Palestijnen ongewenste vreemdelingen in Libanon

TYRUS/ BEIROET, APRIL. Temidden van de heel- en half-verwoeste gebouwen van de Libanese hoofdstad Beiroet, sombere herinneringen aan 17 jaar burgeroorlog, vallen de overwoekerde puinhopen in de Palestijnse woonbuurten Sabra en Shatila nauwelijks uit de toon. Maar zelfs naar Libanese maatstaven is hun recente verleden opzienbarend: christelijke militieleden slachtten er op drie bloedige dagen in september 1982 in een orgie van geweld duizenden mensen af. Daarna kwamen de uithongering en de verwoestingen door shi'itische militieleden tijdens de jarenlange "kampenoorlog'.

Het puin van Sabra en Shatila - het eerste is een door arme Libanezen en Palestijnen bewoonde volksbuurt in Zuid-Beiroet, het tweede het aanpalende vluchtelingenkamp - onderstreept de hachelijke positie waarin de Palestijnen in Libanon verkeren, als ruim 300.000 ongewenste buitenlanders temidden van ongeveer tien maal zoveel vijandige Libanezen. Zo worden ze afgestraft voor de vrijheden die ze zich vóór en tijdens de Libanese burgeroorlog hebben gepermitteerd, toen ze als staat in de staat opereerden en veel Libanezen maar te doen hadden wat de Palestijnen voorschreven. De rollen zijn nu omgedraaid.

In Shatila wonen nog maar weinig mensen, en dan bijna alleen vrouwen, kinderen en bejaarden. Palestijnse jongens en mannen die niet tot pro-Syrische strijdgroepen behoren, hoeden zich ervoor het kamp binnen te gaan. Leden van de Syrische mukhabarat, geheime dienst, norse jonge mannen in leren jacks, controleren de enige toegang tot het kamp, zoals zij overigens àlle strategische plaatsen van Libanon controleren. De Palestijnen geeft dat een onveilig gevoel. “Het is net een gevangenis”, zegt een Palestijnse vrouw.

Wie geld heeft, als Palestijn, woont niet in de twaalf vluchtelingenkampen die de VN-organisatie UNRWA in Libanon heeft ingericht. Sterker nog: wie geld heeft probeert Libanon uit te komen. Want de Palestijnen in Libanon hebben een treurig lot, treuriger dan dat van de Palestijnen in Syrië of Jordanië. Die mogen nog wel wat, die worden getolereerd. Maar de Palestijnen in Libanon zijn outcasts.

Ze mogen niet bouwen buiten de kampen, tenzij ze erg veel geld voor een bouwvergunning over hebben - want in Libanon is met geld nog veel te regelen, ook nu het vrede is. Maar het is moeilijk aan geld te komen als je dat nog niet bezit. Palestijnen mogen niet in overheidsdienst werken - het is wel toegestaan in de citrus-boomgaarden te werken, maar daar worden ze meer en meer vervangen door Libanese shi'ieten met kennis van zaken. Particuliere ondernemers willen hen nog wel eens in dienst nemen, omdat ze harder werken dan Libanezen en noodzakelijkerwijs bereid zijn ruim onder de prijs te werken.

De enige reguliere werkgever is de UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen. De UNRWA verschaft gezondheidszorg en onderwijs in de kampen, regelt jeugdactiviteit en vrouwenopleidingen, en verschaft zo werk aan artsen en docenten, maatschappelijk werkers en verpleegsters, chauffeurs en schoonmakers, ongeveer 2.500 in totaal.

De volle scholen in de Palestijnse kampen leiden voornamelijk voor werkloosheid op. Laila, die in de hoogste klas van de UNRWA-school in het Zuidlibanese vluchtelingenkamp Rashidiyeh zit, volgens de docent de slimste van het stel is en dan ook naar de universiteit wil, zal eigenlijk alleen in het buitenland werk kunnen vinden. Alleen stuurt dat buitenland voornamelijk nog Palestijnen terùg.

Tweeëneenhalf jaar vrede in Libanon hebben de Palestijnen bepaald niet alleen voordelen gebracht. De veiligheid is toegenomen, hoewel met name de vluchtelingenkampen in het zuiden regelmatig doelwit blijven van Israelische vergeldingsaanvallen voor Arabische guerrilla-acties tegen Israelische doelen. En het is sinds een jaar oorlog tussen aanhangers van PLO-leider Yasser Arafat en die van Abu Nidal, waarin de moordaanslagen over en weer elkaar steeds sneller opvolgen.

Maar vooral de economische situatie is dramatisch. De Palestijnen lijden mee onder de economische crisis in Libanon en ze worden daarbovenop getroffen door de financiële nood van de PLO. De Golfstaten, die de PLO vroeger ruimhartig steunden, hebben de geldstroom afgeknepen als straf voor Arafats pro-Iraakse houding tijdens de crisis rondom de Iraakse bezetting van Koeweit. De PLO heeft haar uitkeringen aan behoeftige vluchtelingen moeten stopzetten. De toestand is zo slecht dat de wildste geruchten de ronde doen over het vertrek van tienduizenden Palestijnen uit Libanon.

Maar waarnaar toe? Sinds 1989 is het niet meer zo makkelijk een ander land te vinden. De Scandinavische landen, Oost-Europa willen geen immigranten meer, de toegangspoort via Berlijn is gesloten. En uitzicht op terugkeer naar een Palestina, voortvloeiend uit het deze week hervatte vredesoverleg, is er ook al niet.

De Palestijnen in Libanon zijn afkomstig uit het huidige Israel - niet uit de bezette gebieden. Ze zijn zo'n 45 jaar geleden naar Libanon gevlucht, in de tijd rond de stichting van de joodse staat, en er is geen sprake van dat ze naar hun vroegere woonplaatsen kunnen terugkeren.

De verbitterde PLO-vertegenwoordiger in Beiroet, Shafiq al-Hout, erkent dat. Shafiq al-Hout is een van de oprichters van de PLO, maar nu is hij een eenzaam overblijfsel van de bloeiende PLO-aanwezigheid in Beiroet, waaraan de Israeliërs in 1982 een einde maakten. Zijn appartement is zijn kantoor, zijn vrouw zijn secretaresse: meer willen de Libanese autoriteiten niet toestaan om goed duidelijk te maken wie nú de baas is.

“Ik kan niet naar Jaffa, ik kan niet naar Haifa”, erkent Shafiq al-Hout. Maar, zo droomt hij hoopvol, “waarom zou ik niet naar Nablus, op de Westelijke Jordaanoever, gaan, of naar Gaza? Misschien moet ik Jaffa verliezen, maar waarom zou ik heel Palestina kwijtraken?”

Het is een irreële droom, maar een die de Libanezen graag verwezenlijkt zouden zien. Want het alternatief is blijven en Libanees staatsburgerschap voor de Palestijnen, en daar wil Beiroet eigenlijk niet aan denken. “Wij kunnen de Palestijnen niet als Libanese burgers accepteren”, zegt de sunnitische premier, Rafiq Hariri. “Dit is onaanvaardbaar voor ons. Wij kunnen ons dat niet veroorloven. Het is niet alleen een kwestie van principe, het is een kwestie van realiteit, gezien de demografisch ingewikkelde situatie hier in Libanon. Die mensen zijn sunnitische moslims. Dus als we ze accepteren betekent dat dat we de deur moeten openzetten voor 350.000 shi'ieten. Maar dat zou de christenen ongelukkig maken. Dus dan moeten we nog eens 700.000 christenen erbij nemen. Dat betekent dat er 1,4 miljoen niet-Libanezen Libanees zullen moeten worden, en dat is niet aanvaardbaar.”

“Dus ze zullen moeten teruggaan. Onze situatie is anders dan die in enig ander Arabisch land. Het aantal Palestijnen dat we hier hebben zal het evenwicht van het land benvloeden. Dat kunnen we ons niet veroorloven. Je kan een land niet vragen in één klap tien procent van zijn bevolking erbij te nemen.” Hariri staat hierin niet alleen: druzenleider Jumblatt, shi'ieten-leider Nabih Berri, de christelijke president, Hrawi, zijn allen fel tegen naturalisatie van de Palestijnen.

Het Libanese parlement behandelt op het ogenblik een naturalisatiewet, die ongeveer 100.000 niet-Libanezen een paspoort moet gaan opleveren. Onder hen zullen dus niet veel Palestijnen zijn - de paar christelijke Palestijnen die nog niet zijn geëmigreerd misschien, de 30.000 "shi'itische Palestijnen', in feite Libanezen uit het grensgebied met Israel die in 1948 als Palestijnse vluchtelingen werden aangemeld om te profiteren van de internationale hulp.

De rest zal voorlopig moeten doormodderen, gewapend met de droom van terugkeer naar Palestina, maar zonder werkvergunning. In het vluchtelingenkamp Rashidiyeh, bij de Zuidlibanese havenstad Tyrus, wordt druk gebouwd. Waarom bouwen, als je droomt van terugkeer? Een Palestijnse UNRWA-functionaris: “We weten allemaal dat we blijven.” Derde artikel in een serie over Libanon. Eerdere afleveringen verschenen op 2 en 8 april.