Vallende ziekte in Babylon

"Epilepsie is een heel boeiende ziekte. In het religieus-magische denken van de Babyloniërs is het interessant omdat ze naar de oorzaken zochten. Die vonden ze in de wereld van de goden of in de zonden van mensen. Tegen de ziekte was in feite niets te doen. Toch hebben ze hun best gedaan met afweer en bezweringen, en het is de moeite waard om dat uit te zoeken.'

Prof.dr. Marten Stol, assyrioloog aan de Vrije Universiteit, heeft een studie gemaakt van medische handboeken uit het oude Babylon. Het zijn spijkerschriftteksten, met riet geschreven op natte kleitabletten, die daarna uithardden in de zon of in een oven. Stol heeft teksten gebruikt, genoteerd door exorcisten die verschillende vormen van epilepsie beschreven en van elk de bovennatuurlijke oorzaak aanwezen. Andere werken, van genezers, schetsten de bijbehorende therapie. Veel van dit soort geschriften zijn in de vorige eeuw gevonden op grondgebied dat nu toebehoort aan Irak. De vondsten komen uit de periode van 1750 tot 250 voor Christus. Stols boek "Epilepsy in Babylonia' verschijnt deze maand bij uitgeverij Styx in Groningen (163 blz; ƒ 65,-; ISBN 90-7237163-1).

Zelf heeft Stol het land van zijn studie nog nooit bezocht, zoals hij zonder schaamte toegeeft: "Ik ben in behoorlijk hoge mate een kamergeleerde. Het is ook zo warm en zo ver. Maar er zijn in mijn vak wel meer mensen die nog nooit in Irak zijn geweest, en die gaan er vandaag zeker niet naar toe.'

Epilepsie, vallende ziekte, werd ook in Babylonië geassocieerd met vallen. Het ging daarbij niet om het vallen van de patiënt, maar om het neerdalen van de ziekte op de getroffene. Stol: "Er regent iets uit de sterren en planeten, en door het venijn dat naar beneden druppelt kon je allerlei kwalen krijgen, waaronder epilepsie.'

Als symptomen beschreven de geleerden bijvoorbeeld trekken met handen en voeten, draaien met de ogen en zweten, maar opvallend genoeg niet het bijten op de tong. "Die exorcisten waren niet dom, die hebben waarschijnlijk wel gezien dat dat een toevallige bijkomstigheid is - iets wat kan gebeuren, maar niet echt een symptoom,' meent Stol.

Hoe weet hij eigenlijk dat het inderdaad gaat om wat medici nu epilepsie noemen? "Dat is wel hoogst waarschijnlijk. Er zijn vier hoofdstukken over ziekten die volgens de Babyoniërs aan elkaar verwant waren. Maar een aantal daarvan zijn géén epilepsie. Beroerte zit er bijvoorbeeld bij, en stuipen.'

Stol raadpleegt hierover geen medici en is dat ook niet van plan. "Dat is een beetje gevaarlijk. De moderne neurologen hebben hun eigen categorieën voor epileptode aandoeningen, en dan ben je vrij snel geneigd om van een passage in zo'n oud handboek te zeggen, aha, dat is de Jackson's disease. Mijn wetenschappelijke taak is het om de categorieën van de Babyloniërs boven tafel te krijgen.'

Bij wijze van therapie kreeg de patiënt om zijn nek een buideltje met geneeskrachtige planten. Amuletten werden ook gebruikt. Daarnaast waren er middelen om dreigende epilepsie af te weren. Zo werden daartoe deuren ingesmeerd met bloed, gips en asfalt. Daarmee was dan een heel woonhuis beschermd. Helpen deed het natuurlijk niet.

"Toch gingen ze ermee door,' constateert Stol. "Je ziet hetzelfde bij natuurvolken, die gebruiken ook middelen waarvan wij denken dat ze niet werken. Toch blijft zo'n heel medisch systeem overeind. In dit geval misschien omdat ze zagen dat ze ziekte bij kinderen kon verdwijnen.'

Uit het feit dat Stol dit onderwerp onderzoekt mag niet worden afgeleid dat epilepsie, of de angst ervoor, het dagelijks leven in Babylonië beheerste. In het exorcistenhandboek voor diagnostiek vormen de vier hoofdstukken over epilepsie niet meer dan een tiende van het geheel. "Het was toevallig wat ik het leukste vond,' beaamt Stol laconiek.

Wel was de ziekte belangrijk genoeg om er garanties tegen te eisen op de slavenmarkt. Het was het belangrijkste verborgen gebrek dat een slaaf kon hebben. Met besmettelijke ziekten werd geen rekening gehouden omdat men het begrip incubatietijd niet kende. "De wetten van Hammoerabi uit 1750 voor Christus hebben bepalingen hierover. Wanneer je een slaaf koopt en binnen dertig dagen blijkt dat hij epilepsie heeft, dan kun je hem teruggeven aan de verkoper. En de Assyrische koopcontracten van 1000 jaar later geven een termijn van honderd dagen. Dat was veiliger. De Grieken hadden trouwens weer een ander trucje, een soort aankoopkeuring. Je neemt git, een asfaltprodukt, dat steek je in brand en die rook laat je de slaaf ruiken. Mensen die aan epilepsie lijden krijgen dan onmiddellijk een aanval. Of dat ook zo is, weet ik niet. De Griekse medische auteurs van na het begin van onze jaartelling zeggen het, en het staat ook in middeleeuwse handboeken voor het kopen van slaven uit de Arabische wereld.'

Tot experimenteel onderzoek om de werkzaamheid van deze toets na te gaan (git en een cohort epileptici zijn vermoedelijk op de vrije markt wel te krijgen) is Stol niet bereid. "Mijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid gaat niet zo ver dat ik dat zou willen uitproberen. Dat is typisch een vraag van een bèta. Ik heb dat meer meegemaakt. De Babyloniërs brouwden ook bier en die recepten zijn teruggevonden. Een bèta wil dat dan meteen gaan namaken. Een bierbrouwerij aan de Amerikaanse Westkust heeft dat ook gedaan en, ja, daar kwam iets uit natuurlijk. Het smaakte wel. Maar verder kun je er weinig van zeggen. Ikzelf sta daar nogal wantrouwig tegenover. Geef mij maar Belgisch bier van 1993 na Christus.'