Barbertje

De rechter komt binnen en neemt plaats achter een grote tafel. Daarna gaan ook de verdachte en de griffier zitten.

Rechter: “Verdachte, ik lees hier in de stukken dat u wegens winkeldiefstal bent veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Is dat juist?”

Verdachte: “Dat is juist, edelachtbare.”

Rechter: “Ik lees ook dat u uw straf heeft uitgezeten. Waarom moet u dan opnieuw voorkomen?”

Verdachte: “Omdat ik weiger die ƒ 1250 per maand te betalen voor kost en inwoning in de gevangenis.”

Rechter: “En waarom weigert u dat bedrag te betalen?”

Verdachte: “Het gaat hier om een principiële zaak, edelachtbare. Ten eerste lijkt het me onredelijk te moeten betalen voor een verblijf dat ik niet heb gewild. Ten tweede gaat de huur van mijn huis gewoon door tijdens mijn gevangenschap, en dat geldt ook voor het telefoonabonnement, voor het schoolgeld van mijn kind en voor andere vaste lasten. Niemand kan toch verwachten dat ik voor die ene maand de huur opzeg, de telefoon laat afsluiten en mijn kind thuislaat.”

Rechter: “Dat had u maar eerder moeten bedenken.”

Verdachte: “Bovendien vind ik dat iemand die kost en inwoning betaalt, daar bepaalde verlangens tegenover mag stellen, zoals hij ook doet in een normaal pension. Een comfortabel bed, een douche, elke dag een ander menu, een toetje, en net zo laat opblijven als je zelf wilt. Maar zo is het in de gevangenis niet geregeld. En dan is er nog een ander punt, edelachtare. Beschikte de gevangene vroeger na zijn invrijheidstelling over een klein bedragje, waarmee hij een nieuwe start kon maken, in het nieuwe systeem wordt hij met een schuld de straat op geschopt. Op die manier komt er van enige reclassering niets terecht. Ik heb daarom besloten die ƒ 1250 niet te betalen. Ik zou het met mijn uitkering trouwens niet eens kunnen.”

Rechter: “Ik vrees toch dat er niets anders voor u op zit. De wetgever heeft het nu eenmaal zo bepaald.”

Verdachte: “Mag ik u dan attent maken op artikel 24C van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt gesproken over vervangende hechtenis.”

Rechter: “Vervangende hechtenis?”

Verdachte: “Ja, edelachtare. Daarin staat dat wie een bepaalde boete niet wenst te betalen, ook mag gaan zitten tegen een tarief van ƒ 25 per dag. Wie bij voorbeeld een parkeerbon van ƒ 100 niet wil voldoen, kan zich ook vier dagen laten opsluiten.”

Rechter: “Begrijp ik dat u op die manier die ƒ 1250 voor kost en inwoning wilt vereffenen?”

Verdachte: “Precies, edelachtbare!”

Rechter: “Eens even rekenen... dat is 1250:25=50. Ik moet u dan veroordelen tot een vervangende hechtenis van 50 dagen.”

Verdachte: “Dank u wel, meneer de rechter.”

Griffier: “Edelachtbare, ik wil mij er niet mee bemoeien, maar ik zou de verdachte er op willen wijzen dat hij voor die 50 dagen vervangende hechtenis ook weer kost en inwoning moet betalen. Omgerekend volgens de maatstaven van een bijstandsuitkering komt dat neer op een bedrag van ƒ 2075.”

Verdachte: “Dat betaal ik zeker niet!”

Rechter: “Aha! Dan zal ik u opnieuw een vervangende hechtenis moeten opleggen, dit keer van 2075:25=83 dagen.”

Griffier: “En daar moet ook weer kost en inwoning over worden betaald, te weten ƒ 3450.”

Verdachte: “Geen haar op mijn hoofd, die er over denkt dat bedrag neer te leggen.”

Rechter: “Dat blijft rekenen. Wij komen nu op 3450:25=138 dagen vervangende hechtenis.”

Griffier: “Dat loopt lekker op, edelachtare. Voor 138 dagen cel rekenen wij aan kost en inwoning ƒ 5750.”

Verdachte: “Nooit van mijn leven!”

Rechter: “Inderdaad. Bij de huidige wetgeving kan ik helaas niet anders doen dan u te veroordelen tot levenslang. De schuld voor kost en inwoning, groot ƒ 291.000 zal na uw dood op uw erfgenamen overgaan, maar ik wijs u er op dat zij de erfenis kunnen weigeren. Volgende zaak!”