Orkestenbestel

DE HERSTRUCTURERING van het Nederlandse orkestenbestel blijkt al twee decennia een utopie.

Er zijn een paar orkesten verdwenen of met andere gefuseerd (in Zuid-Holland, Utrecht, Hilversum en Friesland), maar daar is het bij gebleven. Het moedige plan om, zoals in het Noorden, orde en efficiency te scheppen door ook in het Oosten en het Zuiden tot één groot regionaal orkest te komen, heeft het niet gehaald. De vorig jaar door Den Haag opgelegde vergaande samenwerking tussen de orkesten in Brabant en Limburg houdt in de praktijk weinig in. En gisteren besliste de Tweede Kamer dat de orkesten in Gelderland en Overijssel met regionale financiële steun geheel zelfstandig mogen blijven voortbestaan.

Minister d'Ancona legde zich met veel moeite neer bij de wens van de Kamer. Ze nam met openlijke tegenzin verantwoordelijkheid voor een voorstel dat ze - met reden - artistiek, financieel en beleidsmatig onverantwoord vindt. Ze vindt het geen efficiënte besteding van belastinggelden. Of die nu worden betaald door het rijk of door de provincies, maakt inderdaad niet uit.

Zó sterk waarschuwde de minister tegen de financiële lacunes in de toezeggingen van Gelderland en Overijssel, dat het wel leek alsof ze zich indekte tegen een toekomstige parlementaire enquête naar het kunstbeleid. Toch nam ze alles voor eigen rekening, met de constatering dat wat gisteren werd besloten binnen twee of drie jaar tot nieuwe problemen zal leiden. Het CDA-Kamerlid Beinema was al even openhartig: “Dat er te weinig geld is, dat is een probleem voor de minister, al leven we daarin mee.” Vervolgens kondigde hij een verder uitstel van het einde aan de orkestendiscussie aan, met de mededeling nu wel eens naar de orkesten in de Randstad te willen kijken.

Keer op keer blijkt op het ministerie van WVC sprake van zwakke ambtelijke en politieke beleidsvoorbereiding, verkeerde aannames, onjuiste verwachtingen en discutabele cijfers. Steeds weer moet daardoor een deel van het kunstbeleid worden gecorrrigeerd, bijgesteld en gedicteerd door de Kamerfracties van de regeringspartijen CDA en PvdA. Zij doen dat opmerkelijk eendrachtig, en ook de oppositie blijkt het vaak van harte eens met de heren Beinema en Niessen. Zo staan de minister en haar departement vaak geheel terzijde in de discussie tussen Tweede Kamer en provinciale bestuurders.