catering en iets te weinig vertrouwen in eigen fantasie. Er is een onmiskenbare herleving van de hang naar feestelijkheid, naar viering van bijzondere dingen en dagen, desnoods de door winkeliers opgepepte Moederdag.

Dat voortdurende verwijzen naar het verleden doet een beetje schijnheilig aan. Het hele land wordt nieuw ingericht. De Tweede Kamer juicht als de mogelijkheid van een natuurbouw-project zich voordoet, als weer een paar honderd hectaren op de schop kunnen worden genomen om de schepping eens fijn over te doen. Ieder verworven recht wordt tegen het licht gehouden. En dan zouden we uit respect voor het tijdens koning Willem I ingeburgerde omgaan met ridders in 1993 niets nieuws op dat gebied mogen bedenken?

Kom nou. Baronesse Van Hulst, graaf Van Duijn, jonkheer Van den Ende, burggraaf Nooteboom en baron Asscher, het zou een beetje feestelijkheid toevoegen aan het openbare leven. Geheel volgens de tijdgeest: op grond van persoonlijke verdiensten en zonder rekening te houden met afkomst, en andere verwerpelijke dingen waar niemand iets aan kan doen.