Verwarring over tarieven van specialisten

ROTTERDAM, 29 APRIL. Verontwaardiging en de zekerheid dat "er grote onrust en woede' zou ontstaan. De ministerraad diende daar rekening mee te houden bij de bespreking van de "specialistenbrief' van staatssecretaris Simons (volksgezondheid).

Het telegram met deze boodschap, waarmee de Landelijke Specialisten Vereniging (LSV) de ministerraad twee weken geleden verraste, blijkt nauwelijks invloed te hebben gehad op de beslissing. Voor menige vrij gevestigde medische specialist is het achteraf maar goed ook dat de ministerraad akkoord ging met Simons' tekst. De LSV had volgens hen in plaats van boos juist tevreden moeten zijn. Weliswaar kondigt Simons in zijn brief continuering van de tariefsverlaging in 1994 aan, maar de forse overschrijdingen van het budget in 1991 (met zo'n 380 miljoen gulden) en in 1992 (volgens een voorlopige schatting met minimaal 560 miljoen) hoeven de specialisten - anders dan eerder was afgesproken - niet terug te betalen.

Dat niettemin de LSV de stormbal hees komt vooral door de tanende onderlinge solidariteit. Waar Simons in een mondelinge toelichting op zijn brief de hoop uitsprak spoedig weer een krachtige en eendrachtige LSV tegenover zich te zien, zet hij met zijn brief de solidariteit binnen de Vereniging nog eens extra onder druk. De specialisten die zich in de afgelopen jaren redelijk aan het afgesproken budget hebben gehouden voelen zich door Simons' maatregel gestraft voor het "wangedrag' van de anderen.

De staatssecretaris dreigt op die manier bovendien zijn eigen beleid te doorkruisen. Sinds 1989 leren de meeste specialisten binnen hun specialisme om te gaan met een budget. In de afgelopen tijd is - conform de bedoeling van Simons - de aandacht voor doelmatig handelen en voor kwaliteit in deze specialismen snel toegenomen.

Eind vorig jaar besloot Simons al tot een korting op de tarieven voor medisch specialistische hulp per 1 april 1993 - voor een periode van een jaar - met twaalf procent. Dat was nodig om te voorkomen dat de vrij gevestigde specialisten hun budget, dat min of meer op het niveau van 1989 is bevroren, met 369 miljoen gulden méér overschrijden dan ze nu waarschijnlijk toch al doen.

Simons' maatregel sluit aan op het "Vijf-partijen-akkoord', dat specialisten, ziekenhuizen en de drie organisaties van verzekeraars eind 1989 sloten. Daarin werd afgesproken dat in elk geval tot eind 1992 het budget voor medisch specialistische hulp op het niveau van 1989 zou worden vastgesteld. De specialisten zouden - als zij meer zouden declareren - het teveel gedeclareerde terugbetalen. Simons was geen partij bij het "Vijf-partijen-akkoord' en kan strikt genomen nu ook geen uitspraak doen over het al dan niet compenseren van de overschrijdingen in 1991 en 1992. Wel had hij als voorwaarde voor het akkoord gesteld dat de partijen zich aan het budget zouden houden.

Uitvoerig overleg tussen de vijf partijen over de compensatie en over het beleid na afloop van het akkoord leverde geen overeenstemming op. Dat noodzaakte Simons zelf een tariefsmaatregel te nemen om, zoals hij zei, in elk geval te voorkomen dat in 1993 evenveel als in 1991 wordt gedeclareerd.

De maatregel zal aan het eind van het jaar vrijwel zeker onvoldoende blijken te zijn. Want er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat in 1993 de omzet van de zelfstandig declarerende specialisten lager zal zijn dan in 1992. En die was vorig jaar minimaal 2,6 miljard gulden, ofwel bijna twintig procent meer dan tussen verzekeraars en specialisten was afgesproken.

Waarom Simons dan niet al in 1993 rekening houdt met de 560 miljoen gulden waarmee in 1992 het budget minimaal wordt overschreden, is volgens deskundigen van het ministerie van volksgezondheid een van de ongerijmdheden in de manier waarop het ministerie begroot. Want al eind 1992 was bekend dat de overschrijding in dat jaar ondanks het Akkoord veel hoger zou zijn dan in 1991.

Het is niet het enige verwarrende in het beleid uit Rijswijk: in de vorige week gepubliceerde "specialistenbrief' twijfelt ook de staatssecretaris nog of de tariefskorting nu wel of juist geen compensatie voor de overschrijdingen in 1991 en 1992 is: op pagina 2 is de maatregel nodig "om financiële problemen in 1993 te voorkomen', op pagina 3 "om de overschrijding te compenseren' en op pagina 4 schrijft de staatssecretaris dat de "tariefsmaatregelen ter compensatie van de overschrijding 1991 zullen worden voortgezet'. En dat terwijl Simons nog onlangs in een kort geding heel nadrukkelijk liet verklaren dat de omstreden tariefsverlaging nodig was om te voorkomen dat in 1993 het budget wordt overschreden: en dit laatste is ook logisch, gezien de bedragen die de staatssecretaris als opbrengst van zijn maatregelen verwacht. Was er wel sprake van compensatie, dan had immers een twee keer zo hoge korting van de tarieven voor de hand gelegen.

Over de maatregelen zelf is Simons duidelijk: ook na 31 maart zullen in 1994 de tarieven verlaagd blijven. Dat moet 369 miljoen opleveren. Om dat te bereiken is een iets hogere gemiddelde korting nodig dan die welke op 1 april is ingegaan; de periode waarin kan worden "gencasseerd' is immers maar negen maanden.

Simons zal bovendien nagaan of hij die korting per specialisme kan differentiëren. De specialismen die in 1992 hun budget het meeste hebben overschreden zullen dan in 1994 met de hoogste korting worden geconfronteerd. Dat is dan een vorm van gerechtigdheid die voor veel specialisten toch een beetje als mosterd na de maaltijd komt: als deze specialismen zich wat beter aan hun budget hadden gehouden voor 1992 was de korting lager uitgevallen of misschien wel achterwege gebleven. Bovendien zijn ze sceptisch: voor zo'n gedifferentieerde aanpak is het nodig over betrouwbare cijfers van de omzet in de verschillende specialismen te beschikken. En of die er (op tijd) komen is nog maar de vraag. Waarna een ongedifferentieerde tariefsverlaging ook voor 1994 voor de hand ligt, iets waarvan Simons zelf “de indruk heeft dat deze verlammend werkt op het versterken van het kwaliteitsbeleid.”

Met dank aan ir. B.C. Reith, curator van het museum van het Fysisch Elektronisch Laboratorium (FEL)-TNO in Den Haag.