De geheimzinnige boeren uit de Ijzertijd; Op zoek naar de Kelten in Nederland

Nederland heeft nooit veel opgehad met de Kelten, ook al waren ze hier ooit wel. Zelfs de expositie die het Allard Pierson Museum aan ze wijdt, eindigt met een vraagteken: De Kelten in Nederland? Veel sporen hebben ze dan ook niet nagelaten en het weinige dat er is doet voor de leek enorm Romeins aan. Maar schijn bedriegt. “Geen Romein zou het in zijn hoofd halen om een tempel op het platteland te bouwen.”

De expositie "Kelten in Nederland?' in het Allard Pierson Museum is t/m 11 juni te zien. Amsterdam, Oude Turfmarkt 129. Di. t/m vr. 10-17u, za. en zo. 13-17u. Inl. over de manifestatie "Celtica Nederland' bij de Stichting A.G. van Hamel, Postbus 1427, 3500 BK Utrecht.

Generaties gymnasiasten en lezers van de avonturen van Asterix kunnen ze dromen: de beroemde eerste zinnen van Caesars Aantekeningen over de Gallische Oorlog. "Gallië is verdeeld in drie stukken' doceert de Romeinse veroveraar, om vervolgens de inheemse bewoners te benoemen als Belgae (in het Noorden), Aquitani (in het Zuiden) en "lieden die in hun eigen taal Celtae heten maar in de onze Galli.' De Belgae zijn het verst verwijderd van de beschavende invloed van de provincia (de geromaniseerde Provence), en voeren voortdurend oorlog met de woeste Germanen van over de Rijn. Daarom, besluit Caesar, zijn zij van alle Gallische volkeren het dapperst.

Caesar wist waarover hij het had. Toen hij in 51 voor Christus zijn Aantekeningen publiceerde was heel Gallië bezet, maar in het gebied tussen Rijn en Marne had hem dat veel moeite en mankracht gekost. Vijf jaar lang had hij daar een bloedige oorlog uitgevochten met verschillende Belgische stammen, en vooral met de Eburonen onder hun hoofdman Ambiorix. Nadat hij in 54 een compleet legioen had verloren, koos hij voor drastische maatregelen. De vijand werd stelselmatig uitgemoord, zijn landerijen gebrandschat, zijn woonplaatsen van de kaart geveegd. De Eburonen verdwenen uit de geschiedenis. Hun trof in extreme mate het lot van de andere Keltische stammen op het vasteland: eenmaal verslagen door de legioenen, werden ze opgenomen in het Imperium Romanum en getransformeerd tot fatsoenlijke "Gallo-Romeinen'.

Tweeduizend jaar na Julius Caesar maken de Kelten hun come-back in de geschiedschrijving. De interesse voor beschavingen uit de IJzertijd (700-50 v. Chr.) is groeiende en exposities van Keltisch goud en zilver trekken volle musea. Daarbij wordt het belang van de Kelten voor de Europese cultuur steeds hoger geschat; ten tijde van de grote Kelten-tentoonstelling, twee jaar geleden in Venetië, werden ze door sommige geleerden zelfs uitgeroepen tot de werkelijke pioniers van het verenigd Europa. Dat de honderden verschillende Keltische stammen in Europa geen centraal bestuur en hoogstens een Keltisch dialect gemeen hadden, werd in de euforie gemakshalve vergeten.

Over de oude Kelten is wel meer gefantaseerd. Dat is niet verwonderlijk, want in tegenstelling tot hun overwinnaars, de Romeinen, hebben ze geen geschreven bronnen nagelaten. Wat we van ze weten, komt uit de boeken van klassieke historici en etnografen. Zij beschouwden de "Keltoi' (ook wel "Galli' of "Galatae' genoemd) als onbedorven wilden, die vanaf de zesde eeuw v. Chr. vanuit de Alpen over heel Europa waren uitgezwermd en onder meer Rome en Delphi hadden geplunderd. De boomlange barbaren liepen in broeken, bracae, droegen dikke gouden halsringen, torques, wasten hun haar in een kalkbad, en stonden bekend om hun onverschrokkenheid. Beroemd is het verhaal van de ontmoeting tussen Alexander de Grote en een Keltisch gezantschap aan de Donau. Alexander vroeg wat de Kelten de meeste angst inboezemde, en verwachtte als antwoord "U, heer.' Maar de gezanten verklaarden dat ze maar voor één ding bang waren, namelijk dat de hemel op hun hoofd zou vallen. Hun antwoord zou de Grieken en Romeinen nog eeuwen verbazen, en is tegenwoordig nog steeds een van de running gags van de Asterix-strips.

Vechten en feesten

Net als in de rest van Europa lijkt er in Nederland de laatste tijd meer aandacht te komen voor de pre-Romeinse cultuur, voor de vergeten stammen die vóór (maar ook nog na) het begin van onze jaartelling tussen Rijn en Schelde woonden. Eind 1992 organiseerde de Stichting A.G. van Hamel voor Keltische Studies een symposium waarop werd gediscussieerd over de Kelten in Nederland. Komend najaar vindt in Utrecht de tentoonstelling "Vechten en feesten bij de Kelten' plaats. En op dit moment is in het Allard Pierson Museum in Amsterdam een bescheiden expositie van Keltische kunst- en gebruiksvoorwerpen te zien - als onderdeel van de manifestatie "Celtica Nederland' waarmee de Nederlandse keltistiek zich aan een breed publiek wil voorstellen.

Nederland heeft nooit veel op gehad met het Keltisch verleden. Ambiorix mocht dan alom gelden als de Arminius van de Lage Landen, hij was in de eerste plaats een Belgische held, met een standbeeld in Tongeren. En de Eburonen mochten tot diep in het Nederlandse rivierengebied hebben gewoond, hun stamland lag in Belgisch Limburg. In Nederlandse geschiedenisboekjes werden dan ook niet de Galliërs of Belgae als verre voorvaderen genoemd, maar de Bataven: een - volgens Romeinse historici - Germaanse stam die na Caesars veroveringen de Rijn afzakte en neerstreek in de Betuwe.

Dat de Kelten in Nederland zo weinig tot de verbeelding spreken, komt ongetwijfeld doordat ze weinig sporen hebben achtergelaten. Uit het buitenland hoor je nog wel eens dat er een Keltische goudschat is opgegraven of een heuvelfort (oppidum) blootgelegd. Het British Museum is beroemd om zijn vitrines vol torques en wapentuig uit de IJzertijd, en in Oost- en Zuid-Frankrijk heeft iedere middelgrote provincieplaats een Gallo-Romeins museum. Maar in Nederland schieten mij in eerste instantie geen bekende Keltische overblijfselen te binnen.

“Dat is niet zo gek”, zegt de keltoloog Lauran Toorians, een maand voor de opening van de tentoonstelling in het Allard Pierson Museum die hij mede samenstelde. “Het zuiden van Nederland bevond zich aan de rand van het Keltische cultuurgebied, en onderging ook invloeden van de Germanen uit het noordoosten. Je had hier geen "pure' of rijke Keltische cultuur, en grote oppida zoals bij Kessel-Lo of op de Kemmelberg in Vlaanderen zijn niet gevonden. Veel bijzondere voorbeelden van Keltische cultuur in de Nederlanden dateren bovendien uit de Romeinse tijd, en dan worden ze al gauw meer als Romeins dan als Gallisch gezien.”

Ik ben naar Toorians gegaan om er achter te komen wat er in Nederland nog van de Kelten over is. Het lijstje is overzichtelijk: een paar artefacten in de grote archeologische musea, een klein heuvelfort bij de Sint Pietersberg (aan de Belgische kant), en de resten van twee Gallo-Romeinse heiligdommen onder de kerk van Elst en aan de Maas bij Empel. Als ik zeg dat dat laatste me verbaast - van die tempels heb ik gehoord, maar die zijn toch gebouwd door de Bataven, en niet door de Kelten? - legt Toorians uit dat de Bataven tegenwoordig vaak gerekend worden tot de Keltische stammen: de Romeinen noemden hen Germanen omdat ze van over de Rijn kwamen, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat ze inderdaad Germaans spraken.

Grafveld

Voordat ik op zoek ga naar de restanten van Keltisch Nederland bel ik dr. Nico Roymans. Hij is als IJzertijd-specialist verbonden aan het Instituut voor Pre- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam, en was een van de opgravers van de inheems-Romeinse "tempel van Empel' in 1990. Roymans is nog voorzichtiger dan Toorians. Van Kelten wil hij liever helemaal niet spreken (“Als archeoloog werk ik niet met dat soort op taal gebaseerde macro-begrippen”), maar hij nodigt me uit om eens een kijkje te nemen bij de enige IJzertijd-opgraving waaraan op dit moment gewerkt wordt: het grafveld van Mierlo-Hout, bij Helmond. We spreken af voor over twee weken.

In de tussenliggende tijd verdiep ik me in de Kelten. Ik lees het standaardwerk van de Belg S.J. De Laet, Prehistorische culturen in het zuiden der Lage Landen (Wetteren 1979), en bezoek twee archeologische musea met een IJzertijdcollectie. Het Rijksmuseum van Oudheden blijkt de reis naar Leiden niet waard: de afdeling Nederland wordt heringericht en zelfs de wereldberoemde "schijf van Helden', een verguld-zilveren jachtscène uit de Late IJzertijd, is niet voor het publiek te zien. In Museum Kam in Nijmegen (eens het Keltische Novio-magus, "Nieuw-markt') tref ik het beter. Ook daar wordt verbouwd, maar gelukkig worden bijna alle Keltische topstukken op de benedenverdieping tentoongesteld: een ijzeren zwaard met bronzen schede dat is opgedregd uit de Waal (1e eeuw v. Chr.); de gesmolten resten van het "Wagengraf van Nijmegen', de laatste rustplaats van een lokale edelman uit de vierde eeuw v. Chr; en een prachtige, met rood email ingelegde bronzen spiegel - de enige in zijn soort die op het Europese vasteland is gevonden.

Niet ver van Nijmegen, in de Over-Betuwe, ligt Elst. Het stadje tussen Nederrijn en Waal, in de vroege Romeinse tijd een kleine Bataafse nederzetting, werd zwaar gehavend in de Slag om Arnhem, maar kreeg er tijdens de restauratie van de gotische Werenfriduskerk een archeologisch monument bij. Onder het uitgebrande schip vond men de resten van twee Gallo-Romeinse stenen tempels. De eerste werd gebouwd rond 50 n. Chr. en twintig jaar later verwoest tijdens de Bataafse opstand tegen de Romeinen. De tweede, die zes keer zo groot was (31 bij 23), werd aan het eind van de eerste eeuw opgericht - veertien meter hoog en met een royale zuilengalerij rondom.

Met een ouderwetse aanwijsstok geeft de koster van de kerk uitleg bij de mini-expositie die in een zijbeuk is ingericht. De getoonde voorwerpen ogen weinig opzienbarend en vóór alles Romeins: wat stukken steen, een oranje dakpan, en de schedelresten van een suovetaurilia, een Romeins reinigingsoffer bestaande uit een varken (sus), een schaap (ovis) en een stier (taurus).

Belangwekkender zijn de tempelresten in de grote kruipruimte onder de kerk, een doolhof van muurtjes, pijlers en steenstapelingen waarin met enige hulp de verschillende bouwlagen en -stijlen zijn te ontdekken. Van tempel II zijn de fundamenten van het eigenlijke heiligdom (de cella) te zien en een stukje van de colonnademuur. Van tempel I rest niet veel meer dan een vloer van kalkspecie met een flinke kuil erin. Maar hoe goed je ook kijkt, voor het oog van de leek doet alles Romeins aan. Elst biedt bitter weinig keltiek.

Mistig

“Schijn bedriegt”, zegt Nico Roymans, als ik hem een week later op een mistig station Helmond-'t Hout vertel van mijn teleurstellende bezoek aan de Betuwe. “Net als de tempel van Empel is die van Elst typisch inheems. Natuurlijk, de bouwtechnieken waren Romeins en het materiaal werd gemporteerd. Maar geen Romein zou het in zijn hoofd halen om een tempel op het platteland te bouwen. Dat, plus het feit dat Romeinse tempels nooit een vierzijdige zuilengalerij hebben, is een aanwijzing: Elst en Empel waren inheemse heiligdommen, door de Bataafse elite gebouwd op plaatsen waar in de IJzertijd al goden werden vereerd.”

We lopen door een ruim opgezette nieuwbouwwijk naar de plaats van het urnenveld uit de IJzertijd dat onlangs is blootgelegd. Een noodoperatie, onderstreept Roymans: “we graven voor de bulldozers uit, over een paar maanden staan op deze zandgronden luxe villa's.” In een ijzeren bouwkeet, die dienst doet als hoofdkwartier en koffiehuis voor vier verkleumde archeologen, licht Roymans aan de hand van stafkaarten de opgraving toe. Aan weerszijden van de keet bevindt zich een grafveld van 100 bij 500 meter waar in de periodes 650-450 v. Chr. en 25-400 n. Chr. tweehonderdvijftig mensen na verbranding zijn bijgezet. Rondom de begraafplaats woonden naar schatting drie tot vijf families, in houten strodakboerderijen van het zogenaamde "woonstaltype': anders dan in het buitenland sliep in Nederland mens en vee onder één dak.

Het klinkt allemaal weinig spectaculair, en dat is het ook niet. De opgraving is er een uit de categorie "voor de liefhebbers'. In de IJzertijd was dit een misschien een idyllisch landschapje met een paar honderd heuveltjes, nu is het een rommelig stuk akker dat omslachtig bouwrijp wordt gemaakt. In brede, gebulldozerde sleuven tekenen zich cirkels en rechthoeken af - verkleuringen die aangeven waar eens de graven en de bijbehorende greppels lagen. Grote vondsten zijn niet gedaan. Roymans: “De mensen die hier woonden hadden een armoedig grafritueel, maar dat wil niet zeggen dat hun cultuur laag ontwikkeld was; per slot van rekening begraven wij onze doden ook alleen in een pak. Uit rijkere opgravingen op de Brabantse zandgronden hebben we in ieder geval wel kunnen opmaken dat er contacten waren tussen de plaatselijke elites en de Keltische wereld van Midden-Europa.”

Terug in de koffiekeet wil Roymans wel wat meer zeggen over wat hij het Keltenvraagstuk noemt. “De discussie over Kelten en Germanen in Zuid-Nederland wordt bemoeilijkt door het feit dat wetenschappers uit verschillende disciplines langs elkaar heen praten. Taalkundigen zeggen: iemand is een Kelt als hij Keltisch spreekt. Jammer genoeg is er in deze contreien weinig Keltisch overgeleverd - een handvol namen die evengoed geleend kunnen zijn - dus probeer dan maar eens een zinnige conclusie te trekken. Archeologen baseren zich op de materiële cultuur en plakken de boeren uit de IJzertijd liever geen etnisch etiket op. Wij spreken niet over Kelten, maar hoogstens over "gekeltiseerde stammen'. Ons onderzoek concentreert zich op cultuurbenvloeding.

“De hele discussie gaat terug op Caesar. Die wilde de geschiedenis in als veroveraar van heel Gallië. Omdat hij niet eindeloos kon doorgaan, verklaarde hij de Rijn tot de etnische grens tussen de woeste Kelten en de nog woestere Germaanse horden. Maar als je een bewoner van een IJzertijdnederzetting aan de Rijn zou hebben gevraagd of hij Kelt of Germaan was, dan zou hij je onbegrijpend hebben aangestaard. "Ik ben Jansen van Pietersen', zou hij zeggen, of, als hij erg ruimdenkend was, misschien: "Ik ben een Eburoon.'

Strafexpeditie

Die middag reis ik door naar Maastricht, in een laatste poging om in contact te komen met de geest van de Kelten, of althans die van de Eburonen. Na een kort bezoek aan het Bonnefantenmuseum - de afdeling archeologie wordt gereorganiseerd en het vermaarde Gallische "haantje van Buchten' is niet te bezichtigen - fiets ik op een gehuurde Batavus langs de Sint Pietersberg en de Eerste Nederlandse Cement Industrie. Vlak over de Belgische grens verrijst aan de rechterkant van de weg een bebost heuvelplateau. Daar bovenop, bij Kanne-Caster, moet een fort uit de Gallische Oorlog liggen, blootgelegd in de jaren zeventig. Sommige geleerden geloven dat het een klein oppidum van de Eburonen was; volgens anderen was dit het legendarische Aduatuca, de plaats waar Ambiorix in 54 v. Chr. zesduizend Romeinen in de pan hakte, en vanwaaruit Caesar later zijn strafexpeditie tegen de Eburonen organiseerde.

Na een steile klim langs een zigzagpad verwacht ik van alles: keienmuurtjes, paalgaten, verdedigingsgrachten - al dan niet overdekt met gras en struiken. Maar er is niets archeologisch te bekennen, zelfs geen bordje met informatie. Uitkijkend over de glooiende heuvelrug, met laag in de verte een kanaal en achter me een wei met witte koeien, dringt het tot me door dat de opgravingen hier natuurlijk van dezelfde aard waren als die bij Helmond. Het onderzoek is gedaan, de sleuven zijn weer dichtgegooid, en er is niets dat nog aan de Eburonen herinnert.

Als ik terugfiets over de Sint Pietersberg besef ik hoe grondig Caesar te werk is gegaan. Hoe dapper de Belgae ook waren, in Nederland is bedroevend weinig van ze overgebleven.