Dirk zit in de bijstand en Debbie in de banenpool

Als het aan de staatssecretaris van sociale zaken ligt zullen werkloze jongeren volgend jaar hun inkomen zelf verdienen. Vorige week stelde zij voor de bijstand voor jongeren tussen 18 en 21 jaar af te schaffen. Volgens haar is er geen reden voor bijstand voor jongeren.

AMSTERDAM, 30 APRIL. Natuurlijk wil hij niet altijd van een bijstandsuitkering leven. Mensen kijken je er op aan. Zijn vrienden vinden hem een "luie flikker'. Als ze een afspraak met 'm willen maken en hij zegt "wacht, ik kijk even in mijn agenda', beginnen ze te lachen.

Dirk is negentien jaar en zit sinds oktober in de Algemene Bijstands Wet. Van de Gemeentelijke Sociale Dienst in Leeuwarden krijgt hij 860 gulden per maand. Trek er de helft af voor de huur en je weet waarvan hij leven moet. Daarnaast betaalt de sociale dienst zijn haptotherapie.

Begin 1990 is hij afgehaakt van het VWO. Zijn ouders waren gescheiden en zijn vader deed voortdurend een beroep op hem. Ze zaten thuis hele dagen tegen elkaar aan te kijken tot Dirk er depressief van werd. Op een gegeven moment kon hij zijn vader wel vermoorden. Toen is hij het huis uitgegaan.

Een hulpverlener bij wie hij vorig jaar aanklopte heeft voor hem geregeld dat hij is ontheven van zijn sollicitatieplicht. “Jij kunt nu nog niet werken”, had hij hem gezegd. En dus zit hij veel thuis, gitaar te spelen, te denken. “Het is moeilijk jezelf 's ochtends op te tillen als je alleen bent”, zegt Dirk.

Als het aan staatssecretaris E. ter Veld (sociale zaken) ligt, zal Dirk zichzelf wel op mòeten tillen. Vanaf april 1994 dient hij zijn inkomen elders te zoeken. Vorige week stelde zij voor de bijstand voor jongeren tussen 18 en 21 jaar af te schaffen. Volgens haar is er geen reden voor bijstand voor jongeren. Of ze studeren, of ze werken - en als ze geen werk kunnen vinden komen ze in het Jeugdwerkgarantieplan terecht. Sluit als een bus.

“Ja, op papier is het sluitend”, zegt B. van Dijck, secretaris van de stichting Maatwerk voor jongeren, de uitvoeringsorganisatie van het Jeugdwerkgarantieplan (JWG) in Amsterdam. Maar als het sluitend is, waarom moeten dan nog zo'n 16.000 jongeren een beroep doen op de bijstand?

Nederland telt 675.000 jongeren in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar. Van hen volgen 330.000 voltijdsonderwijs; zij krijgen van het ministerie van onderwijs de zogeheten basisbeurs. Een thuiswonende scholier of student ontvangt ongeveer 230 gulden, een uitwonende 566 gulden. De OV-studentenkaart stelt hen, voor zolang dat nog duurt, in staat onbeperkt te reizen.

Dan zijn er de werkende jongeren: 293.000. Die ontvangen van 970 gulden bruto per maand voor een 18-jarige tot 1312 bruto per maand voor een 20-jarige: het minimumloon. Van de rest leeft ongeveer 5.000 van de kinderbijslag, 16.000 jongeren van de bijstand (al zijn dat er volgens een woordvoerder van Sociale Zaken dit jaar al weer minder geworden). Tegen de tienduizend jongeren zouden werken via het Jeugdwerkgarantieplan. De kleine restgroep die overblijft bestaat bijvoorbeeld uit jonge moeders die geen deel hebben aan het arbeidsproces en niet naar school gaan.

Over het algemeen zijn jongeren optimistisch over het uitzicht op werk. Bij het Scholierenonderzoek 1992 (onder jongeren van twaalf tot twintig jaar) van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting zei vier procent te denken geen werk te zullen vinden. Als reden voor een mogelijke werkloosheid geeft 21 procent het gebrek aan werkervaring op, 34 procent noemt het niet aansluiten van de opleiding op het werk. Het niet beschikbaar zijn van werk in de sector waarvoor men wordt opgeleid noemt 14 procent.

Werkloze jongeren van 16 en 17 jaar en schoolverlaters (die minder dan een jaar geleden van school zijn gegaan, met of zonder diploma) van 18 tot 21 jaar komen in aanmerking voor het JWG. Als ze een halfjaar staan ingeschreven bij de Regionale Arbeidsvoorziening (RBA) zonder dat die voor hen een baan heeft gevonden. kunnen ze worden overgeheveld naar het JWG. Dat geldt niet voor iedereen. Sommige jongeren hebben weliswaar nog geen baan na een halfjaar, maar worden zo kansrijk geacht dat via de reguliere bemiddeling nog maximaal een halfjaar mag worden geprobeerd hun een baan te bezorgen. Het JWG is echt de sluitpost van de sociale zekerheid voor jongeren, aldus Van Dijck.

Voorzitter drs. H. Smits van de RBA voor Amsterdam, Waterland en de Zaanstreek heeft in het eerste kwartaal van 1993 ruim 650 jongeren aangedragen voor het JWG. In zijn regio stonden op het eind van het eerste kwartaal van dit jaar 22.500 werkloze jongeren tot en met 26 jaar ingeschreven. Twee maanden voor de termijn van een halfjaar (in die tijd leven de jongeren van de kinderbijslag) is overschreden, hoort Smits Maatwerk op de hoogte te stellen van de jongere die men daar kan verwachten. Die tijd is nodig om de jongere te bemiddelen. Maatwerk geeft jongeren een arbeidscontract, betaald door Sociale Zaken, en gaat op zoek naar een baan.

Het werk dat voor de jongeren wordt gezocht bestaat uit "additionele' banen in de collectieve sector of in non-profit organisaties. Additioneel, om geen valse concurrentie op te leveren voor de reguliere cliënten van het arbeidsbureau. Zo zit Debbie sinds twee weken aan de receptie van de Banenpool voor mensen die ouder zijn dan 22 jaar.

Nadat ze mei vorig jaar van de school voor LHNO was gekomen, ging ze via een uitzendbureau aan het werk. Eerst in de kantine van een bejaardencentrum, daarna als koffiejuffrouw op een kantoor. “Dat was niet zó. Als je vijf minuten te laat was met de koffie, liepen ze meteen achter je kont van "snel, snel'. Daar kan ik niet tegen.” Toen ze daar min of meer gedwongen weg moest, de Ziektewet in, hadden ze bij het uitzendbureau geen nieuwe baan voor haar. “Ja, supermarkt-werk. Niks voor mij.” Toen ze naar de sociale dienst ging, kreeg ze te horen dat ze geen recht had op een uitkering: ze had nog geen half jaar gewerkt. “Daar verwezen ze me naar Maatwerk.”

Op 1 maart kwam ze bij Maatwerk. Ze kreeg meteen een dienstverband - 732 gulden - en anderhalve maand later kon ze bij de Banenpool beginnen voor 32 uur per week. Tot half oktober loopt haar contract, want het JWG zendt uit voor een halfjaar. Als ze in de tussentijd een "echte' baan vindt, neemt ze 'm direct. En misschien vindt Maatwerk ook wel een reguliere baan voor haar.

Haar collega Jamal heeft het op die manier gebracht tot de personeels- en salarisadministratie van de Banenpool. Drie keer een halfjaar heeft hij gewerkt via Maatwerk. Daarbij heeft hij cursussen gevolgd via het arbeidsbureau: Wordperfect, D-Base, Nederlands, Engels en typen. Achthonderd gulden per maand was zijn loon. Dat is nu veel, veel meer, grijnst hij. Hij betaalt er kostgeld van aan zijn ouders, “want die doen verder alles voor me.”

Minister-president Lubbers liet woensdag in een interview in de Volkskrant merken veel te verwachten van het Jeugdwerkgarantieplan. “De jongeren kunnen helpen bij de opvang en begeleiding van asielzoekers”, dacht de premier. Of schoonmaken en schilderen. “Op zich zijn die ideeën van Lubbers prachtig”, zegt Van Dijck. Maar volgens hem is het gevaar dat het JWG een verkapte uitkeringsinstantie wordt. Nu hebben 460 jongeren een dienstverband bij het JWG. Zestig procent van hen heeft ook daadwerkelijk een baan, de rest is nog niet geplaatst. Nu is het soms al moeilijk een baan te vinden en als straks de instroom werkelijk veel groter wordt zal het aantal mensen toenemen dat wel een contract krijgt van Maatwerk - betaald door Sociale Zaken - maar in feite niet kan werken. “Dan bespaar je dus aan de ene kant en geef je het aan de andere kant weer uit aan dezelfde groep.”

Maar zelfs dan zullen er altijd grijze gebieden blijven waar een vorm van bijstand moet worden ingezet. Van Dijck: “Van sommige jongeren constateert de uitvoerende organisatie dat ze niet op een baan passen. Die missen eenvoudigweg de sociale vaardigheden. Dat zijn randgroepjongeren.” Die randgroep krijgt lessen in sociale vaardigheid van Maatwerk, in de hoop dat ze ooit aan te passen zijn aan een baan.

Anderen zijn "objectief niet-plaatsbaar'. “Junks”, zegt Van Dijck. “Of mensen die anderszins lichamelijk of geestelijk niet in staat zijn te werken.”