Strip wetenschappelijk erkend

Bibliotheek Belgisch Centrum van het Beeldverhaal. Zandstraat / Rue des Sables 20. 1000 Brussel. Telefoon (02) 219 19 80. Open di-wo-do 12-17, vr 12-18, za 10-18. Zo studiebibliotheek gesl., leeszaal geopend 12-18. Toegang leeszaal 20 BF per dag. Studiebibliotheek alleen toegankelijk vanaf zestien jaar, 50 BF per dag of 350 BF voor 10 dagen. Geen uitleen.

Het gebouw van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal (BCB) heeft een onmiskenbare allure. De entree is royaal en de ruimtelijke indruk wordt versterkt door de overspanning van in metaal gevangen glasplaten. De bezoeker voelt direct dat de strip hier als een serieuze kunstvorm gezien wordt.

Het centrum is een goed voorbeeld van de wijze waarop cultureel erfgoed bewaard kan blijven. Het stripmuseum en de bijbehorende bibliotheek zijn gevestigd in een prachtig gerestaureerd gebouw dat is ontworpen door de Belgische architect Victor Horta (1861-1947), een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de "art nouveau'.

Documentalist Jan De Pooter vertelt dat Brussel beschouwd kan worden als de bakermat van deze kunstuiting, maar helaas zijn al veel karakteristieke bouwwerken verloren gegaan. De redding van Horta's gebouw is de uitzondering op de regel.

Ook bij het bewaren van een ander belangrijk Belgisch patrimonium, de strips, lieten de officiële instanties het aanvankelijk afweten. De produkten van de "meest vruchtbare creatieve sector van België' werden tot halverwege de jaren zeventig met minachting bekeken. Professionele opvoeders achtten strips verderfelijk, omdat zij kinderen te lui zouden maken om "echt te lezen' en openbare bibliotheken weerden de strips uit hun collectie. Wie op school met een stripalbum werd betrapt kon erop rekenen dat het werd afgenomen.

Het leger stripliefhebbers groeide echter gestaag. Particulieren begonnen hartstochtelijk beeldverhalen te verzamelen. De vraag naar oude strips groeide daardoor snel, maar het aanbod bleef klein. De algemene miskenning van strips had al veel oude strips op een vuilnisbelt doen eindigen. Dit heeft tot gevolg dat sommige oude albums inmiddels astronomische bedragen opbrengen. Een eerste druk van een Kuifje is volgens een stripcatalogus 24.000 gulden waard. Dergelijke bedragen zijn echter voor het in 1989 geopende BCB niet op te brengen. De Pooter: ""Alleen van de laatste twintig jaar is onze collectie strips vrij compleet. Wij hopen dan ook dat er verzamelaars zullen komen die hun privécollectie niet omzetten in geld, maar nalaten aan ons centrum. Individuen bewaren de strips als relikwie en niet voor het publiek.''

Het doel van het BCB is het afdwingen van erkenning voor het medium strips. Het hele spectrum van gebruiksmogelijkheden wordt daartoe in de bibliotheek bijeen gebracht. De fabrieksmatig geproduceerde Suske en Wiske's staan broederlijk naast kunstzinnige "grafische romans', die op hun beurt weer geflankeerd worden door didactische strips of pornografie. De Pooter: ""De essentie van het medium strips is de opeenvolging van tekeningen waardoor een verhaal verteld wordt. In politieke tekeningen of cartoons ontbreekt dit narratieve element en daarom worden deze door ons niet verzameld. De eveneens veel in kranten gebruikte stopstrips in één strook behoren nog net wel tot ons verzamelgebied. Een voorbeeld van een dergelijke strip is "Peanuts' van Charles Schulz. Stropstrips zijn voor ons interessant, omdat de pointe van het verhaal meestal zit in het laatste plaatje. De andere panels bieden de aanloop. Het humorelement is narratief.''

Een ander doel van het BCB is het voor het voetlicht brengen van de rol die Belgische auteurs hebben gespeeld bij de ontwikkeling van het medium. De Pooter vertelt dat die nog weleens over het hoofd wordt gezien: ""In het hoofdartikel van het eerste nummer van het onlangs opgerichte Duitse striptijdschrift "Revolution Nr. 9' werd gesproken over de belangrijke rol van de "Franse school' in de geschiedenis van de Europese strip. De rest van het nummer was echter grotendeels gewijd aan Belgische auteurs. Kennelijk was de redactie misleid door de Frans klinkende namen. Voor ons is zoiets een alarmsignaal.''

België is tegenwoordig nog steeds het land met de grootste dichtheid aan striptekenaars in de wereld. De huidige generatie heeft het nadeel dat zij in de schaduw moet leven van grote monumenten, als Hergé, Jacobs, Marc Sleen, en Willy Vandersteen. De Pooter: ""Wij missen op het moment de echt grote tenoren en daarom heeft België haar leidinggevende rol op stripgebied moeten afstaan aan landen als Frankrijk en Italië. Toch vind ik dat onze jongere striptekenaars niet gespeend zijn van talent. Bij voorbeeld Hermann die in de reeks "Jeremiah' het leven na de nucleaire holocaust schetst, vind ik persoonlijk heel goed. Hij heeft een knappe tekenstijl en gaat heel filmisch te werk bij de opbouw van het verhaal. Hij kiest bij voorbeeld aansprekende invalshoeken voor zijn tekeningen en zijn hoofdpersonen bezitten goed uitgewerkte karakters.''

De bibliotheek beschikt niet alleen over beeldverhalen, maar ook over een verzameling secundaire literatuur over strips. Deze geschriften zijn te vinden in een aparte studiebibliotheek die is afgezonderd van de leeszaal die vooral bedoeld is voor een jeugdig publiek. Pooter: ""Doordat het beeldverhaal lange tijd miskend werd, verscheen er weinig of geen serieuze literatuur over dit onderwerp. De belangrijkste informatiebron over strips wordt dan ook gevormd door de zogenaamde stripfanzines (een samentrekking van de woorden fanatici en magazine). De bibliotheek heeft vierduizend artikelen uit deze blaadjes in de geautomatiseerde catalogus opgeslagen. Iedere bezoeker kan gewenste informatie met behulp van trefwoorden opzoeken.'' Wie graag meer wil weten over Hergé kan met behulp van de computer bij voorbeeld interviews met hem terugvinden.

Het nadeel van veel secundaire literatuur is dat het betrouwbaarheidsgehalte niet altijd even hoog is. De artikelen worden geschreven door liefhebbers en de tijdschriften beschikken niet - zoals bij veel wetenschappelijke tijdschriften het geval is - over een redactie die de feitelijke juistheid van de artikelen onder de loep neemt. Wie iets zeker wil weten zal dus meerdere bronnen moeten raadplegen.

De laatste jaren krijgt het beeldverhaal ook steeds meer aandacht van wetenschappers. Zij zien de strip als een culturele uiting en analyseren bij voorbeeld welke positie vrouwen in de getekende verhalen innemen. Het BCB juicht deze belangstelling toe en hoopt in de toekomst te zullen fungeren als katalysator bij het verder erkennen van het beeldverhaal als volwaardig medium. Het centrum werkt aan, en is tegelijkertijd een uiting van, het toegenomen prestige van de "negende kunstvorm'.