Droom en verbeelding in de poezie van Paul Gellings; Afgeblust met een scheut vruchtwater

Paul Gellings: De val van verf en roest. Uitg. De Arbeiderspers, 64 blz. Prijs ƒ 32,90.

De titel van de tweede bundel van Paul Gellings klinkt soepel, met zijn drie jamben, en hij allittereert mooi, met zijn drie v's: De val van verf en roest. Via verf en val doet hij aan verval denken, en via verval en roest aan herfst. Hij is dan ook te vinden op een donkerbruin omslag, waarop ruimte is uitgespaard voor een herfstige foto. We zien de uiteinden van de roestige spijlen van een hek, een paar centimeter boven de steen waarin het hek geklonken is. Ernaast groeit nog wat armetierig gras. Op de steen is onder elke spijl een oranjebruine roestvlek ontstaan. Daar zien we dus letterlijk wat de val van verf en roest teweegbrengt. Maar de titel zal ook wel figuurlijk moeten worden opgevat: eerst moet de buitenkant (de verflaag) eraan geloven, daarna wordt ook het binnenste (het ijzer) aangetast. Voor wie de symboliek dan nog niet duidelijk is, is er het slotgedicht uit de bundel, met de droge titel ”Hek'. Het lijkt mij niet zomaar een hek waarvan de dichter zich in de eerste regels afvraagt: ”Waarom deze ijzeren spijlen met verlies van/ roest over hun drempel van steen?' Ik denk dat het hier gaat om een begraafplaatshek. Het staat er volgens de dichter niet om de doden te verhinderen vanuit hun tombe aan de wandel te gaan. ”Nee, het staat er om/ voor altijd te waken over grotere vrede/ tussen de wereld en dat andere, wrede.' Met dat andere, wrede zal de dood bedoeld zijn. Aardige gedachte: dat leven en dood op voet van oorlog met elkaar staan en dat het maar beter is om ze met een hek ver uit elkaar te houden. Al is het, gezien de roestvorming, de vraag of dat inderdaad voor altijd zal lukken.

Het is typisch dichterlijk om via het kleine detail van roestkringen uit te komen bij de grote kwestie van leven en dood. Het is ook typisch dichterlijk om er wat vaag over te blijven, in een gedicht dat niet goed kan kiezen tussen het formuleren van een al te grote waarheid en het naëf mijmeren bij een hek. En intussen is het typisch Gellings om aan zo'n vergankelijk, laag bij de gronds standpunt een bundel op te hangen. Zijn debuut droeg als titel Het oog van de egel, waarbij bedacht moet worden dat het ging om een overreden egel, liggend op de weg en kijkend ”met een leeg oog naar niets'. Die dode egel keert in De val van verf en roest terug. Het is niet overdreven om te zeggen dat Gellings' poëzie in het teken staat van de tijd, en dus in het perspectief van de dood. Er komen nogal wat tijds- en seizoensaanduidingen in voor, variërend van een winter die vooruitwijst naar het voorjaar tot bloesems ”met één oud herfstblad', van een oude zomer tot een ”nacht zonder winter of lente'. Het zijn dichterlijke pogingen om de vaste kringloop der seizoenen te ontlopen. In de verbeelding kan het ergens ”later dan het einde van de tijd' zijn en als de dichter op een septembermiddag in de Prinsenhof dromerig om zich heen kijkt, waant hij zich eeuwen terug en weet hij zeker: ”tijd bestaat niet'.

Dit is het stramien: ingeklemd tussen een foto van en een gedicht over een roestig kerkhofhek probeert Gellings aan tijd en plaats te ontkomen. Erg oorspronkelijk is het niet en de uitwerking is nogal voor de hand liggend. Zit hij ontevreden thuis in de tuin, op een trage voorjaarsmiddag die maar niet voorbij wil gaan, dan vlucht hij volgens beproefd romantisch recept in de droom: ”ik ben op reis, mijn huis een vreemd hotel'. En dan is er weinig nodig om de verbeelding in gang te zetten:

Maar soms komt iets op gang door

jou, zacht parfum, houtvuur in de verte:

moment van kalmte zonder stilstand.

Dan neemt de tuin ons zwijgend op en

gaat de middag over in een lucht gekleurd

door alle raadsels van de wereld.

Ik neem aan, ook op grond van de minstrelige titel ”L'air du temps', dat in deze regels de romantische opvlucht wordt bezongen. Maar het omgekeerde is ook mogelijk. Misschien is aan het eind, met die lucht die gekleurd wordt door alle raadsels van de wereld, de voorjaarsdepressie nog wel groter dan in het begin.

En zo is Gellings wel vaker hinderlijk vaag in zijn bedoelingen. Het gaat hem geloof ik ook niet om heldere beweringen, eerder om roezige impressies en halve verbindingen. ”Hoog in de toren tintelt stil kristal/ van brons zijn kil moment': zo klinkt bij hem een carillon. Het liefst zou hij verwijlen in droom en verbeelding, in een poezelige wereld van schaduw, dagboek en bloesem, met paviljoenen, zonlicht over water en een waas van rododendron, lampionlicht van een bruiloft en een pavane met een zwaan tussen lelies als paletten. Maar deze geijkte ingrediënten moeten nu eenmaal in het verband van een gedicht worden opgenomen. Dus dan worden er eens wat diepzinnige vragen gesteld: ”waar gebeuren dingen toch?' Of dan worden er waarheden gevangen in gewrochte formuleringen als deze: ”Immers, alleen een vrouw weet wat/ pijn is, exploreert haar bestaan/ als een moedermoeras van graspol/ tot luchtbel waarin een gezicht.' Het is het begin van ”Poeta femina', een poëticaal zwangerschapsgedicht dat eindigt met de geboorte van het vers, tevens van het kind. Dichten, baren, koken: het is bij Gellings een pot nat. In de laatste regel wordt de pasgeborene nog even snel ”afgeblust met een scheut vruchtwater' alvorens opgediend te worden.

Men moet er van houden, van deze receptuur. Mij is het allemaal wat te moedwillig en te pathetisch, teveel poëzie die echte poëzie wil suggereren. ”Je hebt zoveel gezichten/ als geheimen die ik deel', zegt de dichter in zijn cyclus ”Courtisane'. Maar in de vijf gedichten krijgen we geen enkel gezicht te zien, en dus ook geen enkel geheim. Wel een gezochte tegenstelling als ”In dit gezelschap is mijn eenzaamheid/ volmaakt'. Wel een marmeren bad, waarin een warme golf ”die ons opneemt in stilstand'. Wel een ”vloedlijn wanneer stilte van ver komt'. Wel bevindt zij zich ”onder mijn huid als parfum', wat mij een cosmetische noviteit lijkt. Aan het slot verlaat de dichter zijn lichaam. Hij heeft zichzelf gezien van een rots. En hij is trots. Dat rijmt. Intussen heeft hij wel een nederlaag moeten accepteren. Hij noemt zich met een belegen paradox ”bezitter van verlies'. Want zo gaat dat met courtisanes.