De vergrijzing van de Oranjehulde

Twee oranje strikken in het haar en oranje sokken onder haar bloemetjesjurk, een paar banken voor me in de klas. Daisy Belle. De lieflijkheid van haar naam viel moeilijk te rijmen met het volwassen cynisme waarmee ze leraren te lijf durfde te gaan. Maar in haar Oranjehulde op 30 april was geen spoor van ironie. Geen verjaardag van het koninklijk huis vergat ze.

Daisy ben ik na de middelbare school uit het oog verloren. Op haar oranje sokken is ze voorgoed het verleden ingelopen. Later, is me verteld, kreeg ze verkering met een Ier en bracht ze boodschappen over voor het Ierse Republikeinse Leger.

Zo hartverwarmend Oranjegezind als Daisy heb ik ze later niet meer gezien. Wel vrolijke kindergezichten achter vlaggetjes, die de vorstin toezingen dat ze lang moge leven. Of kinderen die bibberige blokfluittonen blazen, die rommelzolders uitstallen op een kleedje, die ingezakte cakes en waterige limonade aanprijzen. Maar oranje sokken onder de schoolbank?

“Jongeren in onze vereniging?” Met zijn 47 jaar is J. Gies, voorzitter van de Baarnse Oranjevereniging, zelf eigenlijk een van de jongeren. De echte jonkies in zijn vereniging zijn een jaar of 35. “Maar dat heb je in de verstedelijkte gebieden”, zegt hij. Zelfs in Baarn, waar de koningin toch haar schooljaren heeft doorgebracht “krijg je haast geen jongeren meer in het verenigingsleven”.

Nog niet eens voor de sportverenigingen, aldus G. Lugtigheid, die de Rotterdamse vereniging "Strijders voor Oranje' voorzit. Dus dan kun je wel nagaan. Zestig jaar oud is zijn vereniging en daarmee is zij jonger dan de meesten van haar "strijders', want hun gemiddelde leeftijd ligt boven de pensioengrens. Aanwas is er haast niet meer. Het verwatert langzamerhand, zucht Lugtigheid.

Dertig jaar geleden, zegt de Oranjestrijder, toen stonden nog 100.000, 150.000 mensen langs de straten echt de verjaardag van de koningin te vieren. Met zijn kwetsbare leden gaat hij nu op 30 april de straat niet meer op. Het is binnen samenzang, een film en oranjebittertjes. “Ik ben wel eens jaloers als ik de collega's uit de dorpen hoor”, zegt Lugtigheid. “Daar is de gemeenschapszin anders.”

In Marken, bijvoorbeeld, waar de kinderen 's ochtends vroeg een aubade brengen op het Kerkplein - ze zingen het Markens volkslied en het Wilhelmus. Waar de vrouwen in het dorp hun klederdracht aanpassen aan de gelegenheid, met oranje borstlappen, schorten enzovoorts. Sabrina Haring droeg ook de oranje klederdracht. Tot ze van de basisschool kwam, nu twee jaar geleden, toen had ze er eigenlijk niet zoveel zin meer in. En ze hield ook meteen op kornet te spelen in het muziekkorps.

Nu is koninginnedag “gewoon gezellig”, met slenteren over de markt en hangen in de kroeg. Voorzitter H. Zeeman van de plaatselijke Oranjevereniging weet het. Als de jongeren nog iets doen, dan beperkt het zich tot spelen in het muziekkorps - want dat zijn de meeste oranjeverenigingen in feite - “en daarna gaan ze aan het bier”.

Ook de Oranje Garde, ooit een bloeiende tak aan de oranjeboom, is aan het afsterven. Van de veertig, vijftig christelijke oranje-jeugdverenigingen zijn er nog twee over. Een in Heinendoorn en een in Klundert. Het overkoepelende orgaan is in 1972 opgedoekt - al stuurt de voormalige secretaris nog elk jaar uit naam van de federatie een felicitatiekaartje naar P. Ardon, voorzitter van de Oranje Garde in Klundert.

Toen de Garde in 1946 werd opgericht, was het doel van de vereniging nog het overdragen van de vaderlandse historie. “Prins Maurits, Frederik Hendrik, de stedendwinger”, dat leerde Ardon toen hij als achtjarige lid werd. Later, zo eind jaren vijftig, doceerde hij de Oranje-gekleurde geschiedenis als jeugdleider aan de kinderleden. Maar toen wist iedereen het wel, niemand luisterde nog naar de lessen en ten slotte werden ze afgeschaft. Nu is de Oranje Garde een drumband geworden en een majorettekorps.

Maar er gloort weer hoop. Acht jaar geleden zag voorzitter T. Dres van een Oranjevereniging in Utrecht hoe zijn burgemeester “in haar uppie” de vlag stond te hijsen op 30 april. Hij heeft haar direct om subsidie gevraagd voor een rondvaartboot en het jaar daarop nam hij de eerste vijftien kinderen van zijn basisschool Aloysius mee om het Wilhelmus te zingen op de trappen van het stadhuis. “Puur op basis van vrijwilligheid.” Vorig jaar waren het er al 350 en dit jaar verwacht hij nog meer kinderen.

De elfjarige Ronald gaat ook mee, vermomd als voetbalsupporter. Hij heeft zijn gezicht rood-wit-blauw en als het mag, spuit hij zijn haren nog oranje ook. Voor de deur van zijn huis verkoopt hij vanmiddag vazen en kauwgumballen uit een automaat. En als-ie is uitverkocht, gaat hij misschien in de oranje auto van zijn oom een ritje maken.

Maar oranje sokken? Nee.