Wat het Brabantse bootjesvolk 's zomers in Zuid-Holland achterliet

Leefden er in de Steentijd wel mensen in West-Nederland? Tot in de jaren zestig hadden archeologen het idee dat in het westelijk Rivierengebied niets te zoeken viel - de zeespiegelstijging, ingezet 10.000 jaar geleden aan het begin van het Holoceen, had de oude Pleistocene rivierenvlakte verdronken. Er was een landschap van meren, moerassen en broekbossen ontstaan, ongeschikt voor menselijke bewoning. Opgravingen werden er dan ook niet uitgevoerd, al werd er af en toe wel eens een scherfje aardewerk gevonden. Alles wat men van het Neolithicum (5.300-2.100 voor Christus) wist, kwam van de hoge zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland.

In het westelijke Rivierengebied was echter geen aandacht geschonken aan de mogelijkheden die donken voor bewoning hadden geboden. Donken zijn rivierduinen, ontstaan op de kale vlakte die ons land tijdens de IJstijden was.

In Oost-Nederland komt het Pleistoceen aan de oppervlakte, maar in het westen ligt het Pleistocene zand diep verborgen onder veen- en kleilagen, in Rotterdam bijvoorbeeld twintig meter onder NAP.

In dit gebied was zo'n honderd jaar terug van donken vaak alleen het topje te zien. Op enkele uitzonderingen na (de Donk van Brandwijk bijvoorbeeld of de Schoonenburgsche Heuvel) zijn ze grotendeels verdwenen. Ze zijn bebouwd, verploegd of geëgaliseerd.

Vooruitziende blik

Vink, een schoolmeester met een vooruitziende blik, heeft aan het begin van deze eeuw de toen nog zichtbare donken in kaart gebracht. Diens aantekeningen werden in de jaren zestig door amateur-archeoloog Huib de Kok uit het stof gehaald.

Met Vinks notities in de hand ging De Kok de donkrestanten systematisch bekijken. Zijn berichten waren vervolgens voor professor dr. Louwe Kooijmans, destijds conservator aan het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, aanleiding tegen de heersende houding in te gaan. Hij koos de Hazendonk (bij Molenaarsgraaf in de Alblasserwaard) voor nader onderzoek. Zijn opgravingen (1974-1976) toonden aan dat dit rivierduin vanaf het Neolithicum wel degelijk bewoond was geweest, zij het niet doorlopend.

Opmerkelijk was dat op de kop van de donk weinig of niets te vinden was. Het materiaal bevond zich juist tegen de donkhelling, in lagen die met veen of klei bedekt waren geraakt.

De zee steeg in het Neolithicum geleidelijk. Omdat de curve van die stijging bekend is, vormen die lagen op de donkhelling goede handvatten voor de datering.

Op grond van vergelijkend onderzoek naar het aardewerk onderscheidde Louwe Kooijmans indertijd zeven cultuurfasen in de bewoning. De oudste drie waren nog onbekend, zij kregen de naam van de vindplaats: Hazendonk 1 (4.100 vC), Hazendonk 2 (3.900 vC), Hazendonk 3 (3.700 vC). Het aardewerk van de daarop volgende fasen kon tot al bekende culturen worden gerekend: Vlaardingen 1a (3.500 vC), Vlaardingen 1b (3.200-3.000 vC), Vlaardingen 2b (2.600-2.500 vC) en Klokbeker (2.200 vC).

Een paar kwesties bleven hangen. In de eerste plaats de vraag naar de representativiteit van de Hazendonk voor de Neolithische bewoning van het westelijke Rivierengebied. Waren de Hazendonkers al die tweeduizend jaar toevallig buitenbeentjes? En verder vragen naar het karakter van de bewoning. Ontstonden de afvallagen gedurende een aaneengesloten tijdvak van bewoning? Trokken de mensen van donk naar donk? Of groeiden de afvallagen door seizoenbezoeken? Werden er dus jachtkampen opgeslagen? En waar kwamen de mensen vandaan?

Rotzooi

Tijdens de opgravingen voerden studenten van de Vakgroep Kwartair Geologie van de Vrije Universiteit grondboringen uit. In tien weken tijd werden achthonderd boringen "gezet'. Met het materiaal dat in de boorkernen naar boven kwam konden reconstructies worden gemaakt van de landschappen die bij de zeven bewoningsfasen van de Hazendonk hoorden. Maar dat was niet het enige resultaat.

Marten Verbruggen, een van de studenten, nu geoloog aan het Leidse Instituut voor Prehistorie: "Het bleek dat je de afvallagen in de putwand heel makkelijk ook in je boor kon herkennen. Het gaat om laagjes houtskool, verbrand bot, botsplintertjes en van de donk afgelopen zand. Soms zitten daar nog stukjes vuursteen en aardewerk bij. Als deze samenstelling een bewoningslaag definiëert zou het in principe mogelijk moeten zijn dergelijke lagen met de grondboor op te sporen. In vergelijking met boren is het graven van proefsleuven een veel moeizamere aangelegenheid. Boren zou dan om die reden goedkoper zijn, ook al omdat je in dit gebied bij graafwerk onmiddellijk dient te bemalen. Uit een beetje put moet je per uur toch al gauw zo'n vijftig kubieke water verwijderen.'

Dit idee en de onbeantwoorde vragen van Louwe Kooijmans vormden de basis voor een onderzoeksvoorstel dat in 1990 door NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) werd goedgekeurd en gesubsidiëerd. Marten Verbruggen moest door een boor-onderzoek op twintig donken de efficiëntie van de methode aantonen en een uitspraak doen over de representativiteit van de Hazendonk.

Verbruggen: "Door het vele commentaar dat ik in het begin kreeg raakte ik nogal ontmoedigd. Boren naar prehistorisch afval in een donk? Dat is zoeken naar een speld in een hooiberg, zei bijna iedereen. Maar het viel allemaal mee. Methodisch te werk gaan en stug volhouden. En gelukkig zitten er veel spelden in deze hooiberg. Je moet om te beginnen bepalen tot hoever de rotzooi - want dat is het in feite - kan liggen. Ik loop meestal een paar keer om zo'n donk heen en probeer erachter te komen hoe steil de helling is. Dan kan ik voorspellen hoever die helling ongeveer onder het grasland doorgaat. Daarna zet ik rijtjes boringen: raaien, loodrecht op de donk. De afstand van de boringen stel ik eerst op twee-eneenhalve - de afstand tussen de raaien op vijftien meter. Zo ga ik de hele donk rond. Bij het minste spoortje houtskool of bot verdicht ik het netwerk van de boringen. Na zo'n hondervijftig boringen per donk weet ik alles wat ik weten moet: waar de afvallagen zitten en hoe diep, hoe groot en hoe rijk ze zijn. Op twee manieren stel ik de ouderdom vast. Door de aanhechtingshoogte van de laag op de donk te vergelijking met de curve van de zeespiegelstijging en door C-14 datering van het houtskool.'

"Het blijkt dan dat de afvallagen altijd in waaiers van de donk afliggen. En het aardige daarvan is dat die zich steevast daar bevinden waar open water, een meer of een geul, de donk bereikte. Dat klopt heel mooi met het idee van ontoegankelijkheid van het gebied: de mensen konden alleen met bootjes op de donken komen. Waar ze aanlandden, vis schoonmaakten en een vuurtje stookten gooiden ze hun rotzooi weg. Als ik nu een donk zie en ik weet van geologische kaarten waar de geulen hebben gelopen, kan ik zo de plaatsen aanwijzen waar de afvallagen liggen. Maar ik heb mijn boorstrategie halverwege het onderzoek niet gewijzigd om later niet het verwijt te krijgen dat ik alleen maar mezelf heb bevestigd. Ik maak er wel gebruik van om de studenten die moeten boren te motiveren, want het is erg zwaar werk. Ik richt het vaak zo in dat het donderdags raak is.'

Wetlands

Het westelijke rivierengebied telt ongeveer honderd donken. Dertig à veertig donken die zich onder bebouwing bevinden vielen voor het onderzoek af. De geplande twintig vormen dus een aanzienlijke steekproef. Verbruggen heeft er inmiddels drieëntwintig afgeboord. Vast is komen staan dat de meeste al in het Vroeg Neolithicum bewoond zijn geweest, sommige zelfs in het jongste deel van het Mesolithicum (9.000-5.000 voor Christus) dat aan het Neolithicum vooraf gaat. Het aantal bewoningslagen, vijfenveertig in totaal, bleek per donk verschillend. Hoe zit het nu met de representativiteit van de Hazendonk?

Verbruggen: "Voor het feit van bewoning-op-zich is de Hazendonk representatief. Niet voor de fasering van de bewoning, dan is hij gewoon een van de honderd. Vijfhonderd meter verderop ligt bijvoorbeeld een donk met vier bewoningslagen die in de tijd niet samen maar min of meer tussen die van de Hazendonk vallen. Verder is de periode Hazendonk I op de Hazendonk een heel klein plekje maar in het hele gebied de meest verbreide fase. Voor de periode Hazendonk III geldt precies het omgekeerde, die blijkt op de Hazendonk wel prominent aanwezig, maar komt in de rest van het gebied veel minder vaak voor. Misschien hangen dit soort verschillen samen met veranderingen in de bereikbaarheid van delen van het gebied, dat weet ik nog niet precies.'

Vanzelfsprekend moest Verbruggen bewijzen dat zijn definitie van een bewoningslaag klopte. Dit werd getoetst met opgravingen in de Donk van Brandwijk. De verwachting van vier bewoningslagen werd bevestigd. Verbruggen vond complete vuilnisbelten waarvan de inhoud in ideale wetlands-condities verkeerde: zuurstofloos in veen of klei ingebed.

Dit betekent dat het westelijke Rivierengebied nu met vijfenveertig sites het grootste potentieel aan informatie over het Neolithicum en vooral het Vroeg Neolithicum bezit. Al het neolitische materiaal dat op de zandgronden vrijwel onmiddellijk verging, ligt hier in exact bekende locaties nagenoeg perfect bewaard. Het enige probleem voor wie daar iets van wil bestuderen is de diepte waarop het ligt.

Een definitief antwoord op de vraag naar het karakter van de bewoning is ook met dit onderzoek nog niet gegeven. Verbruggen: "Ik neig steeds meer naar de idee van seizoen-bezoeken. Het moet in dit gebied op bepaalde tijden van het jaar erg makkelijk zijn geweest om aan voedsel te komen. Daarbij zijn de donken voor landbouw waarschijnlijk te klein en te schraal geweest. En je vindt, zoals ik al zei, de afvallagen altijd in de buurt van geulen. Kennelijk stond de bewoning in directe relatie met de bereikbaarheid. Dan moet je wel aan jachtkampen denken. Verder nemen we aan dat de betrokken mensen uit Zuid Nederland kwamen. Hun aardewerk lijkt meer op dat van de Michelsberg-cultuur dan op Swifterbant. Bovendien is vrijwel alle gevonden vuursteen afkomstig uit de Limburgse Rijckholt vuursteenmijnen.'

Vernieuwingen

Nu is booronderzoek in de archeologie een allerminst ongebruikelijk verschijnsel. Waarom is er hier dan sprake van een geo-archeologische procedure en waarin zit het vernieuwende?

Verbruggen: "Boringen worden in de archeologie traditioneel gebruikt om de grootte van een site waarvan de ligging al bekend is te bepalen. Ik draai de zaak om. Ik boor om de sites in een terra incognita op te sporen. Daarbij hanteer ik een geologische werkwijze en baseer ik me op geologische kennis.'

Een tweede vernieuwing ligt op het technische vlak. Gewoonlijk bepalen archeologen de posities van vondsten en grondsporen met behulp van meetlint, baak, waterpas en theodoliet, en brengen deze gegevens vervolgens over op een tekening. Dat is noodzakelijk maar tijdrovend en vervelend werk en, omdat het allemaal handmatig gaat, weinig precies en nogal foutgevoelig. Bij het toetsingsonderzoek op de Donk van Brandwijk kon deze normale werkwijze niet worden gebruikt. Er moesten tot zeshonderd vondsten per vierkante meter worden ingemeten en de put was te diep om baak en waterpas te kunnen hanteren. Verbruggen gebruikte een geavanceerde theodoliet die door weerkaatsing van infrarood licht posities van wat dan ook tot op een afstand van twee kilometer in de drie dimensies vastlegt. Aan de theodoliet is een elektronisch geheugen gekoppeld dat de meetgegevens automatisch opslaat. Via het toetsenbord van dit zogenoemde total station kan aan deze databank onmiddellijk informatie worden toegevoegd. De inhoud van de databank wordt aan een computer gevoerd waarna software op plotter of beeldscherm de (bijgewerkte) veldwerktekening produceert. Als het nodig mocht zijn de opgravingsstrategie elk ogenblik te kunnen wijzigen, is het in principe ook mogelijk de vorderingen van het werk op een monitor ter plekke op de voet te volgen. Later, na analyse van de vondsten, kan het databestand via een databaseprogramma worden aangevuld met bijzonderheden als stylistische typeringen of dergelijke.

In Amerika is men technisch al zover gevorderd dat archeologen gedigitaliseerde video-beelden van de vondsten aan de gegevens toevoegen. Aangepaste versies van Computer Aided Design-software maken het mogelijk om achter het bureau op elke gewenste hoogte als het ware om en door opgravingen heen te lopen. De infrarood theodoliet kan ook andersom worden gebruikt, dus niet om in te meten maar om opgravingsvlakken uit te zetten.

Verbruggen: "Deze techniek werkt tot op de millimeter nauwkeurig en levert daarbij een aanzienlijke tijdsbesparing op. Het gaat zeker vier keer zo snel als de traditionele werkwijze. Maar je moet jezelf wel in de hand houden. Omdat je nu meer kunt, wil je ook meer. En als je dan niet oppast ben je die tijdwinst zo weer kwijt.'